
Jurisprudentie
BJ1039
Datum uitspraak2009-05-27
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 07/2475 WW44
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 07/2475 WW44
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vrijstelling ogv 19-3 WRO - bouwvergunning – onduidelijke bestuurspraktijk.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 07/2475 WW44
uitspraak van de enkelvoudige kamer
in de zaak tussen:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser,
gemachtigde: mr. A.C. de Kanter,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Blaricum,
verweerder,
gemachtigde mr. S.J. Kist.
1. Procesverloop
Eiser heeft een bouwvergunning aangevraagd voor een uitbouw aan de voorzijde van zijn woning gelegen op het perceel [adres].
Verweerder heeft geweigerd aan eiser vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning te verlenen voor deze verbouwing.
Bij besluit van 8 mei 2007 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
Na sluiting van het onderzoek ter zitting op 10 april 2008 heeft de rechtbank het onderzoek heropend voor het schriftelijk inwinnen van inlichtingen bij verweerder.
De rechtbank heeft op 2 oktober 2008 het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft verweerder daarbij in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting op het door verweerder gehanteerde vrijstellingsbeleid in te zenden. Eiser heeft op de toelichting van verweerder gereageerd.
De rechtbank heeft in aanwezigheid van partijen op 25 februari 2009 een onderzoek ter plaatse ingesteld als bedoeld in artikel 8:50, eerste lid, van de Awb (descente).
Partijen hebben toestemming gegeven als bedoeld in artikel 8:57 van de Awb om zonder (nadere) behandeling ter zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan is in strijd met het geldende bestemmingsplan "Bijvanck". Niet in geschil is dat verweerder geen binnenplanse vrijstelling kan verlenen.
2.2. Verweerder heeft voor de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het verlenen van een buitenplanse vrijstelling de beleidsnotitie "Beleidsregels voor de toepassing van artikel 19, lid 3 WRO" met de daarbij behorende notitie bijlage 3 “Artikel 18a WRO notitie” van 9 mei 1996 vastgesteld (hierna: de beleidsregels). Niet is in geschil dat het bouwplan niet voldoet aan de beleidsregels, nu deze regels niet zien op uitbouwen aan de voorzijde van woningen.
2.3. Verweerder stelt een bestuurspraktijk te volgen op grond waarvan in afwijking van de beleidsregels toch vrijstelling wordt verleend voor uitbouwen aan de voorzijde. Op grond van deze praktijk zijn uitbouwen aan de voorzijde toegestaan als zij een duidelijke verspringing laten zien. Deze verspringing moet minstens 1 meter bedragen. Op deze wijze wordt de kenmerkende herhaling van verspringingen in de voorgevel van de woningen aan de [straatnaam] niet verstoort. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan de voorwaarden van deze bestuurspraktijk.
2.4. Eiser heeft aangevoerd dat de uitbouwen aan de voorzijde van de woningen [woningen] een verspringing laten zien van minder dan 1 meter. Nu verweerder op grond van de bestuurspraktijk deze uitbouwen toestaat dient hij ook vrijstelling te verlenen voor zijn uitbouw aan de voorzijde.
2.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de weigering vrijstelling te verlenen ondeugdelijk heeft gemotiveerd.
2.5.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder niet heeft kunnen aangeven in hoeveel gevallen hij de bestuurspraktijk heeft gevolgd. De rechtbank betwijfelt dan ook of voldoende gebleken is van het bestaan van deze bestuurspraktijk.
2.5.2. De rechtbank stelt verder vast dat er geen sprake is van beleidsregels. Verweerder kan dan ook niet volstaan met een verwijzing naar de bestuurspraktijk, maar dient de weigering vrijstelling te verlenen deugdelijk te motiveren. Dat geldt des te meer nu deze bestuurspraktijk niet op schrift is gesteld.
2.5.3 De rechtbank baseert het oordeel dat de weigering niet deugdelijk is gemotiveerd verder op het volgende. Uit de verwoording door verweerder van de bestuurspraktijk volgt dat doorslaggevend voor verweerder is het visuele beeld van een ‘rafelrand’. Alleen uitbouwen die een duidelijke verspringing laten zien, te weten een verspringing van minstens 1 meter, verstoren het beeld van deze ‘rafelrand’ niet. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat moet worden gemeten vanaf de voorgevelrooilijn, zoals deze op de plankaart is aangegeven. Het is de rechtbank gebleken dat deze voorgevelrooilijn niet samenvalt met de feitelijke voorgevel van de woningen [woningen]. De verspringing van de uitbouwen van de woningen [woningen] gemeten vanaf de feitelijke voorgevel bedraagt minder dan 1 meter. Bepalend voor het visuele beeld is naar het oordeel van de rechtbank de verspringing vanaf de feitelijke, zichtbare, voorgevel en niet de verspringing vanaf een denkbeeldige, niet zichtbare, op de plankaart aangegeven rooilijn. Ook de uitbouw van de woning [woning], gemeten vanaf de voorgevel tot aan de voorkant van deze uitbouw, laat een verspringing zien van minder dan 1 meter. Het visuele beeld van de verspringingen is, kortom, bij de uitbouw van [woning1] niet wezenlijk anders dan bij [woningen]. Verweerder kan de weigering dan ook niet baseren op het standpunt dat de uitbouwen van [woningen] wel onder de bestuurspraktijk vallen en [woning1] niet.
2.6. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7.12 van de Algemene wet bestuursrecht.
2.7 Verweerder zal een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiser dienen te nemen. Verweerder zal daarbij hetgeen de rechtbank heeft overwogen in acht dienen te nemen.
2.8 De rechtbank voegt daaraan nog het volgende toe. De rechtbank onderschrijft het standpunt van eiser dat de wijze waarop verweerder omgaat met het beleid inzake vrijstellingen niet eenvoudig is te doorzien. Met name het feit dat verweerder de bestuurspraktijk niet op schrift heeft gesteld bemoeilijkt de toetsing van de besluitvorming van verweerder. De rechtbank geeft verweerder dan ook in overweging om duidelijkheid te scheppen over de wijze waarop hij omgaat met de bevoegdheid tot het verlenen van vrijstellingen voor uitbouwen die in strijd zijn met het bestemmingsplan.
3. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder een nieuwe besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 966,00, te betalen door de gemeente Blaricum aan eiser;
- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 143,00 aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.P. Kijlstra, rechter, in tegenwoordigheid van J.J.M. Tol, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage.
Afschrift verzonden op:
DOC: B
SB