Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1036

Datum uitspraak2009-05-29
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 08/3351 BESLU
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verklaring Omtrent het Gedrag in verband met beroep van taxichauffeur terecht geweigerd. Antecedenten. Risico voor de samenleving weegt zwaarder dan belang eiser. Verweerder heeft ook de niet onherroepelijke zaken in de beoordeling van de VOG-aanvraag kunnen betrekken.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM Sector Bestuursrecht Zaaknummer: AWB 08/3351 BESLU uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, gemachtigde: mr. P.A.Th. Lemmers, en de Minister van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. G. van Zon. 1. Procesverloop Eiser heeft op 12 december 2007 om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) verzocht ten behoeve van een aanvraag van een chauffeurspas bij de Inspectie Verkeer en Waterstaat, ter uitoefening van het beroep als taxichauffeur. Verweerder heeft bij primair besluit van 28 februari 2008 de afgifte van een VOG aan eiser geweigerd op grond van de artikelen 28 en 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en de Beleidsregels VOG NP-RP 2004, vastgesteld bij besluit van de Minister van Justitie van 15 maart 2004. Bij besluit van 14 juli 2008 heeft verweerder het daartegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard (hierna: het bestreden besluit). Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2009. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1. Ingevolge artikel 28 van de Wjsg is een VOG een verklaring van de Minister van Justitie dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijk persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen. Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wjsg weigert de Minister van Justitie de afgifte van een VOG, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan. Ingevolge artikel 75, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (hierna: het Besluit), voor zover thans van belang, wordt met het besturen van een auto waarmee taxivervoer wordt verricht, slechts diegene belast, die in het bezit is van een geldige chauffeurspas. Ingevolge artikel 76, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit wordt, voor zover thans van belang, bij de aanvraag om een chauffeurspas een met het oog op het uitoefenen van het beroep van taxichauffeur overeenkomstig de bepalingen van de Wjsg verleende verklaring omtrent het gedrag overgelegd. 2.2. Bij de beoordeling van het verzoek om afgifte van een VOG zijn ten tijde van het bestreden besluit de criteria gehanteerd die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2008 voor het beoordelen van aanvragen ter verkrijging van een VOG van natuurlijke personen en rechtspersonen (hierna: de Beleidsregels 2008), vastgesteld door de Minister van Justitie bij besluit van 1 april 2008 (Stcrt. 24 juni 2008, nr. 119). De Beleidsregels 2008 zijn in werking getreden op 1 juli 2008. Ten aanzien van de in dit geding aan de orde zijnde geschilpunten wijken de Beleidsregels 2008 niet af van die welke ten tijde van het primaire besluit golden. Volgens paragraaf 3. van de Beleidsregels 2008 wordt bij de beoordeling van de aanvraag in beginsel gekeken naar de justitiële gegevens die zijn opgenomen in de justitiële documentatie in de voor het doel van de aanvraag relevante termijn. Wanneer de aanvrager voorkomt in de justitiële documentatie wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium. Volgens paragraaf 3.1.1. van de Beleidsregels 2008 vindt beoordeling plaats op grond van de justitiële gegevens die voorkomen in de justitiële documentatie in de vier jaren voorafgaand aan de aanvraag. Van deze terugkijktermijn wordt onder meer afgeweken wanneer de aanvraag voor de VOG samenhangt met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen. Volgens de toelichting bij deze paragraaf brengt dit voor een taxichauffeur met zich mee dat de terugkijktermijn vijf jaren bedraagt. Volgens paragraaf 3.2. van de Beleidsregels 2008 betreft het objectieve criterium de vraag of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie of het beoogde doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Indien aan de hand van het objectieve criterium is vastgesteld dat het betreffende justitiële gegeven een risico voor de samenleving kan opleveren bij het vervullen van de betreffende functie, wordt de VOG in beginsel geweigerd. Om vast te stellen of een aangetroffen antecedent een belemmering vormt voor de afgifte van een VOG is in paragraaf 3.2.3. van de Beleidsregels 2008 een onderverdeling gemaakt in risico’s voor de samenleving. De toetsing aan de hand van deze risico’s is nader uitgewerkt in een algemeen screeningsprofiel en specifieke screeningsprofielen. In het specifieke screeningsprofiel voor een taxichauffeur is opgenomen dat deze belast is met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van mensen. In die functie komt het vaak voor dat er een één op één relatie is, waarbij sprake is van een (tijdelijke) afhankelijkheid. Eén van de risico’s in de taxibranche is het in gevaar brengen van de veiligheid van personen en goederen. Volgens paragraaf 3.3. van de Beleidsregels 2008 kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat de betrokkene heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. Relevante omstandigheden van het geval zijn ingevolge paragraaf 3.3.2. onder meer de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden, zijn alleen relevant indien verweerder na weging van de subjectieve criteria niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. 2.3. Verweerder heeft aan de in bezwaar gehandhaafde weigering ten grondslag gelegd dat in de justitiële documentatie staat vermeld dat eiser in de afgelopen vijf jaren te rekenen vanaf de datum van de aanvraag vijfmaal is veroordeeld voor in totaal zes snelheidsovertredingen (in de periode van 20 juli 2005 tot en met 7 december 2007). Daarbij is eiser telkens veroordeeld tot geldboetes. Naast een geldboete is aan eiser tweemaal tevens een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd, bij vonnis van 11 juli 2006 voor de duur van vier maanden en bij vonnis van 20 september 2007 voor de duur van zes maanden. Op 7 december 2007 is aan eiser naast een geldboete een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 4 maanden opgelegd. Voorts heeft verweerder aan de weigering ten grondslag gelegd een nog openstaande zaak, betreffende een snelheidsovertreding, gepleegd op 19 december 2006 te Amsterdam, een beschadiging van goederen waarvoor eiser op 10 april 2006 is veroordeeld tot een boete van 150 euro, alsmede een maatregel van schadevergoeding is opgelegd, een veroordeling van 5 augustus 2004 tot een boete, betreffende het niet verlenen van voorrang, en het aanvaarden van een transactie door eiser op 17 februari 2004 vanwege een snelheidsovertreding. In het bestreden besluit heeft verweerder daaraan toegevoegd dat eiser als taxichauffeur onder meer is belast met de zorg voor het welzijn en de veiligheid van personen, onder wie passagiers, die gebruik maken van vervoer per taxi. De veroordeling van eiser wegens het beschadigen van goederen levert, indien herhaald, een risico op voor de bezittingen van de passagiers. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat eiser als taxichauffeur veelvuldig deelneemt aan het verkeer. Eiser is meermalen in aanraking gekomen met justitie wegens snelheidsovertredingen, en dat delict levert, indien herhaald, een risico op voor passagiers en medeweggebruikers. Het belang van beperking van het risico voor de samenleving moet volgens verweerder zwaarder wegen dan het belang van eiser bij het verkrijgen van de VOG. 2.4. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de delicten die door verweerder aan de weigering ten grondslag zijn gelegd relevant zijn en, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, aan een behoorlijke uitoefening van de werkzaamheden als taxichauffeur in de weg staan. Gelet daarop is de rechtbank met verweerder van oordeel dat is komen vast te staan dat aan het objectieve criterium is voldaan. Het feit dat drie van de vijf veroordelingen voor snelheidsovertredingen nog niet onherroepelijk zijn, doet daar niet aan af. Artikel 35, eerste lid, van de Wjsg noopt niet tot een dergelijke beperking. Verweerder doet bij de beoordeling van een VOG-aanvraag onderzoek naar het justitieel verleden. De beoordeling van de VOG-aanvraag vindt plaats aan de hand van alle openstaande zaken en de beslissingen die door het Openbaar Ministerie of de rechter zijn genomen, met uitzondering van een vrijspraak, niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie en de beslissing tot het niet vervolgen omdat de betrokken persoon ten onrechte als verdachte is aangemerkt (zie de toelichting bij de Beleidsregels 2008, paragraaf 3). Van voornoemde uitzonderingen is geen sprake. Verweerder heeft daarom ook de niet onherroepelijke zaken in de beoordeling van de VOG-aanvraag kunnen betrekken. Voor zover eiser heeft betoogd dat hij een aantal verkeersdelicten niet zelf heeft begaan is de rechtbank van oordeel dat verweerder daar op juiste gronden geen gewicht aan heeft toegekend, nu verweerder hier geen zelfstandige afweging over hoefde te maken, maar diende uit te gaan van de beschikbare relevante justitiële gegevens zoals deze voorlagen. Het betoog van eiser dat verweerder de beschadiging van goederen niet ten grondslag had kunnen leggen aan de weigering van de afgifte van een VOG treft eveneens geen doel. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft overwogen is de omstandigheid dat een strafbaar feit zich niet heeft voorgedaan tijdens of in verband met het functioneren van aanvrager als taxichauffeur, niet van doorslaggevend belang. Het gaat erom of het strafbare feit, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving bestaat (zie uitspraken Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 augustus 2008 (LJN: BD9407) en 18 maart 2009 (LJN: BH6342)). 2.5. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich, gezien ook het aantal antecedenten binnen een periode van vijf jaar, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het subjectieve criterium geen aanleiding geeft om ondanks de uitkomst van de objectieve toets niettemin tot afgifte van een VOG over te gaan. De stelling van eiser dat hij sinds zijn 18e jaar schadevrij zou rijden, doet aan de ernst van de gepleegde snelheidsovertredingen en het daaruit voortvloeiende risico voor de samenleving niet af. Ten aanzien van de door eiser gestelde omstandigheid dat de weigering een VOG af te geven voor hem onredelijke gevolgen heeft in die zin dat hij niet meer als taxichauffeur kan werken overweegt de rechtbank dat in het Besluit besloten ligt dat de onthouding van de VOG ertoe leidt dat de aanvrager het beroep van taxichauffeur niet meer kan uitoefenen. Dat gevolg, waarvoor de wetgever bewust heeft gekozen, kan reeds daarom niet als een bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Het betoog van eiser dat de weigering aan hem een VOG te verlenen voor hem grote financiële gevolgen heeft, doet daar niet aan af, omdat dit de consequentie is van het niet uitoefenen van het beroep. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen oordelen dat het risico voor de samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser bij afgifte van een VOG. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de VOG zou moeten worden afgegeven, zijn de omstandigheden waaronder de strafbare feiten hebben plaatsgevonden niet relevant. Die omstandigheden zijn blijkens de Beleidsregels 2008 voor de beoordeling slechts van belang indien verweerder na weging van de subjectieve criteria niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven. Hiervan is geen sprake. 2.6. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de Minister van Justitie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gevraagde VOG diende te worden geweigerd. 2.7. Nu de aangevoerde gronden niet kunnen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, zal het beroep ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.M. Gielen-Winkster, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. van der Eijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2009. De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te ‘s-Gravenhage. Afschrift verzonden op: DOC: B SB