Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ1035

Datum uitspraak2009-05-28
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers140082/KG ZA 09-182
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

verlenging) non-actief stelling bestuurder hoor en wederhoor toezichthoudende taak Raad van Bestuur onhoudbare situatie als bedoeld in de arbeidsovereenkomst summiere toets/ maatstaven van redelijkheid en billijkheid/toereikende gronden


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Datum uitspraak: 28 mei 2009 Zaaknummer : 140082 / KG ZA 09-182 De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen inzake [EISER] wonende te 3770 Riemst, België, eiser in kort geding, advocaat mr. M. de Jong (Utrecht); tegen: de stichting [GEDAAGDE] statutair gevestigd en kantoor houdende te Maastricht, gedaagde in kort geding, advocaat mr. M.A.F. Overdijk (Maastricht). 1.Het verloop van de procedure Eiser, hierna te noemen: "[eiser]", heeft gedaagde, hierna te noemen: "[gedaagde]", gedag¬vaard in kort geding. Op de dienende dag, 14 mei 2009, heeft [eiser] gesteld en gevor¬derd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwij¬zing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten. [gedaagde] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties en naar één - met instemming van [eiser] - ter terechtzitting nog overgelegde productie. Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd. Ten slotte heeft [eiser] om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden. 2.Het geschil 2.1 [eiser], geboren op 24 augustus 1951, is op 15 oktober 2005 voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde]. [eiser] is tevens statutair bestuurder van [gedaagde]. In artikel 7 lid 4 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst, getiteld "Schorsing/ non activiteit", is bepaald: “ 4. De Stichting kan anders dan in de voorgaande leden aangegeven de heer [eiser] op non-activiteit stellen indien door deze non activiteitsstelling aan een onhoudbare situatie binnen de Stichting een einde wordt gemaakt en de oorzaak van deze onhoudbare situatie gelegen is in de persoon van de heer [eiser]. De Raad van Toezicht van de Stichting zal alle mogelijkheden onderzoeken om de non-activiteit op te heffen, echter indien in redelijkheid niet verwacht kan worden dat de betrekkingen binnen de Stichting door terugkeer van de heer [eiser] kunnen worden hersteld zal de Stichting een procedure tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst initiëren.” 2.2 Bij besluit van 16 maart 2009 heeft de Raad van Toezicht van [gedaagde] (hierna: RvT) [eiser] met ingang van 17 maart 2009 om 9.00 uur voor 30 dagen op non-actief gesteld. Bij schrijven van 17 maart 2009 is de op non-actief stelling bevestigd. Bij schrijven van 18 maart 2009 heeft de raadsman van [eiser] de RvT onder meer ver¬zocht [eiser] toe te laten tot zijn werkzaamheden. Van de door de RvT ingeschakelde advocate heeft de raadsman van [eiser] vervolgens het bericht ontvangen dat de RvT [eiser] niet tot zijn werkzaamheden zal toelaten. 2.3 Op 1 april 2009 heeft de (advocate van de) RvT schriftelijk medegedeeld dat de RvT voor¬nemens is de arbeidsovereenkomst met [eiser] te beëindigen. Op 13 mei 2009 heeft [eiser] de dagvaarding - waarbij [gedaagde] bij de Arbeidsrechtbank te Tongeren (België) ont¬binding van de arbeidsovereenkomst met [eiser] heeft gevraagd - ontvangen. 2.4 Bij besluit van 8 april 2009 heeft de RvT de op non-actief stelling voor onbepaalde tijd ver¬lengd (tot aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst). Deze verlenging is op 14 april 2009 per email medegedeeld aan de raadsman van [eiser]. Tussen partijen is in confesso dat [eiser] voorafgaand aan dit verlengingsbesluit door de RvT niet daaromtrent is ge¬hoord. Toen eind april 2009 duidelijk werd dat verzuimd was [eiser] vooraf op het voor¬genomen tot verlenging te horen is [eiser] door de RvT bij brief van 28 april 2009 uit¬genodigd om op 4 mei 2009 alsnog achteraf op het voorgenomen besluit te worden gehoord. Op 4 mei 2009 heeft [eiser] geen gevolg gegeven aan voormelde uitnodiging, waarna de RvT op 10 mei 2009 voor zover nodig alsnog eenparig met terugwerkende kracht het verlen¬gingsbesluit heeft genomen. 2.5 [eiser] stelt - kort samengevat en voor zover thans van belang - het volgende: 2.5.1 Er is geen grond voor de door de RvT getroffen maatregelen: formeel noch inhoudelijk. Formeel niet, omdat de RvT zich niet houdt aan de statuten en regelgeving. Bovendien is het verlengingsbesluit genomen zonder hoor en wederhoor en is het besluit van de RvT van 10 mei 2009 met terugwerkende kracht genomen, hetgeen een onbestaand fenomeen is. Inhoudelijk niet, omdat er geen grond is voor het treffen van de zware en beschadigende maatregel van op non-actief stelling. In dat verband wijst [eiser] onder meer op de in de arbeidsovereenkomst gememoreerde onhoudbare situatie die gelegen is in de persoon van [eiser]. Daarvan is naar zijn mening geen sprake. De handelwijze van de RvT is ook in strijd met artikel 2:8 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW). 2.5.2 Door [eiser] naar huis te sturen (op non-actief te stellen) naar aanleiding van zijn ge¬gronde bezwaren tegen de handelwijze van de RvT ligt de oorzaak van de situatie - die naar het oordeel van [eiser] ook niet onhoudbaar was - bij de RvT. Daarmee is ook niet vol¬daan aan het vereiste in de arbeidsovereenkomst voor het op non-actief stellen van [eiser]. 2.5.3 [eiser] heeft een spoedeisend belang bij na te melden vorderingen. 2.6 Op grond van het vorenstaande heeft [eiser] gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad: 1.[gedaagde] veroordeelt om [eiser] binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis weer toe te laten tot zijn werk en [eiser] zonder belemmeringen in staat te stellen zijn werkzaamheden als bestuurder van [gedaagde] te verrichten zoals hij dat deed voor 17 maart 2009, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de inhoud van dit vonnis voldoet; 2.[gedaagde] (nogmaals) veroordeelt binnen 24 uur na betekening van het te dezen te wijzen vonnis de interne en externe berichtgeving over de positie van [eiser] te rectifice¬ren, in die zin dat uit deze rectificaties ondubbelzinnig zal blijken dat [eiser] weer met zijn werkzaamheden als bestuurder van [gedaagde] is belast en ook anderszins zijn taken weer volledig en onbeperkt uitoefent; een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de inhoud van dit vonnis voldoet; 3.[gedaagde] veroordeelt zich meteen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis te ont¬houden van het doen van negatieve en/of beschadigende uitlatingen over [eiser] in de pers of anderszins en [eiser] (de voorzieningenrechter begrijpt dat bedoeld is: [gedaagde]) te veroordelen te bewerkstelligen dat de leden van de Raad van Toezicht zich eveneens van het doen van dergelijke uitlatingen onthouden; een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] niet aan de inhoud van dit vonnis voldoet; 4.[gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure. 2.7 De vorderingen worden door [gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota. Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan. 3.De beoordeling 3.1 Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak en is door [gedaagde] ook niet weer¬sproken. 3.2 Bij besluit van 16 maart 2009 heeft de RvT [eiser] met ingang van 17 maart 2009 om 9.00 uur voor 30 dagen op non-actief gesteld. De op non-actief stelling van [eiser] is op 10 mei 2009 door de RvT met terugwerkende kracht verlengd (tot aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst). 3.2.1 [eiser] heeft aangevoerd dat het besluit van de RvT van 8 april 2009 tot verlenging van zijn op non-actief stelling niet rechtsgeldig is nu hij voorafgaand aan dat besluit niet is ge¬hoord door de RvT, en dat de verlenging van zijn op non-actief stelling bij besluit van de RvT van 10 mei 2009 met terugwerkende kracht een onbestaanbaar fenomeen is. 3.2.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de juistheid van deze stellingen van [eiser] echter in het midden blijven, nu tussen partijen in confesso is dat [eiser] voor¬afgaand aan het besluit van de RvT van 10 mei 2009 wel in de gelegenheid is gesteld daarop gehoord te worden (van welke gelegenheid [eiser] echter om hem moverende redenen geen gebruik heeft gemaakt). Dat betekent dat - wat er verder ook zij van eventuele terug¬werkende kracht daarvan - door de RvT op 10 mei 2009 een geldig besluit is genomen, zodat [eiser] in elk geval per 10 mei 2009 (opnieuw) op non-actief is gesteld. 3.3 De vraag waar het thans om draait is of de RvT in redelijkheid tot het besluit tot zijn op non-actief stelling (en de verlenging daarvan) heeft kunnen komen. 3.3.1 Daartoe zijn de volgende feiten van belang: A. Begin maart 2009 ontving de RvT "alarmsignalen" uit de organisatie van [gedaagde]: - twee leden van het Managementteam (MT) van [gedaagde] melden zich op 2 maart 2009 ziek, te weten dhr. [[XX]], manager bedrijfsvoering, en mevr. [[QQ]] manager HRM. Uit het schrijven van laatstgenoemde aan de RvT van 18 maart 2009 (productie 17 zijdens [gedaagde]) blijkt dat de directe aanleiding voor haar ziekmelding het - naar haar mening - grensoverschrijdend gedrag van [eiser] is jegens haar en andere medewerkers van [gedaagde]. Zij schrijft o.a. aan de RvT "Als manager HR heb ik er geen enkele vertrouwen meer in dat dhr. [eiser] [gedaagde] op een adequate, professionele en inspirerende manier kan aansturen. Persoonlijk behoort, ook als ik over een aantal maanden weer hersteld zal zijn, een samenwerking tussen dhr. [eiser] en mijzelf niet meer tot de mogelijkheden." - op 5 maart 2009 ontving de RvT een "brand" email van de Ondernemingsraad (OR) van [gedaagde] (productie 18 zijdens [gedaagde]) waarin de OR de RvT het volgende schrijft: "Middels deze brief wil de OR u op de hoogte stellen dat er een aantal zaken zijn binnen [gedaagde] waar wij OR ons grote zorgen om maken. E.e.a. is naar boven gekomen naar aanleiding van het herstructureringsplan en de reactie van de OR hierop. Daarnaast kwamen er veel bezorgde reacties binnen bij de OR naar aanleiding van de ziekmelding van zowel [[XX]], manager BV als [[QQ]] manager HR, kort na elkaar. De onderwerpen waar de OR, mede door veel input van de achterban, zich zorgen over maakt zijn de volgende: 1. De aansturing van de organisatie, de werkverhoudingen en de rol van de bestuurder in het MT. 2. De onduidelijkheden met betrekking tot de ontwikkeling en continuïteit van [gedaagde] nu en in de toekomst. 3. Een ogenschijnlijk gebrek aan ver¬trouwen en draagvlak bij bijna alle geledingen/afdelingen in het secundair proces en een deel van het primair proces. 4. Kwaliteit versus kwantiteit bij [gedaagde]. Men zegt steeds de zorginhoud en de kwaliteit van de zorg centraal te stellen. In de praktijk is hier nog altijd weinig van te merken. 5. De instabiliteit van het MT." - uit het verslag van de bijeenkomst van de RvT met de OR op 21 januari 2009 (productie 19 zijdens [gedaagde]) blijkt dat de OR reeds haar bezorgdheid had geuit over de gang van zaken binnen [gedaagde] op financieel en organisatorisch gebied; - daarvoor en daarna bereikten de RvT via email zorgelijke berichten uit de organisatie (productie 20a en 20b zijdens [gedaagde]), welke berichten geanonimiseerd zijn doorgestuurd aan [eiser]. B. Naar aanleiding van de bovenstaande signalen heeft de RvT [eiser] op 10 maart 2009 gehoord en getracht samen met hem afspraken te maken over een gezamenlijk aanpak van de situatie. C. De RvT vond het in het kader van haar toezichthoudende taak noodzakelijk om zonder de aanwezigheid van [eiser] een aantal gesprekken te hebben met een aantal (groepen van) medewerkers, omdat zij uit de binnengekomen signalen de indruk had dat [eiser] moge¬lijk zelf qua persoon een (belangrijk) deel van het probleem vormde. D. Daarop is een ernstig meningsverschil ontstaan tussen de RvT en [eiser] omdat [eiser] van mening was dat de RvT met het houden van die gesprekken "op de stoel" van de bestuurder ([eiser]) ging zitten, omdat daarbij sprake was van een bestuursdaad. E. De RvT heeft op 12 maart 2009 het directiesecretariaat van [gedaagde] de opdracht gegeven gesprekken met (groepen van) medewerkers te arrangeren voor 16 en 18 maart 2009. In de ochtend van 16 maart 2009 (voor de aanvang van het eerste gesprek) heeft [eiser] echter de opdracht gegeven om alle geplande gesprekken ogenblikkelijk te annuleren. 3.3.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de RvT met het arrangeren van gesprek¬ken met (groepen van) medewerkers van [gedaagde] haar toezichthoudende taak niet over¬schreden: uit de diverse signalen trok de RvT de conclusie dat de problemen binnen [gedaagde] (in elk geval: mede) hun oorzaak vonden in de persoon van [eiser] en zijn "stijl" van leidinggeven. Dat de RvT daarin gronden gelegen achtte om buiten de aanwezigheid van [eiser] gesprekken te voeren met (groepen van) medewerkers (omdat zij vreesde dat die medewerkers anders niet vrijuit zouden durven spreken uit vrees voor mogelijke repercus¬sies) acht de voorzieningenrechter gerechtvaardigd en ook liggen binnen de toezicht¬houdende taak van de RvT. Daaraan doet niet af dat artikel 6.2 van het Reglement voor de Raad van Toezicht Stichting [gedaagde] in artikel 6.2 vermeldt: "Met uitzondering van (toevallige) contacten op informele bijeenkomsten onthouden de Raad van Toezicht en de individuele leden van de Raad van Toezicht in de regel zich van rechtstreekse contacten binnen en buiten de stichting voorzover deze betrekking hebben op dan wel verband houden met aangelegenheden van de stichting of personen daarin werkzaam.", nu daarin immers geen sprake is van een absoluut verbod ("in de regel") en er in casu gronden waren - gelet op de "signalen" die de RvT bereikten - van die regel af te wijken. 3.3.3 Door vervolgens het directiesecretariaat van [gedaagde] in de ochtend van 16 maart 2009 de op¬dracht te geven de geplande gesprekken ogenblikkelijk te annuleren, heeft [eiser] naar het oordeel van de voorzieningenrechter de RvT op ontoelaatbare wijze geblokkeerd in haar toezichthoudende taak. 3.3.4 Door het handelen van [eiser] in de ochtend van 16 maart 2009 ontstond naar het oor¬deel van de voorzieningenrechter de onhoudbare situatie als vermeld in artikel 7 lid 4 van de arbeidsovereenkomst, waarvan de oorzaak aan [eiser] was te wijten. 3.3.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon de RvT op 16 maart 2009 dan ook op goede gronden overgegaan tot het op non-actief zetten van [eiser]. 3.3.7 Rest nog de vraag of de RvT op goede gronden is overgegaan tot verlenging van die op non-actief stelling. 3.3.7.1 Op 18 en 23 maart 2009 hebben verschillende leden van de RvT gesprekken gevoerd met diverse geledingen en medewerkers van [gedaagde] (productie 27 zijdens [gedaagde]). Uit die ge¬sprekken komen vele negatieve geluiden over de bestuurder ([eiser]) naar voren. 3.3.7.2 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de RvT uit de inhoud van die gesprekken redelijkerwijs de conclusie kunnen trekken dat er voor terugkeer van [eiser] binnen [gedaagde] geen draagvlak (meer) bestaat. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de RvT de op non-actief stelling van [eiser] bij haar besluit van 10 mei 2009 op toereikende gronden heeft verlengd. 3.4 Conclusie van dit alles dient dan ook te zijn dat binnen de summiere toets waartoe de voor¬zieningenrechter zich in het kader van dit kort geding ziet gesteld de RvT naar maatstaven van redelijk en billijkheid op 16 maart 2009 op toereikende gronden heeft kunnen besluiten tot op non-actief stelling van [eiser] en op 10 mei 2009 op toereikende gronden heeft kunnen besluiten die op non-actief stelling te verlengen. 3.5 De vorderingen van [eiser] dienen dan ook te worden afgewezen. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding. 4.De beslissing De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht: wijst de vorderingen af; veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde] gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 262,-- voor vast recht en € 816,-- voor salaris advocaat; verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uit¬gesproken in tegenwoordigheid van de griffier. PZ