
Jurisprudentie
BJ1016
Datum uitspraak2009-04-28
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 09/1276 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Amsterdam
ZaaknummersAWB 09/1276 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Voorlopige voorziening hangende beroep. In de primaire fase is ook al een voorlopig oordeel gegeven (schorsing voorziening tot de beslissing op bezwaar wegens onvoldoende onderzoek). Nu de bob dezelfde strekking heeft als het primaire besluit en berust op hetzelfde feitencomplex, geeft de rechter niet andermaal een voorlopig oordeel over de (on)rechtmatigheid van het bestreden besluit, maar beperkt zich tot een belangenafweging.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 09/1276 AW
uitspraak van de voorzieningenrechter
in de zaak tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats],
verzoeker,
gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom,
en:
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam,
verweerder,
gemachtigde: [gemachtigde].
1. Procesverloop
De voorzieningenrechter (hierna ook: de rechter) heeft op 24 maart 2009 een verzoek ontvangen tot het treffen van een voorlopige voorziening. Dit verzoek hangt samen met een beroepschrift van 24 maart 2009, gericht tegen het besluit van verweerder van 17 februari 2009 (hierna ook: het bestreden besluit).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechter heeft het verzoek behandeld ter zitting van 21 april 2009.
2. Overwegingen
2.1 Feiten en omstandigheden
2.1.1 Verzoeker is sinds 2004 werkzaam als re-integratieconsulent in dienst van Werkbedrijf de Herstelling binnen het team Herstelling uitvoering I. De Herstelling is in 2006 opgegaan in en deel gaan uitmaken van de Dienst werk en Inkomen (hierna: DWI).
2.1.2 Bij besluit van 25 september 2008 heeft verweerder verzoeker met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd op grond van artikel 1003, eerste lid, aanhef en onder f, van het Ambtenarenreglement van de gemeente Amsterdam (ARA). Volgens verweerder heeft verzoeker er blijk van gegeven niet open, transparant en integer te zijn. De straf van onvoorwaardelijk ontslag is gerechtvaardigd, aldus verweerder. Volgens verweerder is uit en na onderzoek gebleken dat verzoeker:
- heeft getracht heeft niet gewerkte tijd als werktijd te (laten) registreren;
- in strijd met de regels, de dienstauto (bovenmatig) privé heeft gebruikt waardoor sprake is van misbruik van diensteigendommen;
- bewust onjuiste gegevens in de black-box-administratie heeft ingevoerd c.q. doen invoeren, zodat verbloemd werd dat verzoeker meer dan 500 privé-kilometers ten laste van DWI heeft laten komen alsmede doordat hij veelvuldig de dienstauto privé heeft gbruikt, de auto c.q. de auto-onderdelen versneld aan slijtage onderhevig is c.q. zijn geweest, waarbij ook de restwaarde van de auto is verminderd;
- ook tijdens ziekte de dienstauto (fors) privé heeft gebruikt op basis waarvan het vermoeden aanwezig is dat sprake is van ongeoorloofd verzuim.
Na het onderzoek van het Bureau Integriteit DWI is bovendien gebleken dat verzoeker:
- de DWI schade heeft berokkend door de benzinekosten van zijn privé-kilometers ten laste van de DWI zijn gekomen en doordat hij veelvuldig de dienstauto privé heeft gebruikt, waardoor de auto en de auto-onderdelen versneld aan slijtage onderhevig zijn geweest, waarbij ook de restwaarde van de auto is verminderd;
- de dienstauto ook tijdens ziekte (fors) privé heeft gebruikt, op basis waarvan het vermoeden aanwezig is dat sprake is van ongeoorloofd verzuim;
- de tankpas van de DWI heeft gebruikt om diesel voor zijn privé-auto aan te schaffen, en dat hij aanzienlijke hoeveelheden ruitenvloeistof en olie met de tankpas heeft aangeschaft.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend (AWB 08/4158 AW).
2.1.3 Bij uitspraak van 1 december 2008 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en het besluit van 25 september 2008 geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar aan verzoeker.
2.1.4 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard en het primaire besluit van 25 september 2008 gehandhaafd. Verweerder is daarbij deels afgeweken van het advies van de bezwaaradviescommissie van 3 februari 2009, waarin was geadviseerd het besluit tot strafontslag te voorzien van een andere draagkrachtige motivering. Verweerder heeft daarbij in het bestreden besluit overwogen dat hij de visie van de commissie dat niet in alle opzichten een voldoende invulling is gegeven ten aanzien van zorgvuldig onderzoek en het afwegen van alle relevante omstandigheden, niet deelt.
2.1.5 Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht het onvoorwaardelijk strafontslag te schorsen.
2.2 Bespreking van het verzoek
2.2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de rechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Bij de vereiste belangenafweging gaat het om een afweging van enerzijds het belang van verzoekster dat een onverwijlde voorziening wordt getroffen en anderzijds het door de onmiddellijke uitvoering van het besluit te dienen belang.
2.2.2 In het onderhavige geval heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van
1 december 2008 het primaire besluit van 25 september 2008 geschorst tot zes weken nadat de beslissing op het bezwaar van verzoeker aan hem bekend is gemaakt. De schorsing is gebaseerd op het oordeel dat het primaire besluit bij heroverweging niet in stand zou kunnen blijven omdat de rechter de conclusie dat verzoeker ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd onvoldoende onderbouwd achtte. De rechter is - onder meer - tot dit oordeel gekomen dat in het Werkbedrijf de Herstelling een cultuur heerst waarbij bedrijfsmiddelen voor privédoeleinden mochten worden gebruikt, zodat niet aan hem niet kan worden verweten dat hij de bedrijfsmiddelen voor privédoeleinden heeft gebruikt. Een dergelijk oordeel in het kader van de procedure van artikel 8:81 van de Awb is naar zijn aard een voorlopig oordeel.
2.2.3 Verweerder heeft vervolgens op 17 februari 2009 de beslissing op het bezwaarschrift genomen met dezelfde strekking als het primaire besluit. Verweerder heeft deze beslissing op bezwaar gebaseerd op hetzelfde feitencomplex als in de primaire fase.
2.2.4 De rechter zal in dit geval niet (andermaal) een uitspraak doen of naar haar voorlopig oordeel de beslissing op bezwaarschrift, welke stoelt op nagenoeg dezelfde feiten en omstandigheden als het primaire besluit in de bodemprocedure – in stand kan blijven. De rechter zal niet op het oordeel van de bodemrechter vooruitlopen nu er reeds terzake een voorlopig rechterlijk oordeel ligt en het tweede oordeel – ditmaal in verband met de te verwachten uitkomst van de bodemprocedure – niet bijdraagt tot oplossing van het geschil tussen partijen. De rechter neemt daarbij in aanmerking dat het oordeel in de voorlopige voorzieningenprocedure niet vatbaar is voor hoger beroep. Bovendien is de bodemprocedure meer geëigend voor het inzetten door partijen of de rechter van onderzoeksinstrumenten als bijvoorbeeld in de artikelen 8:12, 8:44, 8:28, 8:33 of 8:46 van de Awb.
2.2.5 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechter zich zal beperken tot een belangenafweging tussen partijen welke inhoudt of gelet op de aan de orde zijnde belangen de uitkomst van de bodemprocedure kan worden afgewacht.
2.2.6 De rechter stelt vast dat partijen thans nog steeds verdeeld zijn over de vraag of op de werkvloer een cultuur heerste waarbij bedrijfsmiddelen voor privédoeleinden werden gebruikt. Verweerder heeft in dit verband ter zitting gesteld dat aan de zijde van verweerder voldoende onderzoek is gedaan naar dit aspect. Er is geen indicatie dat er sprake is geweest van een verkeerde cultuur. De oude groep mocht wél gebruik maken van de oude regeling en de nieuwe groep niet. Gelet hierop is het aan verzoeker om te bewijzen dat een dergelijke cultuur aanwezig was, aldus verweerder. Verder heeft verweerder gesteld dat er geen enkele verplichting zou moeten zijn om de bezoldiging tot de uitspraak van de bodemrechter door te betalen.
Verzoeker heeft gesteld dat hem niet kan worden verweten dat hij de bedrijfsmiddelen voor privédoeleinden heeft gebruikt. Verder heeft verzoeker gesteld een groot financieel belang te hebben bij doorbetaling van zijn bezoldiging tot de uitspraak van de bodemrechter. Verzoeker heeft ter zitting meegedeeld dat hij arbeidsongeschikt is en hij heeft geen andere inkomsten.
2.2.7 In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 1 december 2008 is het besluit van 25 september 2008 geschorst omdat de voorzieningenrechter de conclusie van verweerder dat verzoeker ernstig plichtsverzuim heeft gepleegd onvoldoende onderbouwd achtte. Nu verweerder aan de beslissing op bezwaar geen nieuw (feiten)onderzoek ten grondslag heeft gelegd en in afwijking van het advies van de bezwaaradviescommissie zijn standpunt in de beslissing op bezwaar geen nadere invulling of grondslag heeft gegeven ziet de rechter geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de voorzieningenrechter in de bezwaarfase. Nu verder is gebleken dat de zitting van de bodemrechter naar alle waarschijnlijkheid reeds binnen enkele maanden zal zijn, acht de rechter het (financiële) belang van verzoeker op doorbetaling van zijn bezoldiging tot die tijd zwaarder dan het (financiële) belang van verweerder op het beëindigen van de betaling van de bezoldiging.
2.2.8 Gelet op het bovenstaande zal de rechter het voorwaardelijk strafontslag schorsen. De rechter zal daartoe zowel het bestreden besluit als het primaire besluit van 25 september 2008 schorsen.
2.2.9 De rechter ziet voorts aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, begroot op een bedrag van € 644,00 en om te bepalen dat het door verzoeker betaalde griffierecht aan hem dient te worden vergoed.
De rechter beslist als volgt.
3. Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;
- schorst het bestreden besluit;
- schorst het primaire besluit van 25 september 2008;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker, begroot op € 644,00, te betalen door de gemeente Amsterdam aan verzoeker;
- bepaalt dat de gemeente Amsterdam het voor het verzoek gestorte griffierecht van verzoeker vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. de Rooij, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. F. Nales, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 28 april 2009.
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Afschrift verzonden op:
DOC: B
SB O