Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0995

Datum uitspraak2009-06-30
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.028.887/01 en 200.028.887/02
Statusgepubliceerd


Indicatie

man niet behoeftig


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER BESCHIKKING van 30 juni 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.028.887/01 van: […], wonende te […], APPELLANT, advocaat: mr. P. Crans te Amsterdam, t e g e n […], wonende te […], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. B. Fresco te Voorburg. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd. 1.2. De vrouw is op 23 maart 2009 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 24 december 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 396818 / FA RK 08-3245. Tevens heeft zij een verzoek tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking gedaan, op welke verzoek op 18 mei 2009 door het hof is beslist. 1.3. De vrouw heeft op 28 april 2009 nadere stukken ingediend. 1.4. De man heeft op 11 mei 2009 een verweerschrift ingediend. 1.5. De man heeft op 13 mei 2009 nadere stukken ingediend en op 15 mei 2009 is een faxbrief van hem ontvangen. 1.6. De zaak is op 18 mei 2009 ter terechtzitting behandeld. 1.7.Ter terechtzitting zijn verschenen: - de vrouw, bijgestaan door haar advocaat; - de man, bijgestaan door zijn advocaat; - namens de Raad voor de Kinderbescherming mevrouw S.C. Benjamin. 2. De feiten 2.1. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld. 2.2. Partijen zijn [in] 1998 gehuwd. Hun huwelijk is [in] 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van […] 2008 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk zijn geboren [minderjarige A] [in] 2001 en [minderjarige B] [in] 2004 (hierna: de kinderen). 2.3. Ten aanzien van de man is het volgende gebleken. Hij is geboren [in] 1967. Hij is werkzaam in loondienst. Zijn fiscaal loon bedroeg volgens de jaaropgave 2008 € 94.539,-. In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de man bewoonde woning betaalt hij € 1.167,- per maand aan rente. Hij heeft de gebruikelijke andere eigenaarlasten. De WOZ-waarde is over het belastingjaar 2008 vastgesteld op € 880.000,-. Hij betaalt aan premie voor een zorgverzekering € 1.296,- per jaar. Hij betaalt € 900,- per maand aan zijn ouders als rente op een schuld voor de aankoop van de voormalig echtelijke woning. Deze schuld bedraagt circa € 170.000,-. 2.4. Ten aanzien van de vrouw is het volgende gebleken. Zij is geboren [in] 1973. Zij is werkzaam als tandarts. In 2007 heeft zij een tandartspraktijk overgenomen. Blijkens de concept jaarrekening 2008 bedraagt de winst uit onderneming in dat jaar € 137.044,-. In verband met de hypothecaire lening gevestigd op de door de vrouw bewoonde woning betaalt zij € 2.532,- aan rente en € 116,- per maand aan aflossing. Zij heeft de gebruikelijke andere eigenaarlasten. De WOZ-waarde is vastgesteld op € 465.000,-. Zij betaalt aan premie voor een zorgverzekering € 124,- per maand. Zij betaalt aan premie voor een tweetal arbeidsongeschiktheids-verzekeringen € 326,- per maand. 3. Het geschil in hoger beroep 3.1. Bij de bestreden beschikking is, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald: - dat de kinderen hun gewone verblijfplaats bij de man zullen hebben; - dat in het kader van een omgangsregeling de vrouw de kinderen iedere donderdag en vrijdag bij zich zal hebben en voorts dat zij de kinderen éénmaal per veertien dagen op zaterdag, zondag en maandag bij zich zal hebben; - dat de vrouw met ingang van 24 december 2008 € 234,82 per kind per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige A] en [minderjarige B]; - dat de vrouw € 3.285,36 per maand zal betalen aan de man als uitkering tot zijn levensonderhoud vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw de echtscheiding uit te spreken, te bepalen dat de kinderen haar woonplaats zullen volgen en de man te veroordelen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen € 350,- per kind per maand te betalen. Voorts verzocht de vrouw te bepalen dat zij gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheiding gerechtigd zal zijn tot het voortgezet gebruik van de echtelijke woning. 3.2. De vrouw verzoekt in de hoofdzaak, met vernietiging van de bestreden beschikking, dat het hof uitvoerbaar bij voorraad zal bepalen dat: - de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vrouw zal zijn; - de kinderen op iedere maandag, donderdag en vrijdag bij haar zullen zijn, alsmede eenmaal per veertien dagen op zaterdag en zondag en op woensdagmiddag; - de kinderen de helft van de schoolvakanties en de feestdagen die op twee dagen worden gevierd bij de vrouw zullen doorbrengen; - de kinderen op de dagen dat zij bij de man zijn tussen 17.00 en 18.00 uur telefonisch contact met de vrouw mogen hebben; - de man in zijn verzoek om een bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud niet-ontvankelijk is, althans dat het hof hem die bijdrage zal ontzeggen, althans die bijdrage met ingang van 1 oktober 2008 zal vaststellen op nihil, althans met ingang van 1 januari 2009 op een bedrag als het hof juist zal achten; - de vrouw met ingang van 24 december 2008 geen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen aan de man verschuldigd is, althans dat het hof die bijdrage met ingang van 24 december 2008 zal vaststellen op nihil, althans op € 153,- per maand per kind, althans op een zodanig bedrag als het hof juist acht; - een deskundige zal worden benoemd. 3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4. Beoordeling van het hoger beroep 4.1. De vrouw heeft 21 grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd. Kort gezegd komen deze er op neer dat de vrouw uitbreiding wenst van de door de rechtbank bepaalde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken van de kinderen, alsmede een contactregeling op de dagen dat de kinderen bij de man zijn en voorts dat het hoofdverblijf van de kinderen bij haar zal zijn. Met betrekking tot de door de rechtbank bepaalde door haar aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen en de door haar aan de man te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud betwist zij de wijze waarop de rechtbank de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen heeft vastgesteld, de behoefte van de man en haar draagkracht. Tot slot verzoekt zij het hof een deskundige te benoemen die partijen kan helpen bij de verbetering van hun onderlinge communicatie en met het opstellen van een ouderschapsplan. 4.2. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat de hoofdverblijfplaats van het oudste kind ([minderjarige A]) bij de man zal zijn en die van het jongste kind ([minderjarige B]) bij de vrouw. Gelet daarop zal het hof het ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige B] in de beschikking waarvan beroep bepaalde vernietigen, en bepalen dat zijn hoofdverblijf bij de vrouw zal zijn. 4.3. Het verzoek tot benoeming van een deskundige wijst het hof af. Voor zover het verzoek beoogt dat alsnog – na de echtscheiding van partijen – een ouderschapsplan wordt opgesteld, wordt dit verzoek afgewezen omdat het niet berust op de wet. Voor zover het verzoek is gebaseerd op het feit dat de vrouw zich zorgen maakt over de huidige communicatie tussen partijen met betrekking tot de kinderen, is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Ook ter zitting van het hof is niet gebleken dat de communicatieproblemen tussen partijen zodanig zijn dat daarvoor inschakeling van een deskundige door het hof noodzakelijk is. 4.4. Met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken heeft de Raad ter terechtzitting geadviseerd de thans lopende regeling niet te wijzigen. Voorts heeft de Raad er op gewezen dat het niet in het belang van de kinderen is, indien de spanning die er kennelijk tussen de ouders nog bestaat, blijft voortduren. De Raad heeft gewezen op de mogelijkheid van mediation om de ouders te leren in de toekomst met elkaar als ouders om te gaan en niet als ex-partners. Het is belangrijk, aldus de Raad, dat de communicatie over de kinderen via de ouders loopt en niet via de kinderen. De Raad adviseert de kinderen toe te staan te bellen met de ouder bij wie ze op dat moment niet verblijven zo vaak ze dat willen. De Raad acht dat niet nadelig of verwarrend voor de kinderen. 4.5. Voor de vrouw is de achterliggende reden voor haar verzoek om de kinderen iedere maandag en eenmaal per veertien dagen op woensdagmiddag bij zich te hebben, gelegen in het feit dat zij op maandagen tot 14.00 uur werkt en de kinderen op woensdagmiddag wil begeleiden bij hun buitenschoolse activiteiten en sporten. De vrouw is van mening dat eerst dan een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders ontstaat en beiden gelijke kansen krijgen om betrokken te blijven bij het opgroeien van de kinderen. De man ziet geen aanleiding tot wijziging van de bestaande regeling, omdat de verdeling dan niet meer 50/50 zou zijn. Ter terechtzitting is gebleken dat het voor de vrouw moeilijk is te accepteren dat de kinderen door de ouders van de man uit school gehaald worden op momenten dat zij dat zou kunnen doen, en dat de man haar niet toestaat op woensdagmiddag bij de zwemles of het sporten van de kinderen aanwezig te zijn als de kinderen bij hem zijn. De man acht dat te verwarrend voor de kinderen. Hij ontkent dat zijn ouders zo vaak als de vrouw stelt de kinderen uit school halen en begeleiden bij hun buitenschoolse activiteiten. Hij heeft met zijn werkgever een zodanige regeling afgesproken dat hij iets minder werkt wanneer de kinderen bij hem zijn en iets langer wanneer ze bij de vrouw zijn. Het hof zal het advies van de Raad volgen. De verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen is thans zodanig dat gesproken kan worden van een co-ouderschapsregeling. Wijziging van de huidige regeling zou onbalans brengen in die verdeling waaraan de kinderen inmiddels gewend zijn. Wel acht het hof het belangrijk dat de vrouw betrokken blijft bij de naschoolse activiteiten van de kinderen. Het is haar dan ook toegestaan om twee maal per maand aanwezig te zijn bij die activiteiten, ook als de kinderen op dat moment krachtens de geldende regeling bij de man zijn. De vrouw dient zich er op die momenten wel rekenschap van te geven dat de man op dat moment de hoofdverzorgende van en hoofdverantwoordelijke voor de kinderen is, zodat zij zich in dat opzicht terughoudend zal dienen op te stellen. Beslissingen van de man met betrekking tot de kinderen dient zij in het belang van de kinderen op die momenten te respecteren. Partijen dienen in onderling overleg de vakanties en de feestdagen zodanig te regelen dat de kinderen de helft van alle vakanties en feestdagen bij ieder der ouders kunnen doorbrengen, waarbij het niet strikt noodzakelijk is dat korte vakanties door midden worden gedeeld. Hetzelfde geldt voor de vastgestelde feestdagen. Verder dienen ouders het zodanig te regelen dat de kinderen op moederdag bij de vrouw zijn en op vaderdag bij de man, ook al zou die dag in het schema van de andere ouder vallen. Hetzelfde geldt voor de respectievelijke verjaardagen van partijen. Het hof ziet, gelet op de gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken geen aanleiding een belcontact vast te leggen zoals de vrouw verzoekt, met uitzondering van de vakanties waarin een ouder voor langere tijd weg is met de kinderen. De kinderen dienen dan in staat gesteld te worden regelmatig contact met de andere ouder te hebben. Tot slot merkt het hof nog op dat het voor de hand ligt – nu partijen redelijk dicht bij elkaar wonen – dat zij, indien zij oppas voor de kinderen nodig hebben, dat met elkaar trachten te regelen voordat zij derden inschakelen. 4.6. Met betrekking tot de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, merkt de vrouw met juistheid op dat ingeval van co-ouderschap de verhouding van de draagkrachtruimte van beide ouders richtinggevend is. Voor het berekenen van de draagkrachtruimte van de man zijn alle gegevens voorhanden. Die van de vrouw zijn echter nog onzeker, nu de door haar overgelegde jaarstukken nog in concept zijn en nog niet duidelijk is welk bedrag de vrouw zal betalen aan een – overigens door het hof reëel geachte – oudedagsvoorziening. Wel is op grond van de overgelegde cijfers duidelijk dat de vrouw een grotere draagkrachtruimte heeft dan de man. Voorts is van belang dat [minderjarige B] bij de vrouw zijn hoofdverblijf zal hebben en de vrouw als gevolg daarvan aanspraak kan maken op heffingskortingen verband houdende met het alleenstaande ouderschap, hetgeen van invloed is op de hoogte van haar netto inkomen. Gelet op deze feiten en omstandigheden ziet het hof aanleiding de beslissing van de rechtbank op het punt van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te bekrachtigen. 4.7. Anders ligt dat met betrekking tot de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud. Het daarbij door de rechtbank gehanteerde uitgangspunt is onjuist. Er is slechts aanleiding een bijdrage in het levensonderhoud toe te kennen indien een gewezen echtgenoot onvoldoende inkomsten heeft om in eigen levensonderhoud te voorzien en zich deze in redelijkheid ook niet kan verwerven, derhalve indien er sprake is van behoeftigheid. De man heeft in hoger beroep een behoefte overzicht overgelegd. De vrouw heeft met juistheid opgemerkt dat de man in dit overzicht geen onderscheid heeft gemaakt tussen de kosten van de kinderen en die van hemzelf en dat de hypotheekrente bruto in plaats van netto is vermeld. Voorts heeft de man de door hem in dat overzicht vermelde oudedagsreservering in deze procedure op geen enkele wijze onderbouwd. De conclusie van het voorgaande is dat de man, gelet op zijn noodzakelijke uitgaven en zijn netto inkomen, niet behoeftig is en dat zijn inleidend verzoek alsnog zal worden afgewezen. Hetgeen de man met betrekking tot het inkomen van de vrouw op dit punt heeft aangevoerd behoeft, gelet op het voorgaande, geen bespreking. 4.8. Ook de grief van de vrouw met betrekking tot de ingangsdatum van de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage in zijn levensonderhoud behoeft, gelet op het voorgaande, geen nadere bespreking. 4.9. Dit leidt tot de volgende beslissing. 5. Beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank te Amsterdam van 24 december 2008 voor zover daarin is bepaald dat [minderjarige B] zijn gewone verblijfplaats bij de man zal hebben en de vrouw € 3.285,36 per maand aan de man zal betalen als uitkering tot zijn levensonderhoud vanaf de dag van inschrijving van de uitspraak der echtscheiding, en in zoverre opnieuw rechtdoende: bepaalt dat [minderjarige B], geboren [in] 2004, zijn gewone verblijfplaats zal hebben bij de vrouw; bepaalt dat partijen en het kader van de zorg- en opvoedingstaken over hun minderjarige kinderen de vakanties en feestdagen in onderling overleg gelijkelijk zullen verdelen en dat de kinderen op moederdag en haar verjaardag bij de vrouw zullen zijn en op vaderdag en zijn verjaardag bij de man. Bepaalt voorts dat de vrouw desgewenst door de man in staat zal worden gesteld twee maal per maand buitenschoolse activiteiten van de kinderen bij te wonen, met inachtneming van het onder 4.5 van deze beschikking overwogene; wijst het inleidend verzoek van de man tot het bepalen van een bijdrage in zijn levensonderhoud ten laste van de vrouw alsnog af; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige; wijst af het meer of anders verzochte. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, A.L. Diender en H.L.L. Neervoort-Briët in tegenwoordigheid van I.V. Horyaans als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2009.