
Jurisprudentie
BJ0972
Datum uitspraak2009-06-30
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.023.510/01
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.023.510/01
Statusgepubliceerd
Indicatie
berekening bedrag ter zake van toescheiding woning gelet op inbreng vrouw
Uitspraak
(bij vervroeging)
GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER
BESCHIKKING van 30 juni 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer 200.023.510/01 van:
[…],
wonende te […],
APPELLANTE,
advocaat: mr. M.I.T. Manderfeld te Amsterdam,
t e g e n
[…],
wonende te […],
GEÏNTIMEERDE,
advocaat: mr. M.E. van Zutphen te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.
1.2. De vrouw is op 28 januari 2009 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 29 oktober 2008 van de rechtbank te Amsterdam, met kenmerk 387666/FA RK 08-6884 en 406989/FA RK 08-6884.
1.3. De man heeft op 12 maart 2009 een verweerschrift ingediend.
1.4. De vrouw heeft op 20 mei 2009 stukken overgelegd.
1.5. De zaak is op 28 mei 2009 ter terechtzitting behandeld.
1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. G.B.J.M. Spoormans te Amsterdam;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat.
2. De feiten
2.1. Het hof heeft, voorzover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
2.2. Partijen zijn [in] 2000 na het opmaken van huwelijkse voorwaarden (hierna: de HVW) gehuwd. Hun huwelijk is [in] 2008 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van […] 2008 in de registers van de burgerlijke stand.
2.3. Partijen hebben iedere gemeenschap tussen hen uitgesloten bij de HVW die zij bij notariële akte van 11 juli 2000 zijn overeengekomen. In artikel 7 lid 2 van de HVW is bepaald dat bij het einde van het huwelijk door echtscheiding verrekening van de vermogens van partijen zo plaatsvindt dat ieder van partijen gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die waarde waartoe hij of zij gerechtigd zou zijn indien tussen hen de algehele gemeenschap had bestaan.
In de verrekening worden niet betrokken de goederen die ten huwelijk zijn aangebracht waaronder het aandeel van ieder der comparanten in het registergoed aan de [...] te [...] en de op dat registergoed rustende schuld en de goederen die door de echtgenoten krachtens erfrecht of schenking zijn of zullen worden verkregen.
2.4. Op 15 oktober 1997 hebben partijen de woning te [...] in eigendom verkregen voor een koopsom van € 212.271,12. Omdat de vader van de vrouw een deel van de koopsom had betaald, verkreeg de vrouw de eigendom voor zestig/honderdste deel en de man voor veertig/honderdste deel. Op 3 februari 2006 hebben partijen de op de woning rustende hypotheek verhoogd tot een bedrag van € 210.000,-. Tussen partijen staat vast dat de waarde van de woning per de peildatum 3 januari 2008 € 430.000,- was.
3. Het geschil in hoger beroep
3.1. Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat de voormalige echtelijke woning aan de [...] te [...] toegescheiden dient te worden aan de vrouw onder de verplichting voor haar om aan de man een bedrag uit te betalen van € 88.000,-, dat de aan de hypotheek gekoppelde Generali levensverzekering [...] ter voortzetting door iedere partij gesplitst dient te worden en iedere partij daartoe haar volledige medewerking moet geven en dat iedere partij de helft van de spaargelden ad € 35.877,26 toekomt.
Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de vrouw te bepalen dat de voormalige echtelijke woning aan de [...] te [...] aan haar zal worden toegescheiden onder de verplichting om de man uit te kopen primair met een bedrag van € 41.329,- en subsidiair met een bedrag van € 67.000,-, te verminderen met de nominale inleg van de vrouw voor zover die de 60% overstijgt, in die zin dat de man de helft van die nominale inleg aan de verhouding dient te vergoeden, zijnde € 10.783,86, voorts te bepalen dat de aan de hypotheek gekoppelde Generali levensverzekering [...] primair aan de vrouw wordt toegescheiden en dat de waarde van de verzekering minus een eventuele fiscale claim per datum levering aan de vrouw tussen partijen wordt verdeeld, subsidiair wordt gesplitst en ieder der partijen een eigen recht verkrijgt onder de ontbindende voorwaarde dat de man zijn deel van de premies van € 85,99 per maand aan de vrouw vergoedt vanaf 1 januari 2008 tot aan de datum van de splitsing en te bepalen dat het door schenking verkregen privé-geld van de vrouw niet tussen partijen behoeft te worden verrekend.
3.2. De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat:
a. de voormalige echtelijke woning aan de [...] te [...] aan de vrouw wordt toegescheiden onder de verplichting voor haar om aan de man een bedrag te betalen van primair € 41.588,32 en subsidiair € 67.000,-;
b. de aan de hypotheek gekoppelde Generali levensverzekering […] ter voortzetting aan de vrouw wordt toegescheiden onder de verplichting voor haar om aan de man 50% van de afkoopwaarde van de verzekering per de peildatum te betalen;
c. iedere partij de helft van de gezamenlijke spaargelden van € 28.122,26 toekomt en dat het spaarsaldo van € 7.755,- op ING Bank, rekeningnummer […], aan de vrouw wordt toegescheiden.
3.3. De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
4. Beoordeling van het hoger beroep
4.1. De vrouw heeft drie grieven tegen de bestreden beschikking gericht, respectievelijk met betrekking tot het bedrag dat zij aan de man dient te betalen ter zake van de toescheiding van de voormalige echtelijke woning aan haar, de verdeling van de spaargelden waar het een schenking van haar grootvader betreft en de verdeling van de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering.
4.2. De vrouw betoogt in haar eerste grief dat zij weliswaar voor 60% eigenaar is van de voormalige echtelijke woning maar dat, omdat de man en zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypotheekschuld, ieder der partijen de helft van die schuld voor diens rekening dient te nemen. Primair stelt zij voor om van de waarde van de woning van € 430.000,- haar nominale inbreng van € 63.529,23, zijnde het deel dat haar vader volgens haar aan de koopsom heeft bijgedragen, af te trekken. De man heeft recht op 40% van het restant minus 50% van de openstaande hypotheek van € 210.000,-. In dat geval dient de vrouw € 41.588,32 aan de man te voldoen.
Subsidiair, indien het hof oordeelt dat de inbreng van de vrouw reeds in de eigendomsverhouding is verdisconteerd, stelt zij voor 40% van de waarde van de woning minus € 105.000,- (de helft van de hypotheeksom) aan de man te betalen, ofwel
€ 67.000,-.
De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Volgens hem is de door de rechtbank berekende door de vrouw te betalen geldsom van € 88.000,- in overeenstemming met artikel 3:185 Burgerlijk Wetboek.
4.3. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de man moet worden gevolgd in zijn berekening van het bedrag dat de vrouw aan hem dient te voldoen ter zake van de toescheiding van de voormalige echtelijke woning aan haar, zijnde 40% van € 220.000,- (de waarde van de woning ad € 430.000,- minus de hypotheekschuld ad € 210.000,-), derhalve een bedrag van € 88.000,-. Evenals de rechtbank overweegt het hof daartoe dat de vrouw moet worden gehouden aan de HVW. In de HVW hebben partijen geen andere afspraken gemaakt over de eigendomsverhouding zoals afgesproken in de akte van levering van 15 oktober 1997, in welke eigendomsverhouding de inbreng van de (vader van de) vrouw is verdisconteerd. Derhalve valt onder hetgeen partijen moeten verrekenen niet hetgeen de vrouw naar haar zeggen heeft ingebracht. De stelling van de vrouw dat partijen ieder de helft van de hypothecaire schuld op zich dienen te nemen, kan niet worden gevolgd. De grief van de vrouw faalt.
4.4. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank een bedrag van € 7.755,- buiten de verdeling van het spaarsaldo van € 35.877,26 had moeten houden, omdat de grootvader van de vrouw dit bedrag in 1986 aan haar heeft geschonken, althans een bedrag van ƒ 2.500,-/€ 1.134,- waarover zij in de loop der jaren rente heeft ontvangen. Omdat het geld van haar grootvader betreft, heeft dat emotionele waarde voor haar en wil zij niet dat het ten goede van de man komt.
De man stelt dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrag van € 7.755,- door haar is ontvangen als schenking. Hij erkent dat de vrouw bij aanvang van het huwelijk over geld van haar grootvader beschikte, maar de man beschikte ook over eigen geld dat aan het huishouden is uitgegeven, onder meer voor de aanschaf van een auto.
Ter zitting in hoger beroep heeft de vrouw erkend dat op de spaarrekening ook geld staat voor de dochter van partijen welk geld daarop eveneens door de grootvader van de vrouw is gestort. Een bedrag van ƒ 10.000,-/€ 4.539,- behoort de vrouw toe, de rest is van de dochter van partijen, zo stelt zij.
4.5. Het hof stelt vast dat de man niet heeft betwist dat de vrouw bij de aanvang van hun huwelijk geld heeft aangebracht dat zij van haar grootvader geschonken heeft gekregen, maar hij voert aan dat niet alle stortingen op de door haar grootvader geopende spaarrekening door de grootvader zijn gedaan. Wat daar van zij, op grond van de verklaring van de vrouw en de door haar overgelegde bankafschriften staat vast dat er ten tijde van het sluiten van het huwelijk een bedrag van ƒ 10.000,-/
€ 4.539,- op de spaarrekening van de vrouw stond. Op grond van de HVW blijft dat bedrag buiten de verdeling. Het hof zal de beschikking waarvan beroep op dit punt vernietigen en bepalen dat van het spaarsaldo van € 35.877,26 de man recht heeft op € 15.665,13 en de vrouw op € 20.206,13.
4.6. De vrouw brengt in haar laatste grief naar voren dat de aan de hypotheek gekoppelde premie levensverzekering bij nader inzien niet kan worden gesplitst, zoals zij ter zitting in eerste aanleg had verklaard. De hypotheekverstrekker eist bij ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man dat de levensverzekering wordt toegescheiden aan de vrouw.
De man stelt dat uit de door de vrouw overgelegde stukken niet blijkt dat de verzekering niet kan worden gesplitst. Na het afsluiten van de verzekering door partijen is de wet gewijzigd; als de man nu wordt uitgekocht, moet hij belasting over dat bedrag betalen terwijl dat aan het einde van de looptijd niet hoeft aangezien het een vrijgestelde verzekering betreft. Ter zitting in hoger beroep heeft de man primair verzocht de verzekering te splitsen en subsidiair, indien de verzekering aan de vrouw wordt toegescheiden, te bepalen dat de vrouw aan de man € 13.500,- moet betalen ter compensatie van zijn verlies.
4.7. De grief faalt. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet aangetoond dat het onmogelijk is om de verzekering te splitsen, nu uit de door haar overgelegde brief van Quion Hypotheekbemiddeling BV van 18 april 2008 niet blijkt dat toescheiding van de verzekering aan de vrouw voorwaarde is voor het ontslaan van de man uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid. In het licht van de in artikel 3:185 BW vereiste billijkheid bij de verdeling, zal het hof, gelet op het door de man voorgehouden financiële (fiscale) nadeel, de verzekering niet aan de vrouw toescheiden, maar de beschikking waarvan beroep op dit punt bekrachtigen.
4.8. Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. Beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarin is bepaald dat iedere partij recht heeft op de helft van de spaargelden ad € 35.877,26 en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de man ter zake van de spaargelden recht heeft op € 15.665,13 en de vrouw op € 20.206,13;
bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M. Wigleven, R.G. Kemmers en J.E. Geuzinge in tegenwoordigheid van
mr. F.J.E. van Geijn als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2009.