Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0934

Datum uitspraak2009-02-10
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers200.011.668/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

informatieplicht


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM MEERVOUDIGE FAMILIEKAMER BESCHIKKING van 10 februari 2009 in de zaak met landelijk zaaknummer […] van: […], wonende te [woonplaats], APPELLANTE, advocaat: mr. C.J.P. Liefting te Amstelveen, t e g e n […], wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. O.J.C. Mein-Toxopeus te Veendam. 1. Het geding in hoger beroep 1.1. Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de moeder en de vader genoemd. 1.2. De moeder is op 12 augustus 2008 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 14 mei 2008 van de kinderrechter in de rechtbank te Alkmaar, met kenmerk […]. 1.3. De vader heeft op 26 september 2008 een verweerschrift ingediend. 1.4. Van de zijde van de moeder zijn op 5 december 2008 nadere stukken binnengekomen. 1.5. De zaak is op 8 december 2008 ter terechtzitting behandeld. 1.6. Ter terechtzitting zijn verschenen: - de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. T. de Deugd te Amstelveen; - de vader, bijgestaan door zijn advocaat; - de heer […], vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming. 2. De feiten 2.1. Partijen zijn in 1994 gehuwd. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 14 mei 2000 in de registers van de burgerlijke stand. Uit hun huwelijk is geboren [dochter] in 1995. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [dochter]. [Dochter] verblijft bij de moeder. 2.2. Bij beschikking van 15 juni 2000 van de rechtbank te Groningen is een omgangsregeling tussen de vader en [dochter] vastgesteld. 3. Het geschil in hoger beroep 3.1. Bij de bestreden beschikking is, met wijziging van de beschikking van 15 juni 2000, de omgangsregeling tussen de vader en [dochter] geschorst tot 14 januari 2012 en is bepaald dat de moeder de vader eens per zes maanden, te weten begin januari en begin juli van elk jaar, zal informeren over de gezondheid, schoolprestaties (aan de hand van schoolrapporten), hobby’s en andere belangrijke gebeurtenissen in het leven van [dochter] alsmede een recente foto van [dochter]. Voorts is bepaald dat de moeder een dwangsom van € 250,- per keer verbeurt dat zij haar informatieplicht jegens de vader niet nakomt. Deze beschikking is gegeven op het verzoek van de moeder de beschikking van 15 juni 2000 te wijzigen en op het zelfstandig verzoek van de vader een informatieplicht te bepalen en daaraan dwangsommen te verbinden. 3.2. De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het zelfstandig verzoek van de vader om aan de moeder een informatieplicht met betrekking tot [dochter] op te leggen, alsnog af te wijzen, althans het verzoek een dwangsom op te leggen alsnog af te wijzen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten. 3.3. De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen. 4. Beoordeling van het hoger beroep 4.1. In geschil is de informatieplicht van de moeder aan de vader over [dochter]. 4.2. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader [dochter] inmiddels gedurende circa acht jaar niet heeft gezien. Aan de stellingen van de moeder dat [dochter] en zij informatieverstrekking als een emotionele belasting beschouwen en het belang van [dochter] zich verzet tegen het verschaffen informatie aan de vader, gaat het hof voorbij. Niet gebleken, noch aannemelijk gemaakt, is dat de spanningen die [dochter] en de moeder met betrekking tot de informatieverschaffing ervaren geheel zijn terug te voeren op gebeurtenissen uit het verleden met de vader, evenmin dat de verplichting een onaanvaardbare druk op de vertrouwensband tussen moeder en dochter legt. Het hof acht onvoldoende redenen aanwezig om de moeder geen informatieplicht op te leggen. De door haar gevoelde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is bij de wet voorzien en acht het hof in het belang van het kind niet onevenredig en disproportioneel en niet in strijd met het subsidiariteitsbeginsel. Hierbij merkt het hof op dat voor de moeder de mogelijkheid bestaat om de informatie via de advocaat van de vader te verstrekken. Voorts is niet gebleken van andere omstandigheden die met zich zouden brengen dat informatieverstrekking aan de vader het belang van [dochter] zou schaden. In het licht van vorengaande prevaleert het belang van de vader boven de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van [dochter]. Het hof acht het in het belang van [dochter] dat de vader haar ontwikkeling kan volgen en gaat voorbij aan de stelling van de moeder dat [dochter] op geen enkele wijze contact met haar vader wil. De informatieverstrekking brengt geen contact tussen de vader en [dochter] met zich. Het hof meent overigens dat het op de weg van de moeder ligt [dochter] te ondersteunen en te begeleiden bij het creëren van vertrouwen in haar vader. Zij dient een goed gelijkende recente foto van [dochter] te verstrekken en specifieke op [dochter] toegespitste informatie. Ten aanzien van de bij de bestreden beschikking vastgestelde dwangsom oordeelt het hof dat, gelet op het gegeven dat de moeder in het kader van de informatieverstrekking in juli 2008 geen foto en onvoldoende informatie met betrekking tot [dochter] aan de vader heeft overgelegd, het hof daarin aanleiding ziet om de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen. Daaraan doet niet af dat de moeder ter zitting heeft verklaard haar medewerking aan de informatieverstrekking te zullen verlenen, mocht het hof daartoe oordelen. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, wordt bekrachtigd. 4.3. Dit leidt tot de volgende beslissing. 5. Beslissing Het hof: bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen. Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Driessen-Poortvliet, M. Wigleven en S.F.M. Wortmann in tegenwoordigheid van mr. B.J. Schutte als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2009.