
Jurisprudentie
BJ0877
Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13.497.135-2009 / 09/1030
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13.497.135-2009 / 09/1030
Statusgepubliceerd
Indicatie
Overlevering gevraagd in verband met vergelijking DNA van de opgeëiste persoon en DNA uit vluchtauto. OLW laat aan de rechtbank geen ruimte om te beoordelen of een minder ingrijpend dan wel een meer effectief middel dan de uitvaardiging van een EAB mogelijk is.
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER
Parketnummer: 13.497.135-2009
RK nummer: 09/1030
Datum uitspraak: 1 april 2009
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 17 februari 2009 en strekt onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 5 februari 2008 door de officier van justitie (Procureur de la République) te Tulle, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon],
geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
thans gedetineerd in het huis van bewaring “Zwaag” te Zwaag,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.
1. Procesgang
De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 maart 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. C.R. Hettema, advocaat te Amsterdam, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in de Roemeense taal.
2. Grondslag en inhoud van het EAB
Aan het EAB ligt een arrestatiebevel (Mandat d’arrêt) afkomstig van de onderzoeksrechter (Juge d’Instruction) bij de arrondissementsrechtbank (Tribunal de Grande Instance) te Tulle, Frankrijk, van 31 december 2007, ten grondslag.
Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schul¬dig heeft gemaakt aan 77 naar het recht van Frankrijk strafbare feiten. In een brief van 12 maart 2009 van de Officier van Justitie bij de arrondissementsrechtbank te Tulle heeft de uitvaardigende justitiële autoriteit meegedeeld dat het verzoek tot overlevering nog slechts betrekking heeft op één van deze 77 feiten.
Dit feit is omschreven in onderdeel e) van het EAB en in de brief van 12 maart 2009, waarvan door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlagen aan deze uitspraak zijn gehecht.
3. Identiteit van de opgeëiste persoon
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar de Roemeense nationaliteit heeft.
4. Strafbaarheid
Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft in het EAB vermeld dat de overlevering wordt verzocht voor 77 feiten. Zij heeft al deze feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt, te weten georganiseerde of gewapende diefstal. In de brief van 12 maart 2009 is vermeld dat het overleveringsverzoek beperkt wordt tot één strafbaar feit. In deze brief is evenwel niet vermeld of ten aanzien van dit enkele feit de aanduiding lijstfeit nog steeds van toepassing is. In deze situatie acht de rechtbank het aangewezen om met toepassing van artikel 7, eerste lid, aanhef onder a en 2º, van de OLW te beoordelen of het feit zowel naar het recht van de uitvaardigende staat als naar dat van Nederland strafbaar is en of op dit feit een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste 12 maanden is gesteld.
De rechtbank stelt vast dat het feit is zowel naar het recht van Frankrijk als naar Nederlands recht strafbaar is.
Voorts kan worden vastgesteld dat op dit feit in beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
5. Onschuldverweer
De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten, en dit ook te hebben aangetoond dan wel te kunnen aantonen.
De raadsman heeft in dit kader op 10 maart 2009 stukken aan de rechtbank gezonden, ter onderbouwing van de stelling van de opgeëiste persoon dat hij in de periode van 25 juli 2005 tot 2 september 2005 in Roemenië verbleef en derhalve onmogelijk de 77 feiten, waarvan het overleveringsverzoek aanvankelijk melding maakte, kan hebben begaan. Ook nadat de Franse autoriteiten het overleveringsverzoek tot één feit hebben beperkt is de raadsman van mening dat op de grond van de overgelegde documenten de onschuld van de opgeëiste persoon afdoende is aangetoond.
De rechtbank stelt voorop dat de overlevering thans alleen nog wordt verzocht voor de inbraak in de nacht van 17 op 18 augustus 2005 te Bretenoux, zodat de beoordeling van het onschuldverweer alleen op dit feit betrekking behoeft te hebben.
De raadsman heeft uit het Roemeens vertaalde stukken overgelegd. Hierin is te lezen dat de opgeëiste persoon tussen 1 augustus 2005 en 6 september 2005 in Roemenië een cursus heeft gevolgd van 100 uren en dat hij het daarbij behorende examen op 6 september 2005 heeft afgelegd en behaald. In een ander document is vermeld dat op 4 augustus 2005 de watermeters in de woning van de opgeëiste persoon in Roemenië zijn vervangen. Dit document zou volgens de verdediging door de opgeëiste persoon op die datum in persoon zijn ondertekend. Voorts zijn documenten overgelegd waaruit zou blijken dat de opgeëiste persoon op diverse tijdstippen in 2005, waaronder ook in de maand augustus 2005, geld heeft ontvangen van zijn in Italië wonende moeder. Tenslotte is een in het Roemeens gestelde verklaring van de gestelde vriendin van de opgeëiste persoon overgelegd, waarin wordt meegedeeld dat de opgeëiste persoon van 20 tot 25 juli 2005 op vakantie was. Bij deze verklaring is een foto gevoegd.
De rechtbank constateert dat geen van de overgelegde documenten expliciet betrekking heeft op de nacht van 17 op 18 augustus 2005. Dat de opgeëiste persoon in de periode tussen 1 augustus en 6 september 2005 een cursus heeft gevolgd van 100 uren, sluit geenszins uit dat hij in de bewuste nacht aan de in Bretenoux gepleegde inbraak heeft deelgenomen, dan wel buiten Frankrijk op enigerlei wijze bij de bewuste inbraak betrokken is geweest. Daargelaten de bewijskracht van de overgelegde documenten, komt de rechtbank reeds op deze grond tot de conclusie dat de opgeëiste persoon ter zitting niet heeft aangetoond dat hij niet schuldig is aan het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Het verweer wordt verworpen.
6. Overige verweren
Overlegging Franse wetsartikelen
De raadsman is van mening dat het overleveringsverzoek niet voldoet aan de daartoe gestelde vereisten, nu verzuimd is de tekst van de toepasselijke Franse artikelen over te leggen. Hij heeft daartoe verwezen naar uitspraken van de Internationale Rechtshulpkamer uit 2005.
Het verweer van de raadsman wordt verworpen. In het verleden heeft de rechtbank geoordeeld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit steeds de tekst van de toepasselijke strafbepalingen diende over te leggen. Op 8 juli 2008 heeft de Hoge Raad (LJN: BD2447) geoordeeld dat het oordeel van de rechtbank, dat een EAB de tekst van de toepasselijke wettelijke bepalingen dient te bevatten of dat een afschrift daarvan steeds door de uitvaardigende autoriteit dient te worden overgelegd, onjuist is. De enkele omstandigheid dat de tekst van de Franse strafbepalingen niet is overgelegd, staat derhalve niet aan overlevering in de weg. Bij de beoordeling van de dubbele strafbaarheid zijn bij de rechtbank geen vragen gerezen die in het onderhavige geval nopen tot overlegging van genoemde Franse wetsartikelen.
Artikel 2 OLW
De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het feit onvoldoende is omschreven, nu de rol van de opgeëiste persoon bij het feit te vaag dan wel onduidelijk is weergegeven.
De rechtbank kan de raadsman in dit betoog niet volgen. Uit het EAB en de aanvullende informatie, verwoord in de brieven van 4 en 12 maart 2009, blijkt dat de opgeëiste persoon er in Frankrijk van wordt verdacht dat hij samen met een ander een inbraak heeft gepleegd in Bretenoux (Frankrijk) in de nacht van 17 op 18 augustus 2005. De daders, waaronder de opgeëiste persoon, zouden voorts na de inbraak zijn gevlucht in een auto met valse nummerplaten. In deze vluchtauto is DNA aangetroffen dat mogelijk van de opgeëiste persoon afkomstig is. Aldus is de verdenking dat de opgeëiste persoon niet slechts mededader was bij de inbraak, maar bij deze inbraak ook fysiek aanwezig was. De rechtbank acht de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij het feit aldus dan ook voldoende omschreven.
DNA-vergelijking
De raadsman heeft er op gewezen dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de overlevering slechts wenst om een vergelijking mogelijk te maken tussen het in de vluchtauto aangetroffen DNA en het DNA van de opgeëiste persoon. Hij vraagt zich af of in deze situatie niet gesproken moet worden van een oneigenlijk gebruik van het EAB. Nu de opgeëiste persoon stelt dat hij reeds in 2005 in Frankrijk DNA heeft afgestaan, acht de raadsman het bovendien zinloos om uitvoering te geven aan het EAB. Frankrijk beschikt immers reeds over het DNA van de opgeëiste persoon.
Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de OLW geen ruimte aan de rechtbank laat om te beoordelen of een minder ingrijpend dan wel een meer effectief middel dan de uitvaardiging van een EAB mogelijk is. De stelling van de opgeëiste persoon, dat in 2005 van hem in Frankrijk DNA is afgenomen, is niet onderbouwd. Echter ook indien deze stelling juist zou blijken, staat daarmee nog niet vast dat een eventueel op basis van dit DNA vastgesteld profiel is opgenomen in de Franse DNA databank, en/of dat het aangetroffen DNA uit de vluchtauto reeds daarmee is vergeleken. De stelling van de raadsman, dat een vergelijking van het DNA van de opgeëiste persoon en het DNA aangetroffen in de vluchtauto bij voorbaat zinloos is, vindt derhalve geen steun in de feiten. Het verweer wordt verworpen.
7. Slotsom
Nu ten aanzien van de feiten waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat aan alle eisen is voldaan die de OLW daaraan stelt, dient de overlevering te worden toegestaan.
8. Toepasselijke wetsbepalingen
Artikel 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Artikelen 2, 5, 7 van de OLW.
9. Beslissing
STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de officier van justitie (Procureur de la République) te Tulle, Frankrijk ten behoeve van het in Frankrijk tegen hem gerichte strafrechtelijke onderzoek naar het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.
Aldus gedaan door
mr. F. Salomon, voorzitter,
mrs. A. Belcheva en W.J. van Bennekom, rechters,
in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2009.
De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te tekenen.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.
[B]