Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0862

Datum uitspraak2009-06-25
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/20258
Statusgepubliceerd
SectorPresident


Indicatie

Bewaring / onvoldoende voortvarend gehandeld

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Eiser heeft - onder meer – betoogd dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De rechtbank overweegt dat gelet op enerzijds de vruchteloze poging tot uitzetting in 2005 en de daarvoor op 25 maart 2009 door de Jamaicaanse autoriteiten gegeven reden - te weten dat het vermoeden was gerezen dat het originele paspoort waarmee eiser is uitgezet naar Jamaica op frauduleuze wijze was verkregen - en anderzijds de van de zijde van de Jamaicaanse autoriteiten eveneens op 25 maart 2009 verkregen concrete aanwijzingen inzake eisers Liberiaanse afkomst, welke zijn verduidelijkt op 20 april 2009, heeft verweerder ondanks het feit dat het lp-traject bij de Jamaicaanse autoriteiten nog loopt, niettemin onvoldoende voortvarend gehandeld door eerst op 29 mei 2009, vijf en een halve week later, de lp-aanvraag door te zenden naar de Liberiaanse autoriteiten. Daaruit volgt dat verweerder vanaf 21 april 2009 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de bewaring met ingang van die datum onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring.



Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector Bestuursrecht Zittinghoudende te Amsterdam zaaknummer: AWB 09/20258 V-nr: * uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in het geding tussen: eiser [naam] geboren [datum] in 1963, van (gestelde) Jamaicaanse nationaliteit, gemachtigde: mr. A. Spel, advocaat te Alkmaar, en: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. M.S. Mol, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst in ‘s Gravenhage. 1. Procesverloop Op 9 maart 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Eerdere beroepen gericht tegen de oplegging dan wel voortzetting van deze maatregel zijn ongegrond verklaard, laatstelijk op 6 mei 2009. Bij beroepschrift van 4 juni 2009 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij heeft hij opheffing van de maatregel tot bewaring gevorderd alsmede toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep behandeld ter openbare zitting van 17 juni 2009. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft bij faxbericht van 19 juni 2009 nadere informatie verstrekt. De gemachtigde van eiser heeft hierop bij faxbericht van 19 juni 2009 gereageerd. Beide partijen hebben toestemming gegeven de zaak zonder nadere zitting af te doen, waarna de rechtbank heden het onderzoek heeft gesloten. 2. Overwegingen 1. Eiser heeft het volgende - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - aangevoerd. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring dient te worden opgeheven wegens gebrek aan zicht op uitzetting en omdat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Eiser is in 2005 vergeefs door verweerder met een geldig paspoort naar Jamaica verwijderd. Ook nu blijkt dat Jamaica eiser niet wil terugnemen nu eiser op 20 april 2009 is gepresenteerd bij de ambassade van Jamaica en dit tot op heden geen enkel resultaat heeft gehad. De Jamaicaanse autoriteiten hebben nog steeds geen laissez-passer (lp) afgegeven ondanks dat verweerder een kopie van eisers paspoort heeft meegestuurd met de lp-aanvraag. Daarnaast is tot op heden nog niet onderzocht of het paspoort dat in 2005 door de Jamaicaanse autoriteiten is ingenomen werkelijk op frauduleuze wijze is verkregen. De onwil van Jamaica blijkt ook uit het feit dat men beweert dat eiser uit Liberia afkomstig zou zijn en er zelfs een naam bij noemt zonder dat men aan verweerder kan of wil uitleggen hoe men aan deze informatie komt. Als eiser in 2005 met een authentiek paspoort is verwijderd, blijkt daaruit dat Jamaica eiser niet wil terugnemen en tevens dat verwijdering naar Liberia ook niet mogelijk is. Voorts is het onvoldoende voortvarend van verweerder dat een lp-aanvraag op 7 april 2009 is verzonden aan de lp-kamer en deze lp-aanvraag pas na zeven weken op 29 mei 2009 is doorgezonden aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Liberia. Verder is op 9 april 2009 aan de lp-kamer verzocht om bij de ambassade van Jamaica nadere informatie te vragen over het vermoeden dat eiser uit Liberia afkomstig is onder een andere naam. Op dit verzoek om informatie is tot op heden geen antwoord gekomen, althans dat blijkt niet uit de voortgangsrapportage. 2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd. Er is voldoende zicht op uitzetting nu er lp-trajecten lopen bij Jamaicaanse en Liberiaanse autoriteiten. In 2005 is gebruik gemaakt van een nationaal paspoort en bij de onderhavige lp-aanvraag is een kopie van dit paspoort overgelegd bij de Jamaicaanse autoriteiten. Naar aanleiding van de lp-aanvraag hebben de Jamaicaanse autoriteiten bij brief van 29 maart 2009 aangegeven dat het betreffende paspoort in 2005 is ingenomen omdat het vermoeden was gerezen dat het paspoort op frauduleuze was verkregen. Tijdens de presentatie in persoon op 21 april 2009 heeft de Minister-Counselor op verzoek van verweerder zijn vermoedens omtrent de Liberiaanse afkomst van eiser mondeling toegelicht. De autoriteiten hebben aangegeven hier nader onderzoek naar te zullen doen. Door de autoriteiten is in ieder geval niet definitief gesteld dat eiser niet afkomstig is uit Jamaica. In verband met de aanwijzingen van de Jamaicaanse autoriteiten is besloten een lp-traject op te starten bij Liberia. Eiser zal op 22 juni 2009 worden gepresenteerd bij de Liberiaanse autoriteiten. Verweerder stelt hiermee voldoende voortvarend te hebben gehandeld. De rechtbank overweegt het volgende. 3. Het onderhavige beroep is het derde beroep tegen de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank dient te beoor¬delen of de voortgezette toepassing daarvan gerechtvaardigd is te achten. 4. Inzake het zicht op uitzetting oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de beantwoording van de vragen van de rechtbank door verweerder leidt de rechtbank af dat eiser in 2005 met een origineel paspoort naar Jamaica is uitgezet. De Jamaicaanse autoriteiten hebben eiser bij die gelegenheid de toegang geweigerd alsmede het paspoort ingenomen. De Jamaicaanse autoriteiten hebben verweerder bij brief van 25 maart 2009 aangegeven dat het paspoort destijds is ingenomen omdat bij de Jamaicaanse autoriteiten het vermoeden was gerezen dat deze op frauduleuze wijze was verkregen. De Jamaicaanse autoriteiten hebben verweerder op 20 april 2009 aangegeven hier nader onderzoek naar te zullen doen. Uit het voorgaande blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat thans is komen vast te staan dat eiser de Jamaicaanse nationaliteit heeft en dat de Jamaicaanse autoriteiten desondanks niet van plan zijn aan eiser een lp te verstrekken. Bij de Jamaicaanse autoriteiten bestaat immers de verdenking dat eiser het paspoort op frauduleuze wijze heeft verkregen. Voorts heeft verweerder, naar aanleiding van bevindingen van de Jamaicaanse autoriteiten, tevens een lp-aanvraag bij de Liberiaanse autoriteiten opgestart. Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit samenstel van omstandigheden met zich dat niet gesteld kan worden dat het vereiste zicht op uitzetting ontbreekt. 5. Met betrekking tot het voldoende voortvarend handelen van verweerder overweegt de rechtbank als volgt. Blijkens onder meer de voortgangsrapportage is verweerder bij brief van 25 maart 2009 door de Jamaicaanse autoriteiten op de hoogte gesteld van hun vermoeden dat eiser afkomstig is uit Liberia. De autoriteiten hebben in deze brief ook een andere naam [naam] vermeld. Verweerder heeft op 7 april 2009 een lp-opdracht voor Liberia verzonden naar de lp-afdeling. Op 9 april 2009 is de lp-afdeling verzocht om contact op te nemen met de Jamaicaanse autoriteiten om hun te vragen meer informatie te geven omtrent het vermoeden dat eiser afkomstig is uit Liberia. Tijdens de presentatie van eiser aan de diplomatieke vertegenwoordiging van Jamaica op 20 april 2009 hebben de autoriteiten desgevraagd het vermoeden omtrent eisers Liberiaanse afkomst mondeling toegelicht. De lp-aanvraag voor Liberia is vervolgens op 29 mei 2009 doorgestuurd naar de diplomatieke vertegenwoordiging van Liberia. 6. Gelet op enerzijds de vruchteloze poging tot uitzetting in 2005 en de daarvoor op 25 maart 2009 door de Jamaicaanse autoriteiten gegeven reden en anderzijds de van de zijde van de Jamaicaanse autoriteiten eveneens op 25 maart 2009 verkregen concrete aanwijzingen inzake eisers Liberiaanse afkomst, welke zijn verduidelijkt op 20 april 2009, heeft verweerder ondanks het feit dat het lp-traject bij de Jamaicaanse autoriteiten nog loopt, niettemin onvoldoende voortvarend gehandeld door eerst op 29 mei 2009, vijf en een halve week later, de lp-aanvraag door te zenden naar de Liberiaanse autoriteiten. Daaruit volgt dat verweerder vanaf 21 april 2009 onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en dat de bewaring met ingang van die datum onrechtmatig heeft voortgeduurd. De rechtbank verklaart het beroep dan ook gegrond en beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring. 7. De rechtbank ziet op grond van het voorgaande aanleiding gebruik te maken van de bevoegdheid om schadevergoeding toe te kennen als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000. De rechtbank ziet in de niet volledige medewerking van de kant van eiser geen aanleiding de schadevergoeding te matigen. De schade wordt vergoed tot een bedrag van € 80,-- per dag dat eiser onrechtmatig aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen is geweest, dus vanaf 29 april 2009, datum sluiten voorlaatste vooronderzoek, tot heden, derhalve in totaal € 4560,-- (57 × € 80,--). 8. Gelet op het voorgaande is er voorts aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,--, als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1). 3. Beslissing De rechtbank - verklaart het beroep gegrond; - beveelt dat verweerder de bewaring onmiddellijk opheft; - veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 4560,-- (zegge: vierduizend vijfhonderdzestig euro), te betalen aan eiser; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.K. Williams, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2009. Afschrift verzonden op: Conc.: FW Coll: JV D: B VK Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open