
Jurisprudentie
BJ0860
Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08/38712, 08/38713
Statusgepubliceerd
SectorPresident
Indicatie
Medische noodsituatie / onvoldoende gemotiveerd waarom behandelpercentage hiv-geïnfecteerden in Ghana thans niet meer van belang is / 3 EVRM / onzorgvuldig onderzoek
Eiser is Ghanees en hiv-geïnfecteerd. In een eerder toewijzend besluit van 6 juni 2006 had verweerder, onder verwijzing naar een BMA-advies van 20 maart 2006, geoordeeld dat er onvoldoende behandelmogelijkheden waren voor eiser in Ghana. Dat BMA-advies was op twee pijlers geschoeid, enerzijds de (on)mogelijkheid van behandeling in Ghana en anderzijds het percentage patiënten dat feitelijk werd behandeld. In het onderhavige, aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde BMA-advies wordt door het BMA niet meer verwezen naar het behandelpercentage. Bij nota van 23 juli 2008 heeft het BMA aangegeven dat de UNAIDS-cijfers met betrekking tot het behandelpercentage in het advies van 20 maart 2006 enkel waren opgenomen ter illustratie. De rechtbank constateert een discrepantie tussen deze uitleg en de bewoordingen van het BMA-advies van 20 maart 2006. Echter, los van wat achteraf bezien de intentie van het BMA was met betrekking tot het benoemen van UNAIDS-cijfers, heeft verweerder met de door het BMA gegeven uitleg nog niet gemotiveerd waarom verweerder, anders dan in het toewijzende besluit van 6 juni 2006, het percentage hiv-patiënten dat daadwerkelijk medicatie krijgt, thans niet meer van belang acht voor de vraag of er sprake is van voldoende behandelmogelijkheden in Ghana. Verweerder heeft zich destijds immers verlaten op de op dat moment door het BMA gegeven kenbare motivering.
Voorts heeft verweerder eisers beroep op artikel 3 van het EVRM onvoldoende zorgvuldig onderzocht. Uit het bestreden besluit en de werkwijze van verweerder volgt dat enkel is gekeken naar de beschikbaarheid van de medische zorg in medisch-technische zin. Daaruit volgt, zonder nadere onderbouwing, nog niet dat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden met betrekking tot de vraag of terugkeer van eiser naar Ghana een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie oplevert.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
voorzieningenrechter
Uitspraak
artikel 8:70 en 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nrs.: AWB 08/38712 (beroep) en AWB 08/38713 (voorlopige voorziening)
V-nr: *
inzake: eiser / verzoeker [naam] , geboren [datum] in 1966, van Ghanese nationaliteit, wonende te Rotterdam, hierna te noemen eiser,
gemachtigde: mr. J. Jager, advocaat te Amsterdam,
tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. A.H. Kras, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
I. PROCESVERLOOP
1. Bij besluit van 12 november 2007 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlenging van zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking “verblijf vanwege een medische noodsituatie” afgewezen.
Het daartegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 28 oktober 2008 ongegrond verklaard. Het besluit vermeldt onder meer de rechtsgevolgen dat eiser na bekendmaking van het besluit niet meer rechtmatig in Nederland verblijft en dat eiser Nederland uit eigen beweging binnen vier weken moet verlaten. Op 29 oktober 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Volgens het besluit schort het beroep de rechtsgevolgen niet op. Bij brief van 29 oktober 2008 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
2. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2009. Eiser is niet ter zitting verschenen, en is daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.
3. De voorzieningenrechter/rechtbank, hierna te noemen: rechtbank, heeft het onderzoek ter zitting gesloten.
II. FEITEN
1. Bij besluit van 6 juni 2006 is aan eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf vanwege medische noodsituatie” verleend met ingang van 7 september 2004 en geldig tot 7 september 2007.
2. Bij nota van 30 oktober 2007 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) een rapport uitgebracht over de medische problematiek van eiser. Bij nota van 23 juli 2008 heeft het BMA aanvullende vragen van verweerder met betrekking tot cijfers van UNAIDS beantwoord.
3. Bij nota van 16 september 2008 is wederom een advies uitgebracht door het BMA over de medische problematiek van eiser. Hierin is onder meer opgenomen dat eiser sinds 2003 hiv-seropositief is. Hij heeft fysiek niet veel problemen. In 2006 en in juli 2008 heeft hij een bovenste luchtweginfectie doorgemaakt. Eiser staat onder behandeling van een internist. Hij wordt behandeld met de antiretrovirale medicatie Kaletra en Lamuvidine. De behandeling is levenslang benodigd. Het staken van de behandeling leidt tot een medische noodsituatie aangezien dit kan leiden tot een snelle daling van de afweer met kans op levensbedreigende infecties. In Ghana is behandeling en controle mogelijk bij de meeste regionale ziekenhuizen en bij de zogenaamde “Teaching Hospitals”. De specifieke medicatie voor eiser is aanwezig en de aanvoer is gegarandeerd. Behandeling is mogelijk in het Korle-Bu Teaching Hospital te Accra. Eiser kan reizen met gangbare vervoermiddelen. De medicatie dient wel gecontinueerd te worden en een schriftelijke overdracht van medische gegevens is noodzakelijk.
Uit eerder verkregen informatie van de vertrouwensarts kwam naar voren dat een vrij groot deel van de patiënten dat in aanmerking komt voor behandeling van een hiv-infectie deze helaas niet ontvangt. De situatie lijkt geleidelijk aan wel te verbeteren. In hoeverre eiser daadwerkelijk toegang heeft tot de behandeling kan het BMA helaas niet beoordelen, alhoewel hiervan het belang voor eiser uiteraard overduidelijk is, aldus het BMA-advies.
III. STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
1.1. Verweerder heeft eisers aanvraag afgewezen omdat eiser niet (meer) voldoet aan de beperking waaronder de vergunning is verleend. Uit de BMA-adviezen volgt immers dat er voldoende behandelmogelijkheden in Ghana zijn. De door eiser aangehaalde cijfers van UNAIDS geven geen blijk van het tegendeel. Dat de cijfers van UNAIDS in een eerder BMA-advies d.d. 20 maart 2006 zijn genoemd, betekent niet dat het BMA destijds niet reeds op basis van informatie van SOS International tot de conclusie was gekomen dat de behandelmogelijkheden in medisch technische zin onvoldoende beschikbaar waren. De cijfers van UNAIDS bevestigden dat beeld alleen maar en zijn door het BMA destijds enkel in die context aangehaald. Het in het bestreden besluit niet meer benoemen van UNAIDS-cijfers maakt voor de vraag of er thans sprake is van voldoende behandelmogelijkheden dan ook niet uit.
Uit het BMA-advies van 16 september 2008 volgt voorts dat controle van de “viral load” in het bloed in Ghana mogelijk is. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel op de door eiser genoemde zaken slaagt niet aangezien er geen sprake is van gelijke gevallen. De toets bij een medische noodsituatie, tot slot, is ruimer dan die van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zodat toetsing aan laatstgenoemd artikel op voorhand niet tot een andere uitkomst zou leiden.
1.2. In zijn verweerschrift heeft verweerder zijn standpunt nader toegelicht. Dat niet iedere patiënt in Ghana toegang heeft tot de behandeling, maakt nog niet dat eiser hiertoe geen toegang zou kunnen krijgen. Dit is door eiser ook geenszins onderbouwd. Daarbuiten wordt de feitelijke toegankelijkheid tot de zorg niet beoordeeld. In het bestreden besluit is wel degelijk toegelicht waarom het behandelpercentage bij het BMA-advies van 20 maart 2006 alsmede in oudere adviezen in andere hiv-zaken enigszins van belang zijn geacht. Eerst was immers onvoldoende duidelijk of behandeling in medisch-technische zin voorhanden was. Dit bleek uit informatie van International SOS. De cijfers van UNAIDS waaruit een slechte algemene situatie bleek, waren een extra bevestiging hiervan. In de nieuwe adviezen blijkt uit informatie van International SOS dat er wel voldoende duidelijkheid is over de medisch technische beschikbaarheid van de behandeling. De algemene informatie van UNAIDS doet aan dit laatste niet af.
1.3. Ter zitting heeft verweerder zijn standpunt nog verder toegelicht. Gedurende de reis en de overdracht dient verweerder er zorg voor te dragen dat de medicatie beschikbaar is. Uit het BMA-advies volgt niet dat dit, wat betreft de reisvoorwaarden, ook maanden daarna het geval dient te zijn. In het bestreden besluit is ten aanzien van artikel 3 van het EVRM voorts bedoeld te zeggen dat wanneer zich geen medische noodsituatie voordoet, artikel 3 van het EVRM dan ook niet geschonden wordt. Hierbij is gekeken naar de eigen merites van deze zaak.
2.1. Eiser heeft - zakelijk weergegeven - de volgende beroepsgronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. In Ghana heeft zich de afgelopen jaren geen wezenlijke verandering voorgedaan met betrekking tot de beschikbaarheid van medische behandeling voor hiv-patiënten. In het verleden, zo ook in het BMA advies van 20 maart 2006 en het daarop gebaseerde toewijzende besluit van 6 juni 2006, heeft verweerder belang gehecht aan door UNAIDS jaarlijks vastgestelde behandelpercentages van hiv-patiënten in Ghana. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom het behandelpercentage in het verleden wel van belang werd geacht en tegenwoordig niet meer. Uit de cijfers van de vertrouwensarts valt op te maken dat, wanneer de voor eiser benodigde middelen Kaletra en Lamuvidine in Ghana beschikbaar zijn, deze beschikbaarheid beperkt blijft tot ongeveer een vijfde van de hiv-patiënten. Vier van de vijf hiv-patiënten die medicatie nodig heeft, krijgt deze niet wegens, zoals de vertrouwensarts het noemt “unavailability of drugs for all”. Gelet op deze cijfers speelt, anders dan verweerder stelt, niet de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van de medische voorzieningen maar of er sprake is van voldoende beschikbaarheid van de medische behandeling. De laatste vraag dient negatief te worden beantwoord.
Uit het BMA-advies volgt voorts onvoldoende duidelijk dat er mogelijkheden bestaan om de “viral load” van het bloed van een hiv-patiënt te bepalen.
Verweerder heeft voorts onvoldoende deugdelijk gemotiveerd waarom de door eiser aangedragen gevallen niet als gelijk zijn te beschouwen.
Tot slot heeft verweerder ten onrechte toetsing aan artikel 3 van het EVRM achterwege gelaten. De door verweerder uitgevoerde toets bij een medische noodsituatie is een abstracte. Er wordt getoetst aan de beschikbaarheid van een behandeling in medisch-technische zin. Verweerder heeft eerder erkend dat hieraan is voldaan wanneer in het herkomstland voor één patiënt de behandeling beschikbaar is. Daarentegen verlangt artikel 3 van het EVRM een individuele, op de betrokkene afgestemde toetsing.
2.2. Ter zitting heeft eiser zijn standpunt nader toegelicht. Eiser betwist niet langer dat controle van de “viral load” mogelijk is in twee ziekenhuizen. Verweerder heeft volgens eiser voorts op geen enkele wijze onderzocht of aan de door het BMA gestelde reisvoorwaarden kan worden voldaan.
IV. WETTELIJK KADER
1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.
2. Ingevolge artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, worden verleend onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van artikel 3.4 van het Vb 2000.
3. Paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 vermeldt dat onder een medische noodsituatie wordt verstaan die situatie waarbij betrokkene lijdt aan een stoornis, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vast staat dat het achterwege blijven van behandeling op korte termijn zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
4. Paragraaf B8/3.2 van de Vc 2000 vermeldt dat de medische noodsituatie in het verlengde van de aanvraag in verband met medische behandeling ligt en derhalve niet separaat hoeft te worden aangevraagd indien in de oorspronkelijke aanvraag verblijf wegens medische redenen werd gevraagd. Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het bestaan van een medische noodsituatie, dient de vreemdeling zich in Nederland te bevinden en dient sprake te zijn van de situatie dat:
– stopzetting van de medische behandeling een medische noodsituatie zal doen ontstaan; en
– de medische behandeling van de betreffende medische klachten niet kan plaatsvinden in het land van herkomst of ander land waarheen betrokkene zich kan verwijderen; en
– de medische behandeling ter voorkoming van het ontstaan van deze noodsituatie naar verwachting langer dan één jaar zal duren.
Van vorenstaande voorwaarden wordt in beginsel niet afgeweken op grond van omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de zorg betreffen.
5. Paragraaf B8/4.4 van de Vc 2000 vermeldt dat omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het herkomstland betreffen, niet worden betrokken bij het beoordelen van aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking “medische behandeling” of “vanwege medische noodsituatie”.
V. OVERWEGINGEN
De rechtbank overweegt als volgt.
1.1. De rechtbank stelt, gelijk de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 april 2008 (AWB 07/37044 en AWB 07/37045) en 24 juli 2008 (AWB 08/02445 en AWB 08/02453), vast dat een verschil bestaat tussen eerdere adviezen van het BMA ten aanzien van met hiv-geïnfecteerde vreemdelingen uit Ghana, zoals het advies van 20 maart 2006, en recente adviezen als die van 30 oktober 2007 en 16 september 2008. Eerdere adviezen waren op twee pijlers gestoeld, te weten de mogelijkheid van behandeling in Ghana en het percentage patiënten dat feitelijk werd behandeld. Zo staat in het advies van 20 maart 2006, onder punt 3a, vermeld:
“Uitgaande van de beschikbare informatie m.b.t. de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, concludeer ik op basis van de eerder genoemde brondocumenten dat er onvoldoende adequate behandelmogelijkheden in Ghana aanwezig zijn. Er blijken op beperkte schaal in Accra via een aantal private instellingen verschillende antiretrovirale medicijnen beschikbaar. De toevoer is evenwel sterk wisselend in de tijd. Daarbij komt dat in de praktijk slechts 1,8% van de volwassenen met een vergevorderde HIV infectie die medicijnen nodig hebben, deze therapie ook daadwerkelijk ontvangt. Vastgesteld moet derhalve worden dat de behandeling voor betrokkene onvoldoende is gegarandeerd.”
1.2. In het BMA-advies van 30 oktober 2007 en 16 september 2008 ontbreekt deze tweede pijler en wordt het percentage patiënten dat wordt behandeld in het land van herkomst niet genoemd.
1.3.1. In voornoemde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 april 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder ten aanzien van het ontbreken van de tweede pijler in het in die zaak uitgebrachte nieuwe BMA-advies navraag diende te doen bij het BMA en voorts diende te motiveren waarom het behandelpercentage eerst wel en thans niet meer van belang werd geacht. Dit oordeel is in voornoemde uitspraak van 24 juli 2008 herhaald.
1.3.2. In de onderhavige zaak heeft verweerder op 2 juli 2008 het BMA een aantal aanvullende vragen gesteld. Een van deze vragen luidde:
“Wat is de verklaring voor het feit dat BMA in bepaalde oudere adviezen in tegenstelling tot in recente adviezen, UNAIDS gegevens heeft genoemd in de motivering van de conclusie met betrekking tot de beoordeling van behandelmogelijkheden in het land van herkomst.”
Het BMA heeft bij nota van 23 juli 2008 als volgt gereageerd:
“Over de medische situatie van dhr Kuma zijn meerdere medische adviezen uitgebracht: namelijk op 20-03-2006 en 30-10-2007.
In het advies van 2006 is informatie van de UNAIDS wel genoemd en in het advies van 2007 niet.
Echter in het advies van 2006 bleek ook reeds uit de informatie van International SOS dat - naast een slechte algemene situatie zoals de UNAIDS die schetste - ook de behandelmogelijkheden qua medisch technische beschikbaarheid niet als voldoende beoordeeld konden worden ook niet in de toenmalige relevante private instellingen te Accra (de relevante medicatie voorziening cq toevoer van de medicatie was toen niet gegarandeerd). Deze negatieve conclusie stond toen dus los van de cijfers van de UNAIDS. Met andere woorden zonder de informatie van de UNAIDS zou ook dezelfde negatieve conclusie zijn getrokken.
De cijfers afkomstig van UNAIDS werden wel genoemd in het advies ter nadere illustratie. Het was dus niet zo dat de conclusie onvoldoende beschikbare behandelmogelijkheden gebaseerd was op cijfers van de UNAIDS; deze was ook reeds gebaseerd op informatie van de International SOS.
Deze indruk is wellicht wel gewekt in dit advies en in een aantal andere adviezen waarin gemeld werd dat mede op basis van de UNAIDS gegevens de conclusie werd getrokken dat er onvoldoende beschikbare behandelmogelijkheden waren; hiermee werd echter bedoeld dat de behandelmogelijkheden toen in medisch technische zin onvoldoende beschikbaar waren op basis van de informatie van International SOS en deze situatie bestond daarbij mede in het licht van een slechte algemene situatie in het land op basis van de gegevens van de UNAIDS.”
1.4.1. De rechtbank constateert dat er een discrepantie bestaat tussen de uitleg die het BMA in de nota van 23 juli 2008 geeft over de wijziging in de advisering en de bewoordingen in het BMA-advies van 20 maart 2006. Uit het BMA-advies van 20 maart 2006 volgt immers dat het behandelpercentage van 1,8% één van de twee pijlers is op grond waarvan is geconcludeerd dat er onvoldoende behandelmogelijkheden in Ghana zijn.
1.4.2. Echter, los van wat achteraf bezien de intentie van het BMA was met betrekking tot het benoemen van UNAIDS-cijfers in het advies van 20 maart 2006, heeft verweerder met de door het BMA gegeven uitleg in de nota van 23 juli 208 nog niet gemotiveerd waarom verweerder, anders dan in het toewijzende besluit van 6 juni 2006, het percentage hiv-patiënten dat daadwerkelijk medicatie krijgt, thans niet meer van belang acht voor de vraag of er sprake is van voldoende behandelmogelijkheden in Ghana. Verweerder heeft het besluit van 6 juni 2006 immers gebaseerd op de in het advies van 20 maart 2006 weergegeven, en toen kenbare motivering. De intentie van het BMA met betrekking tot de in dat advies gegeven motivering, zoals in de nota van 23 juli 2008 verwoord, was verweerder op het moment van het nemen van het toewijzende besluit van 6 juni 2006 niet bekend, althans niet is gebleken dat verweerder daarover bij het BMA destijds navraag heeft gedaan.
1.4.3. Door zich in het toewijzende besluit van 6 juni 2006 te verlaten op het BMA-advies van 20 maart 2006, heeft verweerder de in dat advies gegeven, op voornoemde twee pijlers gebaseerde motivering aldus overgenomen. Hieruit volgt dat verweerder het behandelpercentage van hiv-patiënten destijds van belang heeft geacht voor de vraag of in Ghana voldoende behandelmogelijkheden aanwezig zijn.
Met eiser is de rechtbank van oordeel dat verweerder tot op heden niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom verweerder, gelet op eisers stelling dat de behandelmogelijkheden in Ghana niet wezenlijk zijn veranderd, het behandelpercentage van hiv-patiënten destijds wel en thans niet meer van belang heeft geacht voor de beantwoording van deze vraag. Nu verweerder dit heeft nagelaten, is sprake van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.
Ten overvloede overweegt de rechtbank voorts nog het volgende.
2. De rechtbank stelt vast dat niet langer in geschil is dat in Ghana de mogelijkheid van laboratoriumonderzoek naar de “viral load” in het bloed in medisch-technische zin bestaat.
3.1. Eiser heeft zich voorts op het gelijkheidsbeginsel beroepen. Eiser stelt dat zijn situatie gelijk is aan een aantal gevallen van Ghanese hiv-patiënten aan wie onlangs verblijf is toegestaan.
3.2. In het bestreden besluit heeft verweerder gesteld dat het BMA in het merendeel van de door eiser aangedragen zaken [namen] had geconcludeerd dat behandeling in Ghana niet mogelijk bleek. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verduidelijkt dat elke zaak op zijn eigen individuele merites wordt beoordeeld. Bij de advisering gaat het BMA expliciet in op de medische situatie van de individuele vreemdeling, de behandeling die voor die ene persoon noodzakelijk is, zowel wat betreft geneesmiddelen, behandelwijze en overige voorzieningen, en om de stand van zaken ten aanzien van die behandelmogelijkheden op dat moment in het land van herkomst. In beginsel zijn hiv-zaken aldus niet te vergelijken, aldus verweerder.
De rechtbank overweegt dat niet is gesteld of gebleken dat voornoemde zaken wat betreft de specifieke medische problematiek gelijk zijn aan de onderhavige zaak.
Voorts is de zaak van [naam] een van de aangedragen personen evenmin als gelijk geval te beschouwen nu het, anders dan de onderhavige zaak, in die zaak ging om de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking “voortgezet verblijf”.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldoende gemotiveerd waarom geen sprake is van gelijke gevallen.
4.1. Eiser stelt voorts dat verweerder had dienen te onderzoeken of bij de uitzetting aan de door het BMA gestelde voorwaarden kan worden voldaan. De rechtbank stelt vast dat uit het BMA-advies van 16 september 2008 volgt dat eiser in staat moet worden geacht te reizen. Ten aanzien van de reisvoorwaarden vooraf, tijdens en kort na de reis, heeft het BMA beschreven dat de medicatie gecontinueerd dient te worden en een schriftelijke overdracht van medische gegevens gewenst is.
4.2. De vergewisplicht houdt in dat verweerder zich reeds bij de beoordeling van de aanvraag ervan moet vergewissen dat het mogelijk is dat bij de daadwerkelijke verwijdering aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan en dat niet kan uitstellen tot het moment dat daadwerkelijk tot verwijdering wordt overgegaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 september 2008 (kenmerk 200708871/1, JV 2008, 393).
4.3. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, ten aanzien van de voorwaarde dat de medicatie gecontinueerd dient te worden, geen aanleiding bestaat om aan te nemen dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. Uit de beantwoording op vraag 4a in het BMA-advies van 16 september 2008 volgt duidelijk dat de voorwaarde dat de medicatie gecontinueerd dient te worden, ziet op het gebruik van medicatie direct na de reis. Anders dan eiser stelt valt hieruit niet af te leiden dat de medicatie maandenlang na aankomst in Ghana beschikbaar dient te zijn. De geformuleerde voorwaarden heeft verweerder niet nader hoeven te onderzoeken. Zonder nadere onderbouwing valt immers niet in te zien dat eiser, in samenwerking met verweerder, niet aan de gestelde voorwaarden zal kunnen voldoen. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat bij de daadwerkelijke verwijdering niet aan die voorwaarde zal kunnen worden voldaan.
5.1. Eiser heeft, tot slot, een beroep op artikel 3 van het EVRM gedaan. Blijkens de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 2 mei 1997 in zaak nr. 146/1996/767/964, St. Kitts (RV 1997, 70) en 6 februari 2001 in zaak nr. 44599/98, Bensaid (JV 2001/103) kan uitzetting in verband met de medische toestand van de uit te zetten persoon, onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, bij gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land, waarnaar wordt uitgezet, leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM. Zoals de AbRS eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 8 november 2005, kenmerk 200507278/1; JV 2005/477), blijkt uit deze arresten dat van zulke uitzonderlijke omstandigheden slechts sprake kan zijn, indien de desbetreffende vreemdeling lijdt aan een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium.
5.2. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 3 van het EVRM wordt geschonden, dient een individuele beoordeling van de feiten en omstandigheden plaats te vinden. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken. Uit het bestreden besluit en de werkwijze van verweerder volgt immers eenduidig dat enkel is gekeken naar de beschikbaarheid van de medische zorg in medisch-technische zin. Daaruit volgt, zonder nadere onderbouwing, nog niet dat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden met betrekking tot de vraag of terugkeer van eiser naar Ghana een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie oplevert. De enkele stelling ter zitting dat in eisers zaak wel naar de merites van het geval is gekeken, maakt het voorgaande niet anders.
6. Uit vorenstaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12 van de Awb. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard, het bestreden besluit worden vernietigd en bepaald worden dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.
Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening
7. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
8. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.
Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening
9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als de in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).
10. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 en artikel 8:82, vierde lid, van de Awb wijst de recht¬bank, respectievelijk de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver¬goeding van het door eiser betaalde griffierecht.
VI. BESLISSING
De rechtbank
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/38712
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;
De voorzieningenrechter
in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 08/38713
- wijst het verzoek af;
In alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier,
- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 290,-- (zegge: tweehonderdnegentig euro).
Deze uitspraak is door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Wielen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2009.
De griffier
De voorzitter/voorzieningenrechter
Afschrift verzonden op:
Conc: JW
Coll: ST
D: B
VK
Tegen de uitspraak op het beroep staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.