Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0824

Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/864 WAO + 08/865 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Anticumulatie. Herziening (verlaging) en terugvordering WAO-uitkering. De inkomsten van appellant moeten niet op maandbasis, maar op basis van een vier wekelijkse betaling met zijn maatmanloon worden vergeleken. De inkomsten zijn van invloed op de omvang van zijn aanspraken op grond van de WAO. De Raad stelt bovendien vast dat deze inkomsten hoger zijn dan het bedrag dat als vrij bij te verdienen loon is aangegeven in de ter zitting overgelegde brief van het USZO van 6 juni 2001, zodat het ook daarom voor appellant in redelijkheid duidelijk had kunnen en moeten zijn dat zijn WAO-uitkering over de betreffende maand vaak te hoog was. Niet strijdig met rechtszekerheidsbeginsel.


Uitspraak

08/864 WAO + 08/865 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 21 december 2007, 06/1152 en 06/1188 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 26 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. A.J. Vis, regiojurist bij de AbvaKabo, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door haar voornoemde raadsman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel. II. OVERWEGINGEN 1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hier volstaat de Raad met het volgende. 1.2. Appellant ontvangt sedert het einde van de tachtiger jaren een arbeidsongeschiktheidsuitkering (WAO), laatstelijk op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast heeft appellant inkomsten uit in loondienst verrichte werkzaamheden ontvangen. 1.3. Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het Uwv in verband met deze inkomsten de WAO-uitkering van appellant vanaf februari 2000 verlaagd. Bij besluit van 7 augustus 2006 zijn de bezwaren van appellant tegen dit besluit gegrond verklaard en is in verband met de inkomsten van appellant zijn WAO-uitkering vanaf 1 februari 2002 tot 25 april 2005 gedurende een aantal periodes naar een lager bedrag uitbetaald. 1.4. Bij besluit van 11 augustus 2006 heeft het Uwv het besluit van 7 augustus 2006 ingetrokken en het besluit van 9 maart 2006 herroepen, naar aanleiding van een nadere rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, waaruit volgt dat de inkomsten van appellant niet op maandbasis, maar op basis van een vier wekelijkse betaling met zijn maatmanloon dienden te worden vergeleken. Het Uwv heeft opnieuw beslist over de hoogte van de WAO-uitkering van appellant over genoemde periode, met toepassing van het bepaalde in artikel 44 WAO. Voorts heeft het Uwv de in de bezwaarprocedure gemaakte proceskosten aan appellant vergoed. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 1.5. Bij besluit van 1 mei 2006 heeft het Uwv de als gevolg van het besluit van 9 maart 2006 te veel betaalde WAO-uitkering, als zijnde onverschuldigd aan appellant betaald, teruggevorderd tot een bedrag ter hoogte van € 15.840,94. Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard en het terugvorderingbedrag bepaald op € 15.841,04. Appellant heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. 1.6. Hangende het geding in beroep heeft het Uwv bij besluit van 24 april 2007 het in de voorgaande overweging aangeduide besluit van 3 augustus 2006 ingetrokken, het besluit van 1 mei 2006 herroepen voor zover het betreft de hoogte van de terugvordering op grond van de WAO en het van appellant terug te vorderen bedrag bepaald op € 14.921,39. Aldus vordert het Uwv het naar aanleiding van het besluit van 11 augustus 2006 te veel aan WAO-uitkering aan appellant betaalde bedrag als zijnde onverschuldigd betaald van hem terug. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het (terugvordering)besluit van 3 augustus 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De beroepen van appellant tegen het (kortings)besluit van 11 augustus 2006 en het (terugvordering)besluit van 24 april 2007 heeft de rechtbank ongegrond verklaard. 3.1. Het hoger beroep richt zich tegen de ondergrondverklaring door de rechtbank van de beroepen tegen de beslissingen van 11 augustus 2006 en 24 april 2007. Appellant acht de verlaging met terugwerkende kracht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en is van mening dat de terugvordering tenminste deels is verjaard. 4. De Raad ziet aanleiding zich bij de beoordeling van het hoger beroep te beperken tot de beide in de vorige overweging samengevatte beroepsgronden en overweegt als volgt. 4.1. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 13 maart 2009, LJN BH6069, vloeit uit de bewoordingen van artikel 44 van de WAO voort dat het Uwv, indien het vaststelt dat aan de in artikel 44, eerste lid, van de WAO aangegeven voorwaarden is voldaan, niet kan overgaan tot intrekking of herziening van de uitkering maar gehouden is om over te gaan tot anticumulatie. Voorts is de Raad van oordeel dat de bewoordingen van dit artikel er in beginsel niet aan in de weg staan dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. Dit laat onverlet dat de toepassing van artikel 44 van de WAO onder omstandigheden in strijd kan zijn met onder meer het beginsel van rechtszekerheid. 4.2. Op grond van artikel 80 van de WAO was appellant verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van de inkomsten die hij ontving. Het feit dat zijn werkgever er in de overtuiging van appellant voor zorgde dat de omvang van zijn bijverdiensten niet boven het bedrag uitkwam dat hij mocht bijverdienen, ontslaat appellant dus niet van zijn verplichting zijn inkomsten eigener beweging in te vullen op het inlichtingenformulier dan wel anderszins te melden bij het Uwv. 4.3. De hoogte van zijn neveninkomsten zoals deze zijn opgenomen in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 18 juli 2006, wordt door appellant niet bestreden. Deze inkomsten zijn van invloed op de omvang van zijn aanspraken op grond van de WAO. De Raad stelt bovendien vast dat deze inkomsten hoger zijn dan het bedrag dat als vrij bij te verdienen loon is aangegeven in de ter zitting overgelegde brief van het USZO van 6 juni 2001, zodat het ook daarom voor appellant in redelijkheid duidelijk had kunnen en moeten zijn dat zijn WAO-uitkering over de betreffende maand vaak te hoog was. Dat appellant dat zelf mogelijk toch niet besefte en daarom te goeder trouw met een verlaging van zijn WAO-uitkering geen rekening heeft gehouden, kan daar niet aan afdoen. Het beroep van appellant op strijd met het rechtszekerheidsbeginsel, slaagt daarom niet. 4.4. Met betrekking tot de stelling dat de terugvordering tenminste ten dele is verjaard kan de Raad zich volledig vinden in hetgeen de rechtbank hieromtrent heeft overwogen en beslist, hetgeen inhoudt dat van verjaring geen sprake is. 5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de gronden van het hoger beroep geen doel treffen en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) T.R.H. van Roekel. JL