
Jurisprudentie
BJ0818
Datum uitspraak2009-06-09
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers3384346 KG ZA 09-678
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Datum gepubliceerd2009-07-01
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers3384346 KG ZA 09-678
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter
Indicatie
Overleveringswet: eiser vordert verbod overlevering aan Frankrijk wegens strijd met artikel 6 Overleveringswet.en ontbreken van een garantie in de zin van artikel 12 Overleveringswet.
De voorzieningenrechter zit geen reden om te twijfelen aan de door de Franse autoriteiten afgegeven garantie dat eiser desgewenst zijn zaak opnieuw kan laten beoordelen. De voorzieningenrechter wijst de vordering af.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector civiel recht - voorzieningenrechter
Vonnis in kort geding van 9 juni 2009,
gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 338346 / KG ZA 09-678 van:
[eiser],
wonende te [woonplaats], verblijvende in de penitentiaire inrichting '[PI]
eiser,
advocaat mr. J.B. Vallenduuk te Haarlem,
tegen:
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie),
zetelende te 's-Gravenhage,
gedaagde,
advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.
1. De feiten
Op grond van de stukken, waaronder ook het procesdossier van het eerder tussen partijen gevoerde kort geding onder nummer 329371 / KG ZA-09-121, en het verhandelde ter zitting van 2 juni 2009 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
1.1. Eiser, die de Nederlandse nationaliteit heeft, is bij vonnis van het Tribunal de Grande Instance de Perpignan (Frankrijk) veroordeeld tot onder meer een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar. Op 16 februari 2005 heeft het Cour d'Appel de Montpellier (Frankrijk), (hierna ook wel: Hof van Beroep) voornoemd vonnis bij verstek bekrachtigd voor wat betreft de opgelegde gevangenisstraf.
Dit vonnis is op 22 maart 2005 betekend ten parkette in Montpellier.
1.2. De procureur-generaal van het Cour d'Appel de Montpellier heeft op 15 maart 2005 een Europees aanhoudingsbevel (hierna: 'EAB') uitgevaardigd met betrekking tot eiser. In het EAB staat vermeld dat eiser opnieuw zal worden berecht indien hij gebruik maakt van het rechtsmiddel 'verzet'.
1.3. Naar aanleiding van het EAB heeft de officier van justitie een vordering ingediend bij de Internationale Rechtshulpkamer van de Rechtbank Amsterdam.
1.4. Vervolgens is een uitgebreide correspondentie ontstaan met betrekking tot de status van het tegen eiser gewezen arrest tussen enerzijds het Openbaar Ministerie (hierna:'OM') en de procureur-generaal van het Cour d'Appel, en anderzijds tussen de (voormalig) raadsman van eiser en diverse personen en instanties in Frankrijk. Deze correspondentie bevindt zich deels in de Franse, deels in de Engelse en deels in de Nederlandse taal in het procesdossier.
1.5. Bij brief van 21 maart 2006 heeft W. Ottavy, substituut procureur-generaal van het Cour d'Appel te Montpellier, aan het OM bericht dat voor eiser enkel nog het rechtsmiddel 'cassatie' (pourvoi en cassation) openstaat.
1.6. Bij brief aan het OM van 3 mei 2006 heeft Ottavy de eerdere mededeling herroepen en bericht dat voor eiser nog het rechtsmiddel 'verzet' openstaat. De brief luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:
"Het vonnis is bij verstek tegen hem uitgesproken, wat inhoudt dat [eiser] verzet als rechtsmiddel kan inroepen.
- Indien hij gebruik wil maken van het verzet, zal hij opnieuw berecht moeten worden door het Hof van Beroep (voorzieningenrechter: Cour d'Appel),
- Indien hij afziet van verzet, zal het vonnis uitgevoerd worden.
Het is dus bij vergissing dat U is gemeld dat het enige rechtsmiddel het niet opschortend hoger beroep (voorzieningenrechter: bedoeld is de cassatie vermeld onder 1.5) zou zijn."
1.7. Vervolgens heeft Ottavy bij brief van 10 mei 2006 aan het OM het volgende meegedeeld:
"In de door u verzonden verklaring zegt [eiser] duidelijk dat hij het verzet als rechtsmiddel niet wenst te gebruiken en de tenuitvoerlegging van het vonnis aanvaardt.
In deze omstandigheden kan het Europees arrestatiebevel van het Hof van Beroep van Montpellier uitgevoerd worden."
1.8. Een ongedateerd faxvoorblad van het OM gericht aan de heer Szegedi, de toenmalige advocaat van eiser, meldt:
"Hierbij de brief vanuit Frankrijk. Ik heb het besproken met Officier van Justitie Mul. Hij wil nog een bevestiging vanuit Frankrijk dat het arrest van het Hof van Beroep hiermee ten uitvoer gelegd kan worden. (...) Zodra wij die bevestiging hebben ontvangen, kunnen wij het Franse verzoek tot overlevering afwijzen."
1.9. Bij brief van 12 mei 2006 heeft Ottavy ten slotte het aan het OM bericht dat eiser hoe dan ook eerst naar Frankrijk zal moeten worden overgebracht alvorens hij afstand kan doen van zijn recht op verzet. Ottavy schrijft daartoe het volgende:
"Suite à nos différents courriers, il résulte que [eiser], condamné par défaut en France, a déclaré dans un courrier vouloir renoncer à exercer la voie de recours de l'opposition.
Toutefois, le mandat d'arrêt européen le concernant doit d'abord être exécuté.
Ce n'est qu'une fois parvenu en France, qu'il appartiendra à [eiser] de se prononcer sur l'exercice de cette voie de recours (...)
En l'état, la condamnation le concernant n'est pas définitive et [eiser] peut être à nouveau jugé sur ces faits s'il le désire. Donc l'arrêt de la Cour d'Appel ne peut être exécuté maintenant."
1.10. Bij uitspraak van 4 juli 2006 heeft de rechtbank Amsterdam de overlevering van eiser aan Frankrijk toelaatbaar geacht. Aan deze beslissing ligt mede ten grondslag het oordeel van de rechtbank dat voldoende gewaarborgd is dat eiser na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om, indien hij dat wenst, om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de zitting.
1.11. Eiser heeft zich vanaf juli 2006 tot januari 2009 onttrokken aan de overlevering naar Frankrijk.
1.12. Bij brief van 6 augustus 2007 heeft Jacques Martin, advocaat bij het Cour d'Appel te Montpellier en oud-deken aan de voormalig raadsman van eiser laten weten dat het vonnis onherroepelijk is. Zijn brief meldt daarover:
"L'arrêt a été signifié à Parquet le 22 mars 2005. Il est donc aujourd'hui définitif."
1.13. Bij e-mail van 27 november 2008 heeft de Franse liaison in Nederland ter zake van de overlevering van eiser het volgende aan het OM meegedeeld:
"As a conclusion:
-Mr [eiser] still has the right to challenge the conviction pronounced in France in abstentia,
- He has the right to be tried again in France in his presence,
- it is well understood that whenever the french sentence becomes final, it has to be implemented in The Netherlands, as Mr [eiser] is a dutch national. "
1.14. De Rechtbank Amsterdam heeft eind 2008 in (vier) andere Franse overleveringszaken een tussenbeslissing genomen en de zaken voor onbepaalde tijd aangehouden teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een aantal vragen aan het Franse Ministerie van Justitie voor te leggen. Deze vragen hebben betrekking op de zogenoemde 'verstekvonnissenproblematiek'. Deze vragen hebben onder meer betrekking op de uitvoerbaarheid van verstekvonnissen, het onherroepelijk worden van verstekvonnissen en de mogelijkheid tot het afstand doen van het rechtsmiddel verzet.
1.15. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft op 9 maart 2009 in kort geding een vonnis (met zaak- / rolnummer 329371 / KG ZA 09-121) gewezen tussen partijen (hierna: het vonnis van 9 maart 2009), waarbij het gedaagde is verboden eiser over te leveren aan Frankrijk zolang de rechtbank Amsterdam niet in een van de desbetreffende overleveringszaken heeft geoordeeld over de antwoorden van het Franse Ministerie van Justitie op de bovengenoemde vragen.
1.16. Bij brief van 3 maart 2009 heeft het Franse Ministerie van Justitie bovengenoemde vragen, voor zover relevant en weergegeven in de Nederlandse vertaling, als volgt beantwoord:
"Uit de combinatie van deze teksten blijkt dat de termijn waarbinnen verzet kan worden aangetekend slechts kan ingaan indien:
* De veroordeling is betekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 492 (voorzieningenrechter: Code de Procédure Pénale),
* De gevonniste persoon voorafgaand persoonlijk in kennis is gesteld van de betekening van de veroordeling, op zijn huisadres, op het kantoor van de deurwaarder of bij het OM,
* Indien deze volledige betekening niet heeft kunnen plaatsvinden dient de gezochte persoon in alle gevallen aan Frankrijk te worden overgeleverd om gevolg te kunnen geven aan het nationale aanhoudingsbevel.
Hoewel betekening door een buitenlandse gerechtelijke autoriteit mogelijk is, kan dit uitsluitend op verzoek van de Franse autoriteit die dat per geval beslist. (...)
(...)
- Ontvangst door de buitenlandse autoriteit van een door een Franse rechterlijke instantie uitgevaardigd EAB-verzoek kan niet worden beschouwd als startdatum voor de 30 dagen termijn van het rechtsmiddel van verzet. De "betekening" van het EAB-verzoek door de buitenlandse autoriteit kan de verzetstermijn in geen enkel geval in gang zetten.
(...)
Indien de gevonniste persoon binnen 30 dagen na betekening van het vonnis geen verzet heeft aangetekend, wordt het vonnis onherroepelijk.
Zonder betekening van het vonnis in Nederland, kan het vonnis pas onherroepelijk worden na betekening ervan in Frankrijk.
(...)
Indien een Nederlander na betekening gedurende 30 dagen zwijgt, geldt dit als dat hij afstand heeft gedaan van het rechtsmiddel van verzet. Hetzelfde geldt voor een Fransman aan wie het vonnis in Frankrijk is betekend, maar dan met een termijn van 10 dagen. (...)
(...)
Betrokkene kan verklaren dat hij zijn straf accepteert, maar de mogelijkheid blijft open staan om gedurende 30 dagen conform artikel 492 (voorzieningenrechter: Code de Procédure Pénale) verzet aan te tekenen."
1.17. Bij uitspraken van 7 mei 2009 heeft de Rechtbank Amsterdam in de vier onder 1.14 genoemde zaken overlevering toelaatbaar geacht. De rechtbank heeft aan deze beslissing mede ten grondslag gelegd dat "er naar Frans recht vanuit dient te worden gegaan dat er ten aanzien van de opgeëiste persoon geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling en dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering in de gelegenheid zal worden gesteld om een nieuw proces te verzoeken en aanwezig te zijn op de terechtzitting." In deze zaken is overigens niet duidelijk of het Franse verstekvonnis, zoals in het geval van eiser, betekend is ten parkette.
1.18. Bij brief van 14 mei 2009 heeft Martin, eerder genoemd onder 1.12, bericht aan de raadsman van eiser dat het arrest van 16 februari 2005 volgens hem definitief geworden is: "Selon moi, l'arrêt a été signifié le 22 mars 2005 à Parquet et la décision est définitive, (...)"
2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer
2.1. Eiser vordert, na wijziging van eis ter zitting - zakelijk weergegeven - (i) gedaagde te verbieden eiser feitelijk over te leveren wegens strijd met artikel 6 Overleveringswet, dan wel omdat er sprake is van het ontbreken van een garantie in de zin van artikel 12 Overleveringswet; (ii) gedaagde te bevelen de feitelijke overlevering op te schorten totdat er, indien nodig, in een civiele bodemprocedure is beslist.
2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan.
Het arrest van 16 februari 2005 is onherroepelijk geworden, aangezien het is betekend ten parkette op 22 maart 2005. Ingevolge artikel 492 Code de Procédure Pénale (hierna: 'CPP') heeft daarmee een geldige betekening plaatsgevonden. Nu eiser vervolgens door het uitbrengen van het EAB kennis heeft gekregen van die betekening, moet de termijn van dertig dagen van artikel 492 CPP zijn gaan lopen op 22 maart 2005 (de dag van de betekening ten parkette), dan wel op 22 maart 2006 (de dag van de betekening van het EAB), zodat het arrest van 16 februari 2005 op grond van artikel 492 CPP en de daar genoemde termijn thans onherroepelijk is geworden. Gelet op deze onherroepelijkheid, kan de zaak in Frankrijk niet meer inhoudelijk behandeld worden, zodat overlevering aan Frankrijk in strijd is met artikel 6 Overleveringswet (hierna: 'Olw'). Een en ander wordt ondersteund door de verklaring van Martin, de oud-deken. De garanties van de Franse procureur-generaal dat eiser desgewenst opnieuw zal worden berecht, kunnen derhalve niet worden waargemaakt, hetgeen strijdig is met artikel 12 Olw.
De brief van 3 maart 2009 alsmede de Amsterdamse vonnissen in de andere overleveringszaken zijn niet relevant, aangezien in die zaken geen sprake was van betekening ten parkette.
Daarnaast hadden de Franse autoriteiten ervoor kunnen kiezen om het arrest in Nederland aan eiser te betekenen, zodat overlevering van eiser aan Frankrijk niet meer nodig geweest zou zijn.
2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
3. De beoordeling van het geschil
3.1. De vraag die partijen verdeeld houdt, spitst zich toe op de vraag of de betekening ten parkette op 22 maart 2005 gevolgen heeft voor de onherroepelijkheid van het arrest van 16 februari 2005. Zou dat arrest onherroepelijk zijn, dan is er geen inhoudelijke behandeling van de zaak meer mogelijk en zou overlevering aan Frankrijk, mede gelet op hetgeen bepaald is in de artikelen 6 en 12 Olw, moeten worden geweigerd.
3.2. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het arrest van 16 februari 2005 onherroepelijk is geworden, aangezien dit arrest op 22 maart 2005 betekend is aan het parket van het Cour d'Appel te Montpellier en eiser hiermee uiterlijk door de betekening van het EAB op 22 maart 2006 bekend is geworden. In de visie van eiser moet de verzettermijn van artikel 492 CPP dan ook thans verlopen zijn.
3.3. Aan eiser moet worden toegegeven dat de berichtgeving met betrekking tot de onherroepelijkheid van het tegen hem gewezen arrest in eerste instantie tegenstrijdig was. Deze tegenstrijdigheid blijkt onder meer uit het onder 1.5 genoemde, en later herroepen, bericht van Ottavy van 21 maart 2006. Ook de door eiser geraadpleegde oud-deken, Martin, heeft zich op het standpunt gesteld dat het op 16 februari 2005 gewezen arrest onherroepelijk is. Daarnaast heeft, blijkens het onder 1.8 genoemde schrijven, ook het OM enige tijd in de veronderstelling verkeerd dat het arrest van 16 februari 2005 ten uitvoer kon worden gelegd en dat de overlevering om die reden moest worden afgewezen. Ten slotte moet aan eiser worden toegegeven dat in de brief van 3 maart 2009, alsmede in de naar aanleiding daarvan gewezen vonnissen van de Rechtbank Amsterdam niet duidelijk is of in de betreffende zaken sprake was van betekening ten parkette. Desalniettemin kan een en ander niet tot het oordeel leiden dat het tegen eiser gewezen arrest moet worden geacht onherroepelijk te zijn geworden. Redengevend daarvoor is het volgende.
3.4. Anders dan eiser betoogt, is de betekening ten parkette een noodzakelijke, doch geen voldoende voorwaarde voor het onherroepelijk worden van een gewezen verstekvonnis. Artikel 492 CPP dat in deze kwestie essentieel is, luidt in de Nederlandse vertaling als volgt:
"Indien de betekening van het vonnis niet persoonlijk aan de verdachte is gedaan, dient het verzet binnen de hierna volgende termijn te worden aangetekend, ingaand vanaf het moment van betekening aan het huisadres, ten kantore van de deurwaarder of bij het OM: tien dagen indien de verdachte in Frankrijk verblijft, en één maand indien hij buiten Frankrijk verblijft.
Echter, als het gaat om een veroordeling en niet blijkt, hetzij uit het bewijs van overhandiging van de aangetekende brief of het bewijs van ontvangst zoals vermeld in artikel 557 en 558, hetzij uit enige uitvoeringsakte of bericht zoals vermeld in artikel 560, dat de verdachte/gevonniste persoon kennis heeft gehad van de betekening, dan blijft het (voor) verzet ontvankelijk, zowel voor wat betreft de civielrechtelijke belangen als voor wat betreft de strafrechtelijke veroordeling, tot het moment van de verjaring van de straf.
In de gevallen bedoeld in de vorige alinea, vangt de termijn waarin verzet kan worden ingesteld aan op de dag dat de verdachte die kennis heeft gekregen."
Deze bepaling stelt derhalve, in het geval de betekening niet persoonlijk aan de verdachte is gedaan, niet alleen als voorwaarde voor het onherroepelijk worden van een veroordelend vonnis dat er betekening bij onder andere het OM (ten parkette) heeft plaatsgevonden, maar ook dat de verdachte op voorgeschreven wijze kennis heeft genomen van die betekening. Eerst indien de verdachte op de voorgeschreven wijze kennis heeft genomen van de betekening, vangt de verzettermijn aan.
De door eiser gestelde - en door gedaagde erkende - betekening ten parkette is derhalve niet van doorslaggevend belang voor het onherroepelijk worden van het tegen eiser gewezen arrest. Cruciaal is de wijze van kennisneming van de betekening ten parkette door eiser, die ingevolge art 492 CPP op de in de artikelen 557, 558 of 560 voorgeschreven wijze dient te geschieden. Ingevolge deze bepalingen dient er ofwel sprake te zijn van de ontvangst van een van de deurwaarder afkomstig aangetekend schrijven, dan wel van een (schriftelijke) mededeling van een door de Franse officier van justitie aangewezen (opsporings)ambtenaar. Het betoog van eiser dat hij middels de betekening van het EAB op 22 maart 2006 kennis heeft genomen van de betekening, kan niet worden aanvaard. Eiser heeft immers niet gesteld dat die wijze van kennisname is voorzien in artikel 492 CPP en volgens de onder 1.16 geciteerde brief van de Franse autoriteiten kan betekening van het EAB in geen enkel geval de verzettermijn in gang zetten.
Dat Ottavy in haar brief van 21 maart 2006 aanvankelijk heeft bericht dat het tegen eiser gewezen arrest onherroepelijk was, kan eiser niet baten, aangezien zij deze mededeling kort daarna, bij brief van 3 mei 2006, gemotiveerd heeft herroepen en zij sindsdien dat eerdere standpunt niet meer heeft ingenomen.
Hetzelfde heeft te gelden voor de zienswijze van het OM. Uit de overgelegde correspondentie blijkt dat het OM vragen had over de (on)herroepelijkheid van het tegen eiser gewezen arrest. Gebleken is dat het OM dezelfde twijfels ook in andere verstekzaken had en dat deze twijfel door het schrijven van 3 maart 2009 van het Franse Ministerie van Justitie is weggenomen. Hiertegenover legt de mening van Martin - dat wel sprake zou zijn van een onherroepelijk arrest - onvoldoende gewicht in de schaal, temeer aangezien hij in zijn brieven enkel spreekt over de betekening ten parkette en niet over de (voorgeschreven wijzen van) kennisname ervan.
3.5. Op grond van het voorgaande moet geoordeeld worden dat op geen enkele wijze is gebleken dat de in artikel 492 CPP genoemde verzettermijn in gang is gezet of is verstreken, zodat de voorzieningenrechter geen reden ziet om te twijfelen aan de door de Franse autoriteiten afgegeven garantie dat eiser desgewenst zijn zaak opnieuw kan laten beoordelen. Het betoog van eiser dienaangaande kan derhalve niet worden gevolgd, zodat zijn vordering dient te worden afgewezen. Dat de Franse autoriteiten ervoor hadden kunnen kiezen om het arrest in Nederland aan eiser te betekenen, neemt niet weg dat Frankrijk bevoegd is om de overlevering van eiser te verzoeken, hetgeen door gedaagde dient te worden toegestaan indien is voldaan aan de eisen die de Olw daaraan stelt.
3.6. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.
4. De beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het gevorderde af;
- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.078,-, waarvan € 816,- aan salaris advocaat en € 262,- aan griffierecht;
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2009.
WJ