Jurisprudentie
BJ0791
Datum uitspraak2009-05-14
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsAmsterdam
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/16214
Statusgepubliceerd
SectorPresident
Indicatie
Vreemdelingenbewaring / voortvarendheid / weekend en feestdagen
Eiser is op 29 april 2009 overgeplaatst naar het huis van bewaring. Eerst op 6 mei 2009 is het dossier van eiser overgedragen. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 10 december 2008, LJN: BG7512 en 24 december 2008, LJN BG9501) is bij een dergelijke tijdsverloop sprake van verwijtbaar stilzitten – en daarmee onvoldoende voortvarend handelen – indien van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden die dit tijdsverloop hebben veroorzaakt noch van niet-medewerking aan de uitzetting door de vreemdeling is gebleken.
Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het tijdsverloop mede is veroorzaakt door een in die periode gelegen weekend en feestdagen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet als bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden als hiervoor bedoeld, kunnen gelden. Immers, indien sprake is van een, reeds lang voorzienbare, aaneenschakeling van dagen die niet als reguliere werkdag zijn aan te merken, mag van de staatssecretaris worden verlangd dat hij de nodige voorzieningen treft om de vereiste voortvarendheid in die periode te kunnen blijven betrachten.
Uitspraak
Rechtbank 's-Gravenhage
zittinghoudende te Amsterdam
enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken
Proces-verbaal van de zitting van 14 mei 2009 inhoudende mondelinge
Uitspraak
op grond van artikel 8:67 j? 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
jo artikel 94 en 106 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
reg. nr.: AWB 09/16214
V-nr.: *
inzake: eiser [naam][, van (gestelde) Bulgaarse nationaliteit, verblijvende in detentie, eiser,
gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde: mr. M.D. Gunster, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.
Eiser is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door mr. L.M. Weber, kantoorgenoot van eisers gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig E.Babani tolk in de Albanese taal.
Op 6 mei 2009 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.
Het onderhavige beroep betreft een eerste beroep. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
MOTIVERING
Eiser heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
Blijkens het proces-verbaal van verhoor van 27 april 2009 is eiser door verbalisanten verhoord in de Roemeense taal. Eiser vraagt zich af of verbalisanten de Roemeense taal beheersen.
Voorts voert eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Eiser is op 27 april 2009 in bewaring gesteld en op 29 april 2009 naar het huis van bewaring overgebracht. Echter het dossier van eiser is pas op 6 mei 2009 overgedragen aan de dienst Terugkeer en Vertrek. Dit is verwijtbaar stil zitten van verweerder temeer daar eiser meewerkt en op 27 april 2009 zijn identiteit kenbaar heeft gemaakt. Eiser verzoekt schadevergoeding vanaf 4 mei 2009 de dag dat het dossier overgedragen had moeten worden.
Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd.
De maatregel is rechtmatig opgelegd. Het voortraject is niet betwist. Eiser heeft eerst een valse naam opgegeven. Op 27 april 2009 is eiser verhoord, op 29 april 2009 overgebracht naar het huis van bewaring. Het dossier is weliswaar pas op 6 mei 2009 overgedragen, maar onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 12 juni 2008 onder nummer 200803529/1, die vermeld dat binnen de periode van overdracht van het dossier een vertraging door feestdagen moet worden meegewogen. Op 11 mei heeft eiser zijn paspoort overgelegd. Verweerder zal spoedig een vertrekgesprek voeren alsook een vlucht aanvragen.
Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan, indien het belang van de openbare orde dat vordert, met het oog op de uitzetting, in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.
De stelling van eiser dat er ten onrechte in het proces-verbaal (pv) van verhoor van 27 april 2009 staat vermeld dat de verbalisanten de Roemeense taal beheersen kan, wat daar verder ook van zij, niet tot onrechtmatigheid van de bewaring leiden. De inhoud van het verhoor wordt door eiser niet betwist en eiser heeft voorts ook niet gesteld op grond waarvan deze eventuele foutieve weergave tot onrechtmatigheid van de bewaring zou moeten leiden.
Voor de vraag of verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld overweegt de rechtbank als volgt.
Eiser is op 29 april 2009 overgeplaatst naar het huis van bewaring. Eerst op 6 mei 2009 is het dossier van eiser overgedragen. Ingevolge jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (uitspraak van 10 december 2008, LJN: BG7512 en 24 december 2008, LJN BG9501) is bij een dergelijke tijdsverloop sprake van verwijtbaar stilzitten – en daarmee onvoldoende voortvarend handelen – indien van bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden die dit tijdsverloop hebben veroorzaakt noch van niet-medewerking aan de uitzetting door de vreemdeling is gebleken.
Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat het tijdsverloop mede is veroorzaakt door een in die periode gelegen weekend en feestdagen. De rechtbank is van oordeel dat deze omstandigheden niet als bijzondere, niet aan de staatssecretaris toe te rekenen omstandigheden als hiervoor bedoeld, kunnen gelden. Immers, indien sprake is van een, reeds lang voorzienbare, aaneenschakeling van dagen die niet als reguliere werkdag zijn aan te merken, mag van de staatssecretaris worden verlangd dat hij de nodige voorzieningen treft om de vereiste voortvarendheid in die periode te kunnen blijven betrachten.
Nu voorts niet is gesteld noch anderszins is gebleken dat eiser na het opleggen van de vreemdelingenbewaring geen medewerking aan zijn uitzetting heeft verleend, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van verwijtbaar stilzitten en aldus onvoldoende voortvarend handelen.
Het beroep zal dan ook gegrond worden verklaard.
Uit voornoemde uitspraken van de AbRS leidt de rechtbank voorts af dat het er in een situatie als de onderhavige voor moet worden gehouden dat de opgelegde maatregel van meet af aan niet gerechtvaardigd is te achten. Nu eiser echter eerst met ingang van 4 mei 2009 om schadevergoeding heeft verzocht, zal een schadevergoeding met ingang van 4 mei 2009 worden toegekend.
BESLISSING
De rechtbank verklaart het beroep gegrond, beveelt dat de bewaring ingaande 14 mei 2009 wordt opgeheven, veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 800,-- (zegge: achthonderd euro), te betalen aan eiser; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier van deze rechtbank.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.
H.C. Hagen
griffier
mr. R.H.G. Odink
voorzitter
afschrift verzonden op:
Conc.: HH
Coll.:
D: B
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.