Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0752

Datum uitspraak2009-04-01
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Amsterdam
Zaaknummers13.497.142-2009 / 09/1074
Statusgepubliceerd


Indicatie

Art. 6, vijfde lid, OLW. Interlocutoire uitspraak. Heropening onderzoek teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit een terugkeergarantie te verzoeken.


Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER Parketnummer: 13.497.142-2009 RK nummer: 09/1074 Datum uitspraak: 1 april 2009 INTERLOCUTOIRE UITSPRAAK op de vordering en de aanvullende vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vorderingen dateren van 16 februari 2009 respectievelijk 4 maart 2009 en strekken onder meer tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB), uitgevaardigd op 6 februari 2009 door de Vice-Procureur van de Republiek (Vice-Procureur de la Republique) bij de arrondissementsrechtbank (Tribunal de Grande Instance) te Lyon, Frankrijk. Dit bevel betreft de aanhouding en overlevering van: [opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum], ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], thans gedetineerd in huis van bewaring “Almere Binnen” te Almere, hierna te noemen de opgeëiste persoon. 1. Procesgang De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 maart 2009. Daarbij zijn de officier van justitie, de opgeëiste persoon en zijn raadsman, mr. J.Y. Taekema, advocaat te ’s-Gravenhage, gehoord. De opgeëiste persoon is bijgestaan door een tolk in Arabische taal. 2. Grondslag en inhoud van het EAB Aan het EAB ligt een arrestatiebevel (Mandat d’arrêt) d.d. 6 februari 2009, afkomstig van de onderzoeksrechter (Juge d’instruction) bij de arrondissementsrechtbank (Tribunal de Grande Instance) te Lyon, ten grondslag. Het EAB houdt het verzoek in om overlevering ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek. Dit onderzoek betreft het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan 6 naar het recht van Frankrijk strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en in een brief afkomstig van de uitvaardigende justitiële autoriteit d.d. 3 maart 2009, waarvan door de griffier gewaarmerkte fotokopieën als bijlagen aan deze uitspraak zijn gehecht. Het EAB houdt verder een verzoek in om inbeslagname en afgifte van de voorwerpen die zijn aangetroffen in het bezit van de opgeëiste persoon. 3. Identiteit van de opgeëiste persoon De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn, en dat hij niet de Nederlandse, maar de Marokkaanse nationaliteit heeft. 4. Strafbaarheid Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Naar de mening van de uitvaardigende justitiële autoriteit vallen de feiten onder de nummers 1 en 5 op bijlage 1 bij de OLW, te weten: Deelneming aan een criminele organisatie Illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen De raadsman heeft gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit, waar het betreft de deelneming aan een criminele organisatie, niet in redelijkheid tot dit oordeel heeft kunnen komen, nu hoogst onaannemelijk is dat een leverancier van verdovende middelen tot dezelfde criminele organisatie behoort als waar ook de afnemers van die leverancier en de klanten van die afnemers deel van uitmaken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. Uit het EAB en de aanvullende informatie komt naar voren dat de opgeëiste persoon er in Frankrijk van wordt verdacht deel uit te maken van een criminele organisatie die zich bezighoudt met het importeren van drugs in Frankrijk teneinde deze drugs vervolgens aldaar door te verkopen. De rol die de opgeëiste persoon binnen de aldus omschreven organisatie zou hebben wordt in de stukken nader uiteengezet. Nu niet kan worden gezegd dat de uitvaardigende autoriteit niet in redelijkheid tot de stelling heeft kunnen komen dat het door haar omschreven verband als een criminele organisatie moet worden aangemerkt, en evenmin dat de rol van de opgeëiste persoon onvoldoende is omschreven, voldoet de door de Franse autoriteiten gegeven omschrijving van de feiten aan de eisen die terzake op grond van de wet mogen worden gesteld. Voorzover de raadsman mede heeft willen betogen dat het bestaan van de door de uitvaardigende autoriteit gestelde organisatie niet zal kunnen worden bewezen, ziet dit verweer op het bewijs dat de opgeëiste persoon de hem verweten feiten heeft begaan. De waardering van dit bewijs dient echter bij uitsluiting te geschieden door de Franse rechter die na overlevering over de feiten waarvoor de overlevering wordt toegestaan, zal moeten oordelen. De rechtbank is van oordeel dat, uitgaande van de in rubriek e) van het EAB vermelde gegevens, de uitvaardigende justitiële autoriteit in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de feiten kunnen worden aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld. 5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a OLW Uit het dossier blijkt dat de feiten waarvoor de Franse justitiële autoriteiten de opgeëiste persoon willen vervolgen, gedeeltelijk in Nederland zijn gepleegd. Artikel 13, eerste lid onder a van de OLW verbiedt in dit geval de overlevering voor deze feiten. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel heeft de officier van justitie gevorderd dat om redenen van goede rechtsbedeling wordt afgezien van bedoelde weigeringsgrond nu: 1. Slechts een deel waarvoor overlevering wordt verzocht gedeeltelijk op Nederlands grondgebied is gepleegd, te weten het inkopen en/of leveren van de verdovende middelen; 2. De opsporing en vervolging van het strafbare feit in Frankrijk is aangevangen en het onderzoek daar al langere tijd loopt, waarbij o.a. ook rechtshulpverzoeken aan Nederland zijn gedaan; 3. De medeverdachten in voorlopige hechtenis in Frankrijk zitten en tezamen met de opgeëiste persoon ter terechtzitting dienen te verschijnen in Frankrijk, waarmee de vervolging en berechting geconcentreerd blijft/wordt; 4. Het noodzakelijk wordt geacht dat de opgeëiste persoon gehoord wordt omtrent de feiten waarvan hij wordt beschuldigd en eventueel geconfronteerd wordt met medeverdachten in Frankrijk; 5. De bewijsmiddelen – onder meer in de vorm van inbeslaggenomen drugs en verklaringen van medeverdachten – in Frankrijk voorhanden zijn; 6. De rechtsorde in Frankrijk rechtstreeks is aangetast, nu de verdovende middelen voor de Franse markt bedoeld waren en/of daar in beslag zijn genomen; De raadsman daarentegen is van mening dat vervolging en berechting in Nederland dienen te geschieden nu de feiten ten dele in Nederland zijn gepleegd, en belangrijk ontlastend bewijsmateriaal zich in Nederland bevindt, terwijl de Franse justitie slechts beschikt over afgeluisterde telefoongesprekken. Deze telefoongesprekken kunnen echter gemakkelijk worden overgedragen aan de Nederlandse justitie. Voorts heeft hij er op gewezen dat de opgeëiste persoon getrouwd is met een Nederlandse en dat ook hun kinderen de Nederlandse nationaliteit bezitten. De rechtbank is van oordeel dat, gezien de door de officier van justitie aangevoerde gronden, zij in redelijkheid tot haar vordering heeft kunnen komen. Gelet op het bepaalde in artikel 13, tweede lid, van de OLW dient daarom te worden afgezien van de in artikel 13, eerste lid, van de OLW bedoelde weigeringsgrond. 6. Overige verweren Ter zitting beluisteren van de afgeluisterde telefoongesprekken. De raadsman heeft voor aanvang van de zitting aan de officier van justitie verzocht om de opgenomen telefoongesprekken aan het dossier toe te voegen en deze ter zitting ten gehore te (doen) brengen. De officier van justitie heeft afwijzend op dit verzoek gereageerd. De raadsman stelt dat het de opgeëiste persoon hierdoor onmogelijk is gemaakt om een onschuldverweer te voeren. Uit het beluisteren van de opgenomen gesprekken kan immers blijken dat de opgeëiste persoon niet aan deze gesprekken deelneemt. Voorzover de raadsman met zijn opmerking heeft betoogd dat in de weigering van de officier van justitie een uitleveringsbeletsel is gelegen, wordt dit verweer verworpen. De OLW schept voor de uitvaardigende justitiële autoriteit niet een verplichting om in Nederland eventueel voorhanden zijnde bewijsmiddelen, op welke wijze dan ook, aan de opgeëiste persoon ter beschikking te stellen. Artikel 26, vierde lid, van de OLW strekt evenmin zover dat de opgeëiste persoon door de officier van justitie dan wel de rechtbank dient te worden gefaciliteerd in het onderbouwen van een bewering als bedoeld in dat artikellid. De vraag of uit de in Frankrijk aanwezige bewijsmiddelen de schuld dan wel onschuld van de opgeëiste persoon voortvloeit, ziet op de waardering van het bewijs en kan derhalve in de onderhavige overleveringsprocedure geen rol spelen. Vervolging in Nederland. De raadsman heeft voorts opgemerkt dat er in Nederland nog een vervolging gaande is nu de opgeëiste persoon in 2003 hier te lande is aangehouden en in verzekering gesteld in verband met een overtreding van de Opiumwet, terwijl hij voor dit feit nooit een dagvaarding dan wel een sepotbeslissing heeft ontvangen. Naar zijn mening staat artikel 9 OLW dan wel artikel 36 OLW aan overlevering in de weg. De rechtbank stelt vast dat het feit waarvoor de opgeëiste persoon in 2003 is aangehouden een ander feit is dan waarvoor thans de overlevering wordt verzocht. De weigeringsgrond van artikel 9, eerste lid aanhef en onder a, van de OLW vormt derhalve geen beletsel voor overlevering. Zo er in Nederland nog een vervolging gaande is voor genoemd feit uit 2003, dient op grond van artikel 36 OLW, nadat de overlevering door de rechtbank is toegestaan, de beslissing omtrent de feitelijke overlevering te worden aangehouden dan wel kan onder omstandigheden de opgeëiste persoon voorlopig ter beschikking worden gesteld van de uitvaardigende justitiële autoriteit. De rechtbank komt op dit punt dan ook geen bevoegdheid toe. Het verweer wordt verworpen. Beslag De raadsman is van mening dat de afgifte aan de uitvaardigende justitiële autoriteit van de inbeslaggenomen mobiele telefoon en het inbeslaggenomen geld dient te worden geweigerd nu zich bij de stukken geen beslaglijst bevindt. Bovendien heeft het inbeslaggenomen geld geen bewijswaarde, omdat de herkomst van daarop mogelijk aanwezige sporen van verdovende middelen niet zal zijn vast te stellen, aldus de raadsman. De rechtbank constateert dat zich bij de stukken een kennisgeving van inbeslagneming bevindt, waaruit blijkt dat een mobiele telefoon van het merk Nokia en een bedrag van € 11.164,15 op 11 februari 2009 onder de opgeëiste persoon in beslag zijn genomen. In zoverre faalt het betoog van de raadsman reeds daarom. Uit een brief van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 11 maart 2009 blijkt verder dat de afgifte van zowel de telefoon als het geld wordt gevraagd teneinde onderzoek te doen met oog op bewijsvergaring. De vraag in hoeverre een dergelijk onderzoek effectief zal zijn, staat niet ter beoordeling van de rechtbank. Het verweer wordt verworpen. 7. Beraadslaging Tijdens de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest. Artikel 6, vijfde lid, van de OLW 7.1 De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon aanspraak kan doen gelden op een terugkeer- en omzettingsgarantie. Nu deze niet is verleend, dient de overlevering te worden geweigerd. Ter beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon na een eventuele veroordeling in Frankrijk zijn verblijfstitel in Nederland zal verliezen dient volgens hem te zijner tijd eerst een uitgebreide weging van de belangen plaats te vinden, waarbij ook aan artikel 8 EVRM moet worden getoetst. 7.2 De officier van justitie heeft erop gewezen dat de IND in de brief van 3 maart 2009 heeft meegedeeld dat de verblijfsvergunning van de opgeëiste persoon na een onherroepelijke veroordeling in Frankrijk ter zake de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, naar verwachting zal worden ingetrokken. Aldus voldoet de opgeëiste persoon niet aan het in artikel 6, vijfde lid, van de OLW gestelde vereiste dat ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De opgeëiste persoon kan derhalve geen aanspraak maken op een terugkeergarantie. Subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat de opgeëiste persoon wel voldoet aan de in artikel 6, vijfde lid, van de OLW bedoelde voorwaarden, verzoekt zij de behandeling aan te houden teneinde haar in de gelegenheid te stellen aan de Franse justitiële autoriteiten te vragen of zij bereid zijn een terugkeergarantie te verstrekken. 7.3 De rechtbank overweegt als volgt. In artikel 6, eerste lid, van de OLW is bepaald dat overlevering van een Nederlander kan worden toegestaan voor zover deze is gevraagd ten behoeve van een tegen hem gericht strafrechtelijk onderzoek en naar het oordeel van de uitvoerende justitiële autoriteit is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan. In artikel 6, vijfde lid, van de OLW is onder meer bepaald dat het eerste lid eveneens van toepassing is op een vreemdeling met een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, voor zover hij in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggen en voor zover ten aanzien van hem de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon sinds 27 maart 2003 rechtmatig verblijf in Nederland geniet en sinds 19 februari 2008 in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. De rechtbank is op grond daarvan van oordeel dat de opgeëiste persoon in het kader van de beoordeling van artikel 6, vijfde lid, van de OLW gelijk dient te worden gesteld met een vreemdeling in het bezit van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. De rechtbank stelt voorts vast dat wordt voldaan aan de in artikel 6, vijfde lid, van de OLW genoemde voorwaarde dat de opgeëiste persoon in Nederland kan worden vervolgd voor de feiten welke aan het EAB ten grondslag liggen, nu deze feiten deels in Nederland zijn gepleegd. De IND heeft in de brief van 3 maart 2009 vermeld: “Gelet op de verblijfsduur van betrokkene, de te verwachten strafrechtelijke veroordeling ter zake bovengenoemde strafbare feiten en de thans bekende feiten en omstandigheden zal de verblijfsvergunning van betrokkene worden ingetrokken.” Daarbij is de IND uitgegaan van een rechtmatig verblijf van de opgeëiste persoon in Nederland sinds 27 maart 2003 en een op grond van de richtlijnen van het openbaar ministerie vastgestelde strafeis ten aanzien van de feiten die ten grondslag liggen aan het EAB van zeven jaren. Vervolgens is door de IND het voorbehoud gemaakt dat de eventuele verblijfsbeëindiging niet in strijd dient te zijn met artikel 8 EVRM. De vraag of verblijfsbeëindiging in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM kan volgens de IND op grond van de nu beschikbare informatie niet voldoende worden beantwoord. De rechtbank merkt op dat de toetsing aan het bepaalde in artikel 8 EVRM in een zaak als de onderhavige van dwingend belang is, gelet op het bestaan van ‘family life’ tussen de opgeëiste persoon, zijn Nederlandse vrouw en hun twee kinderen. Gezien het door de IND gemaakte voorbehoud is de rechtbank van oordeel dat op basis van de brief van de IND van 3 maart 2009 thans niet kan worden geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de in artikel 6, vijfde lid, van de OLW genoemde voorwaarde, dat ten aanzien van de opgeëiste persoon de verwachting bestaat dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van een hem na overlevering opgelegde straf of maatregel. De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat de overlevering alleen kan worden toegestaan indien door de Franse justitiële autoriteiten een garantie wordt verstrekt dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet. 8. Beslissing De rechtbank heropent het onderzoek ter zitting, en schorst dit voor onbepaalde tijd teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen aan de Franse justitiële autoriteiten een garantie te verzoeken dat, zo de opgeëiste persoon ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan en dat deze straf met toepassing van artikel 11 van het VOGP zal kunnen worden omgezet. Beveelt de oproeping van de opgeëiste persoon en diens raadsman tegen een nader te bepalen datum. Beveelt de oproeping van een tolk voor de Arabische taal tegen een nader te bepalen dag en tijdstip. Aldus gedaan door mr. F. Salomon, voorzitter, mrs. A. Belcheva en W.J. van Bennekom, rechters, in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 1 april 2009. De jongste rechter is buiten staat deze uitspraak te tekenen. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.