Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0747

Datum uitspraak2009-06-02
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Hertogenbosch
ZaaknummersAWB 07/3071
Statusgepubliceerd


Indicatie

Eiseres heeft haar inschrijving bij de CWI niet tijdig verlengd. Aanvankelijk heeft verweerder een maatregel van 10% gedurende 324 kalenderdagen opgelegd. Naar aanleiding van o.a. CRvB 14 mei 2008, LJN: BD 3534 heeft verweerder een nieuw besluit genomen en een maatregel opgelegd van 10% gedurende 26 weken. De rechtbank acht de duur van deze maatsregel evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate waarin eiseres de gedraging kan worden verweten. Een tijdvak van 26 weken moet redelijkerwijs voldoende zijn om relevante gegevens op adequate wijze administratief te verwerken. Dat betekent dat een periode van 26 weken, waarin eiseres niet-ingeschreven stond bij de CWI, niet (mede) is te wijten aan verweerder, maar volledig eiseres is toe te rekenen.


Uitspraak

RECHTBANK ’s-HERTOGENBOSCH Sector bestuursrecht Zaaknummer: AWB 07/3071 Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2009 inzake [eiseres], te [woonplaats], eiseres, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), te Amsterdam, verweerder, gemachtigde mr. J.J.C. Röttjers, werkzaam bij het Uwv-kantoor te Eindhoven. Procesverloop Bij besluit van 19 juni 2007 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Werkloosheidswet (WW) bij wijze van maatregel met ingang van 1 juli 2006 gedurende 46 weken met 20% verlaagd. Het hiertegen door eiseres gemaakte bezwaar is door verweerder bij besluit van 1 augustus 2007 gegrond verklaard, waarbij in plaats van bovengenoemde maatregel de uitkering met ingang van 1 juli 2006 gedurende 324 kalenderdagen met 10% is verlaagd. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep in de uitspraak van 19 oktober 2007 met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. In de uitspraak van 3 maart 2008 heeft de rechtbank het verzet van eiseres tegen bovengenoemde uitspraak gegrond verklaard. Ingevolge het bepaalde in het zevende lid van voornoemd artikel is daarmee de uitspraak van de rechtbank van 19 oktober 2007 vervallen en dient het onderzoek te worden voortgezet in de stand waarin het zich bevond. Het beroep is behandeld ter zitting van 17 september 2008, waar eiseres is verschenen in persoon. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. De rechtbank heeft, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:64, eerste lid, van de Awb, het onderzoek ter zitting geschorst, aangezien verweerder ter zitting heeft aangekondigd een gewijzigde beslissing op bezwaar te zullen nemen. Bij besluit van 19 september 2008 heeft verweerder een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. In die beslissing heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard, waarbij in plaats van bovengenoemde maatregel de uitkering met ingang van 1 juli 2006 gedurende 26 weken met 10% is verlaagd. De rechtbank heeft partijen verzocht toestemming te verlenen om uitspraak te doen zonder nadere zitting als bedoeld in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb. Daarbij is aangegeven dat in deze zaak uitspraak wordt gedaan door een andere rechter dan te wiens overstaan het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden. Partijen hebben de bedoelde toestemming verleend. Op 25 mei 2009 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Ingevolge artikel 6:18, eerste en tweede lid, van de Awb brengt het aanhangig zijn van bezwaar of beroep tegen een besluit geen verandering in een los van het bezwaar of beroep reeds bestaande bevoegdheid tot intrekking of wijziging van dat besluit. Verweerder heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door bij besluit van 19 september 2008 zijn besluit van 1 augustus 2007 te wijzigen. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank het beroep mede gericht achten tegen het besluit van 19 september 2008. 2. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat verweerder zijn besluit van 1 augustus 2007 in ongewijzigde vorm niet langer heeft willen handhaven. Eiseres heeft derhalve geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit van 1 augustus 2007. Het door eiseres ingestelde beroep tegen dat besluit dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard. 3. In dit geding is vervolgens aan de orde de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de WW-uitkering van eiseres met ingang van 1 juli 2006 heeft verlaagd met 10% voor de duur van 26 weken. 4. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het onderhavige geding uit van de volgende feiten en omstandigheden. 5. Eiseres heeft van 1 september 2005 tot 21 mei 2007 een (aanvullende) WW-uitkering ontvangen. Zij was tot 1 juli 2006 bij de Centrale organisatie werk en inkomen (CWI) ingeschreven. 6. Blijkens de gedingstukken ligt aan het hier bestreden besluit het standpunt ten grondslag dat eiseres volgens de WW verplicht is de registratie als werkzoekende bij de CWI tijdig te doen verlengen, aan welke verplichting eiseres zich niet heeft gehouden. Bij controle door verweerder op 21 mei 2007 is gebleken dat de inschrijving van eiseres bij de CWI op 1 juli 2006 is verlopen en dat eiseres sinds laatstgenoemde datum op haar werkbriefjes steeds een fictieve uiterste registratiedatum bij de CWI heeft ingevuld. Gelet op de omstandigheden kan de overtreding eiseres niet volledig worden aangerekend. Er is echter geen sprake van het geheel ontbreken van verwijtbaarheid. Eiseres heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen geven om wegens dringende reden af te zien van de maatregel, aldus verweerder. Naar aanleiding van de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 14 mei 2008 en van 4 juni 2008, zoals gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, respectievelijk onder LJN: BD3534 en LJN: BD5893, heeft verweerder zijn beleid gewijzigd en de maximale termijn voor het opleggen van een maatregel als de onderhavige gesteld op 26 weken. De reden daarvoor is dat door middel van een eenvoudige handmatige controle achterhaald had kunnen worden dat eiseres niet meer ingeschreven stond bij de CWI en dat van verweerder een actievere houding mag worden verwacht, namelijk dat eens in de 26 weken een dergelijke controle wordt uitgevoerd. Dit betekent dat verweerder de periode dat eiseres langer niet ingeschreven stond dan 26 weken, voor zijn rekening neemt. 7. Eiseres heeft in beroep onder andere aangevoerd dat in juli 2006 haar broer is overleden en dat zij daarvoor van alles heeft moeten regelen. Uit telefonische contacten met zowel de CWI als het Uwv in die periode heeft zij opgemaakt dat wat betreft haar inschrijving als werkzoekende bij de CWI alles in orde was en dat zij gewoon ingeschreven stond. Daarom kan volgens eiseres niet worden staande gehouden dat zij dus haar inschrijving “domweg” vergeten zou zijn. Voor het overige heeft eiseres aangevoerd steeds aan haar sollicitatie- en reïntegratieverplichtingen te hebben voldaan en gedurende de tijd dat zij een uitkering genoot, slechts één keer een verwijzing te hebben gehad. 8. De rechtbank overweegt als volgt. 9. Ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW is de werknemer verplicht zich als werkzoekende bij de CWI te laten registreren en die registratie tijdig te doen verlengen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 25, derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. 10. Ingevolge artikel 27, derde lid, van de WW - voor zover hier van belang - weigert het Uwv de uitkering tijdelijk of blijvend, geheel of gedeeltelijk, indien de werknemer een verplichting, hem op grond van artikel 26 opgelegd, niet of niet behoorlijk is nagekomen. Ingevolge het zesde lid van dat artikel wordt een maatregel als bedoeld in het derde lid afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de werknemer de gedraging verweten kan worden. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 11. Ingevolge artikel 27, tiende lid, van de WW stelt het Uwv nadere regels met betrekking tot het derde, vierde en zesde lid. Deze regels zijn vastgelegd in het Maatregelenbesluit Uwv (Regeling van 9 augustus 2004, Stcrt. 163, laatstelijk gewijzigd bij de Regeling van 28 november 2006, Stcrt. 246, hierna het Maatregelenbesluit). 12. Ingevolge de bijlage bij het Maatregelenbesluit valt de in artikel 26, eerste lid, onder d, van de WW vermelde verplichting onder de eerste categorie. Op grond van artikel 3, eerste lid, onder c, van het Maatregelenbesluit, voor zover hier van belang, bedraagt de duur en de hoogte van de maatregel bij het niet nakomen van een verplichting opgenomen in de eerste categorie 20% over de te late termijn met een maximum van 52 weken, indien het gestelde tijdstip met meer dan 112 kalenderdagen wordt overschreden. Op grond van artikel 3, tweede lid, van het Maatregelenbesluit bedraagt, indien de mate van verwijtbaarheid van de gedraging of nalatigheid van de verzekerde daartoe aanleiding geeft, de hoogte van voornoemde maatregel 10%. 13. Eiseres wist of behoorde te weten dat zij ingevolge artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d, van de WW de inschrijving bij de CWI op tijd diende te verlengen. Zij heeft ook ter zitting verklaard dat zij reeds lang tevoren een afspraak heeft gemaakt voor een gesprek bij de CWI dat in de derde week van juli 2006 zou plaatsvinden, waarbij tevens de verlenging van haar inschrijving zou worden geregeld. Eiseres heeft aangegeven dat zij in de derde week van juli 2006, in verband met de omstandigheden van dat moment, telefonisch contact heeft opgenomen met de CWI en daaruit heeft opgemaakt dat haar inschrijving was - of zou worden - verlengd. Voor zover eiseres daarmee bedoeld heeft een beroep te doen op het vertrouwensbeginsel, is de rechtbank van oordeel dat een dergelijk beroep niet kan slagen. Volgens de vaste jurisprudentie van de CRvB (zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 11 juli 2008, LJN: BD7685) kan op dat beginsel slechts een beroep worden gedaan, indien sprake is geweest van schriftelijke ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen door bevoegde personen dienaangaande. Daarvan is in dit geval geen sprake. Gelet op het feit dat een schriftelijke bevestiging van haar inschrijving nadien is uitgebleven, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van eiseres gelegen navraag naar haar inschrijving te doen en om een schriftelijk bewijs daarvan te vragen. De rechtbank heeft bovendien vastgesteld dat eiseres op de werkbriefjes over de periode 5 december 2005 tot 24 april 2006 als uiterste datum voor haar registratie als werkzoekende een onjuiste datum, namelijk telkens "1 juni 2006" heeft ingevuld. Vervolgens heeft eiseres op de werkbriefjes over de periode 25 april 2006 tot 11 september 2006 als uiterste datum voor haar registratie als werkzoekende eveneens een onjuiste datum, telkens "1 oktober 2006", ingevuld. Op de werkbriefjes over de periode 11 september 2006 tot 21 mei 2007 heeft eiseres eveneens telkenmale een onjuiste datum van inschrijving ingevuld, namelijk de eerste dag van de volgende of daarop volgende maand. Eiseres heeft ter zitting geen verklaring voor het invullen van deze onjuiste data gegeven. Door middel van de werkbriefjes is eiseres steeds geconfronteerd met de vraag of zij nog geregistreerd stond als werkzoekende bij de CWI en, zo ja, tot welke datum. Als eiseres er al vanuit mocht gaan dat zij hernieuwd bij de CWI stond ingeschreven, had zij naar aanleiding van deze vraag op zijn minst moeten nagaan tot welke datum haar hernieuwde inschrijving zou gelden. Zij zou er dan achter gekomen zijn dat zij niet stond ingeschreven. Eiseres heeft zich er kennelijk niet om bekommerd deze vraag naar waarheid in te vullen. Naar het oordeel van de rechtbank kan gelet op het bovenstaande de stelling van eiseres, dat zij erop mocht vertrouwen dat wat betreft haar inschrijving als werkzoekende bij de CWI alles in orde was en dat zij gewoon ingeschreven stond, niet worden gevolgd. Met verweerder is de rechtbank dan ook van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat elke vorm van verwijtbaarheid voor het niet ingeschreven staan als werkzoekende gedurende de periode in geding bij eiseres ontbreekt. 14. De rechtbank acht de duur van de maatsregel thans evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate waarin eiseres de gedraging kan worden verweten. Van verweerder kan niet worden gevergd dat per uitkeringsgerechtigde een doorlopende honderd-procentscontrole wordt uitgevoerd op de werkbriefjes of dat verweerder op andere wijze voortdurend controleert of de uitkeringsgerechtigde als werkzoekende is ingeschreven bij de CWI. Dit betekent dat overtredingen zoals hier aan de orde, enige tijd kunnen hebben voortgeduurd alvorens zij worden onderkend en alvorens daarop wordt gereageerd (vgl. CRvB 27 juni 2001, LJN: AL1290). Een tijdvak van 26 weken voor verweerder moet redelijkerwijs voldoende zijn om relevante gegevens op adequate wijze administratief te verwerken. Dat betekent dat een periode van 26 weken, waarin eiseres niet-ingeschreven stond bij de CWI, niet (mede) is te wijten aan verweerder, maar volledig eiseres is toe te rekenen. De rechtbank acht het niet onevenredig de duur van de maatregel tot deze periode te beperken. 15. Blijkens het besluit van 1 augustus 2007 was een van de redenen voor verweerder om de opgelegde maatregel te matigen de overweging dat de kans dat eiseres door het niet-geregistreerd zijn bemiddelingskansen heeft gemist, niet groot is te achten. De rechtbank ziet hierin geen reden tot een verdere matiging, Zoals hierboven immers al is gesteld, kan niet worden gezegd dat iedere verwijtbaarheid bij eiseres ontbreekt. 16. Het hierboven overwogene leidt tot de conclusie dat het besluit van 19 september 2008 in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep daarom in zoverre ongegrond verklaren. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door eiseres betaalde griffierechten. 17. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten, nu van professionele rechtsbijstand in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht geen sprake is geweest. 18. Beslist wordt als volgt. Beslissing De rechtbank, - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 1 augustus 2007 niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 19 september 2008 ongegrond. Aldus gedaan door mr. Y.S. Klerk als rechter in tegenwoordigheid van mr. P.A.M. Laro als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2009. ? Belanghebbenden kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van toezending hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Afschriften verzonden: