Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0736

Datum uitspraak2009-03-24
Datum gepubliceerd2009-07-23
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.006.358
Statusgepubliceerd


Indicatie

Onverschuldigd overgemaakt bedrag is voor het grootste deel opgenomen; moet worden terugbetaald. Overmacht is niet gebleken. Geen aangifte van vermissing van bankpas gedaan. Fraude door andere rekeninghouder is onvoldoende onderbouwd.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM ZEVENDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: [appellant], wonend te [woonplaats], APPELLANT, advocaat: mr. E.V. Brunings te Amsterdam, t e g e n de naamloze vennootschap ABN AMRO BANK N.V., gevestigd te Amsterdam, GEINTIMEERDE, advocaat: mr. R.P.M. Janse van Mantgem te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna (ook) [appellant] en de Bank genoemd. Bij dagvaarding van 31 januari 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 1 november 2006 in deze zaak onder nummer 334596/HA ZA 06-314 gewezen tussen [appellant] als gedaagde en de Bank als eiseres. [Appellant] heeft van grieven gediend, met conclusie als in de memorie weergegeven. De Bank heeft daarop een memorie van antwoord genomen en bewijs aangeboden, met conclusie als in deze memorie weergegeven. Ten slotte is arrest gevraagd op de stukken van de beide instanties, waarvan de inhoud als hier ingevoegd wordt beschouwd. 2. Grieven [Appellant] heeft één grief voorgesteld, waarvoor wordt verwezen naar de desbetreffende memorie. 3. Feiten De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.5 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daaromtrent bestaat geen geschil zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. 4. Beoordeling Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. 4.1 Op 2 juli 2003 is bij een zakelijke relatie van de Bank, zonder diens toestemming, door middel van een telefonische overboeking een bedrag van € 16.700,- van diens rekening afgeschreven. Dit bedrag is overgemaakt naar een bij de Postbank ten name van [appellant] staande rekening. Van het naar de rekening van [appellant] overgemaakte bedrag van € 16.700, - is € 13.827,02 opgenomen. Een bedrag van € 2.872,98 is, in de woorden van de Bank, veilig gesteld. Genoemde zakelijke relatie heeft haar vordering op [appellant] gecedeerd aan de Bank. 4.2 De Bank vordert het genoemde bedrag van € 13.827,02, te vermeerderen met rente en kosten, van [appellant] op grond van onverschuldigde betaling. 4.3 [Appellant] heeft niet betwist dat het voormelde bedrag van € 16.700, - onverschuldigd naar zijn rekening bij de Postbank is overgemaakt. Hij heeft, kort weergegeven, gesteld dat hij dat bedrag niet van zijn rekening heeft opgenomen, dat een derde of derden dat gedaan heeft of hebben en dat hij er niet beter van is geworden. 4.4 De rechtbank heeft geoordeeld dat het er voor moet worden gehouden dat [appellant] het geld wel van zijn rekening heeft opgenomen. De rechtbank heeft de vordering van de Bank toegewezen, met uitzondering van de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten. 4.5 De grief van [appellant] is gericht tegen hetgeen hiervoor in rov. 4.4 is weergegeven. In zijn memorie van grieven herhaalt [appellant] dat hij niets te maken heeft met de overboeking van het bedrag € 16.700,- naar zijn rekening en dat hij ook niet een bedrag van in totaal € 13.827,02 van zijn rekening heeft opgenomen. Volgens [appellant] kan het niet anders zijn dan dat voormelde zakelijke relatie van de Bank zelf het geld van [appellant]s rekening heeft opgenomen “of anderszins heeft meegewerkt aan de fraude” . 4.6 Hieromtrent oordeelt het hof als volgt. Tussen partijen is in confesso dat het bedrag van € 16.700, - zonder enige rechtsgrond, dus onverschuldigd, is overgemaakt naar de rekening van [appellant] bij de Postbank. Daarmee is het bedrag in zijn vermogen gevloeid. Dat betekent dat de Bank op grond van het bepaalde in art. 6:203 lid 1 BW gerechtigd is van de ontvanger ([appellant]) terug te vorderen hetgeen onverschuldigd is betaald. Door [appellant] is niet gesteld dat hij zijn verplichting tot terugbetaling niet kan nakomen. Reeds daarom faalt zijn verweer dat het naar zijn rekening overgemaakte bedrag hem, kort gezegd, niet ten goede is gekomen. 4.7 Maar ook indien [appellant] zijn verplichting tot teruggave van hetgeen zonder rechtsgrond naar zijn rekening is overgemaakt niet kan nakomen, is dat in de verhouding tot de Bank alleen van belang indien en voor zover de tekortkoming niet aan [appellant] kan worden toegerekend (art.6:74 BW). Zulks is niet gebleken, in het bijzonder omdat het verweer van [appellant] niet consistent en/of niet of onvoldoende onderbouwd en overigens speculatief is. Bij conclusie van antwoord heeft [appellant] gesteld dat hij medio 2003 de Postbank op de hoogte heeft gesteld van de vermissing van zijn bankpas en heeft gevraagd om de pas te blokkeren en hem een nieuwe pas met nieuwe pincode toe te sturen. [Appellant] heeft evenwel geen aangifte gedaan van de vermissing van zijn pas (proces-verbaal comparitie Rechtbank). Tijdens de comparitie van partijen is aan [appellant] de gelegenheid geboden alsnog bij akte diverse (nader in het proces-verbaal van de comparitie genoemde) stukken in het geding te brengen. Bij akte van 19 juli 2006 stelt [appellant] dat hij “hierbij” in het geding brengt de stukken zoals genoemd in het proces-verbaal van de comparitie van partijen. Het hof stelt vast dat het merendeel van de in het proces-verbaal genoemde stukken, zonder nadere toelichting, niet door [appellant] wordt overgelegd. Wat wel wordt overgelegd zijn twee giroafrekeningen met volgnummers 14 en 15, zulks terwijl [appellant] tijdens de comparitie van partijen heeft verklaard dat hij geen rekeningafschriften meer in bezit had. De stelling van [appellant] dat het volgens hem niet anders kan zijn dan dat voormelde zakelijke relatie van de Bank zelf het geld van [appellant]s rekening heeft opgenomen “of anderszins heeft meegewerkt aan de fraude” is dan ook onvoldoende onderbouwd en dus speculatief gebleven. 4.8 Op grond van het voorgaande moet de conclusie zijn dat de vordering van de Bank op grond van onverschuldigde betaling slaagt, wat er verder van de door de rechtbank gegeven motivering zij en dus ook als de tegen het vonnis voorgedragen grief zou slagen. Of de grief slaagt, kan derhalve in het midden blijven. Wat [appellant] verder nog heeft aangevoerd, kan niet tot een andere conclusie leiden en behoeft derhalve geen bespreking. 4.9 Slotsom: het vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het appel als in het dictum te bepalen. 5. Beslissing Het hof: bekrachtigt het vonnis van 1 november 2006 waarvan beroep; verwijst [appellant] in de proceskosten in hoger beroep en begroot die kosten, voor zover tot heden aan de kant van de Bank gevallen, op in totaal € 1.309,-, zijnde € 894,- voor salaris en € 415,- voor verschotten. Dit arrest is gewezen door mrs. P.C. Römer, A.H.A. Scholten en A.S. Arnold en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2009.