Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0735

Datum uitspraak2009-06-29
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-003015-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte wordt veroordeeld voor het rijden onder invloed van amfetamine. Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1000, waarvan - gelet op de financiële omstandigheden van verdachte - € 500 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte mag het onvoorwaardelijke deel van de boete in termijnen voldoen. Voorts ontzegt het hof de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 10 maanden, met aftrek.


Uitspraak

Parketnummer: 24-003015-08 Parketnummer eerste aanleg: 17-755262-08 Arrest van 29 juni 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Leeuwarden van 12 december 2008 in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren op [1978] te [geboorteplaats], wonende te [woonplaats], [adres], verschenen in persoon. Het vonnis waarvan beroep De politierechter in de rechtbank Leeuwarden heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf en hem een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven. Gebruik van het rechtsmiddel De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. De vordering van de advocaat-generaal De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een geldboete van € 1000,-, subsidiair 20 dagen hechtenis en daarnaast tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 10 maanden. De beslissing op het hoger beroep Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen. Tenlastelegging Aan verdachte is ten laste gelegd dat: hij op of omstreeks 30 juli 2007, te [plaats], (in elk geval) in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Bewezenverklaring Het hof acht bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat: hij op 30 juli 2007, te [plaats], in de gemeente [gemeente], als bestuurder van een personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten amfetamine, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen. Kwalificatie Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: overtreding van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Strafbaarheid Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht. Strafmotivering Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen. Verdachte heeft zich op 30 juli 2007 schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet, door een personenauto te besturen, terwijl hij verkeerde onder invloed van amfetamine. Door zijn handelwijze heeft verdachte de verkeersveiligheid, daaronder begrepen de veiligheid van zijn medeweggebruikers, in gevaar gebracht. Uit het verdachte betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 april 2009 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Gelet op de ernst van het feit, alsmede gelet op de landelijk gehanteerde oriëntatiepunten in dit soort zaken, acht het hof een geldboete en een ontzegging van de rijbevoegdheid in beginsel geboden. Gelet echter op de financiële en persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan is gebleken ter zitting van het hof, zal het hof een deel van de geldboete voorwaardelijk opleggen. Toepassing van wetsartikelen Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 (oud), 24 (oud), 24a (oud) en 24c (oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994. De uitspraak HET HOF, RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP: vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende: verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar; verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij; veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van duizend euro; beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt; beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van vijfhonderd euro, subsidiair tien dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt. bepaalt dat het onvoorwaardelijke deel van de geldboete mag worden voldaan in tien opeenvolgende éénmaandelijkse termijnen elk groot vijftig euro; ontzegt aan de veroordeelde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van tien maanden; beveelt dat de tijd, gedurende welke het rijbewijs ingevorderd en ingehouden is geweest, op de duur van de ontzegging geheel in mindering wordt gebracht. Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. G. Dam en mr. P.J.M. van den Bergh, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier.