Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0730

Datum uitspraak2009-06-10
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening+bodemzaak
ZittingsplaatsHaarlem
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 08 / 39691 en 09 / 39690
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Studie / verlengen verblijfsvergunning / wijzigen beperking

Verweerder heeft op goede gronden aanvraag niet verlengd en wijziging beperking afgewezen. Ingevolge artikel 3.69 Vb wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan niet verlengd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nu de verblijfsvergunning reeds voor een jaar is verleend, deze niet kan worden verlengd. Verweerder heeft de aanvraag gelet op het voorgaande op goede gronden niet verlengd. Uit de bij zijn aanvraag overgelegde documenten blijkt niet dat verzoeker staat ingeschreven of zal worden ingeschreven bij de Hogeschool van Amsterdam. De documenten zien enkel op de aanvullende examens die verzoeker moet afleggen ter voorbereiding op zijn studie aan de Hogeschool van Amsterdam. De stukken die verzoeker in de beroepsfase heeft overgelegd kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Van een (voorlopige) inschrijving als student is niet gebleken. Aan de voorwaarden van artikel 3.41, onder a en b, Vb is niet voldaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet voldoet aan de beperking ‘studie Informatica aan de Hogeschool van Amsterdam’ en heeft de verblijfsvergunning verband houdend met die beperking op goede gronden afgewezen. De voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.



Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE Sector bestuursrecht Nevenzittingsplaats Haarlem zaaknummer: AWB 08 / 39691 (voorlopige voorziening) AWB 08 / 39690 (beroep) uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 juni 2009 in de zaak van: [naam verzoeker], geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit, verzoeker, gemachtigde: mr. E.C. Gelok, advocaat te Amsterdam, tegen: de staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. J.P. Lamfers-van den Bos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage. 1. Procesverloop 1.1 Verzoeker heeft op 19 maart 2008 een aanvraag ingediend tot het verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd alsmede het wijzigen van de beperking ‘aanvullende examens met het oog op studie aan HBO te Amsterdam’ in de beperking ‘studie Informatica aan de Hogeschool van Amsterdam’. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 29 juli 2008 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 26 augustus 2008 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar bij besluit van 10 oktober 2008 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft tegen dit besluit op 6 november 2008 beroep ingesteld. 1.2 Verzoeker heeft op 6 november 2008 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt de voorzieningenrechter om verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist. 1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. 1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 april 2009. Verzoeker en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. 2. Overwegingen 2.1 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. 2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken. 2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde. 2.4 Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Regels over de toepassing van deze beperkingen zijn neergelegd in het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). In de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zijn beleidsregels over de toepassing van deze beperkingen vastgesteld. 2.5 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven. 2.6 Regels over de toepassing van deze afwijzingsgrond staan in het Vreemdelingenbesluit 2000. Ingevolge artikel 3.41 Vb kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met het volgen van studie worden verleend aan de vreemdeling: a. die voltijds hoger, voortgezet of beroepsonderwijs volgt aan een bij ministeriële regeling aan te wijzen onderwijsinstelling; b. die met een door de bevoegde autoriteiten van de onder a bedoelde onderwijsinstelling afgegeven schriftelijke verklaring aantoont dat hij als student is of zal worden ingeschreven voor voltijdsonderwijs, en c. wiens vertrek uit Nederland na voltooiing of tussentijdse beëindiging van de studie naar het oordeel van Onze Minister redelijkerwijs is gewaarborgd. 2.7 In de Vreemdelingencirculaire 2000 heeft verweerder beleidsregels over de toepassing van deze bepaling vastgesteld. In B6/2.1.2 Vc is bepaald dat het vast moet staan dat de vreemdeling voor een studie/opleiding is of zal worden ingeschreven aan een in Nederland gevestigde onderwijsinstelling. 2.8 De voorzieningenrechter betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 26 april 2007 heeft verzoeker een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘aanvullende examens’. Verweerder heeft verzoeker bij besluit van 29 juni 2007 in het bezit gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning. De vergunning is verleend met ingang van 26 april 2007, geldig tot 26 april 2008. 2.9 Verweerder heeft zich op de volgende standpunten gesteld. De geldigheidsduur van de aan verzoeker verleende verblijfsvergunning kan ingevolge artikel 3.69 Vb niet worden verlengd. Verzoeker komt evenmin in aanmerking voor wijziging van de beperking van de aan hem verleende verblijfsvergunning in ‘studie Informatica aan de Hogeschool van Amsterdam’ omdat hij niet aan deze beperking voldoet. Gebleken is dat verzoeker nog niet bekend is met de uitslag van het NT2-programma en daarom geen bewijs van inschrijving aan voornoemde Hogeschool kan overleggen. Van het horen is afgezien op grond van artikel 7:3, onder b, Awb. 2.10 Verzoeker heeft hiertegen het volgende aangevoerd. Verweerder heeft ten onrechte de besluitvorming op het bezwaarschrift niet aangehouden. Nu verzoeker daartoe gemotiveerd heeft verzocht had verweerder niet mogen beslissen alvorens in contact te treden met eiser. Verweerder heeft derhalve gehandeld in strijd met artikel 3:2 Awb en artikel 3:4 Awb. Verzoeker heeft belang bij aanhouding van de besluitvorming nu hij op 7 en 8 januari 2009 examen kan doen voor de resterende onderdelen van het NT2-examen. Aansluitend kan verzoeker zich inschrijven aan een hbo-instelling. Voorts heeft verweerder ten onrechte afgezien van horen in de bezwaarfase. Het bestreden besluit is derhalve in strijd met artikel 7:2 Awb. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. 2.11 Voor zover verzoeker zich op het standpunt heeft willen stellen dat verweerder ten onrechte de aan hem verleende verblijfsvergunning voor het doel ‘aanvullende examens’ niet heeft verlengd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 2.12 Ingevolge artikel 3.69 Vb wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de voorbereiding op studie ten hoogste voor één jaar verleend en wordt de geldigheidsduur ervan niet verlengd. 2.13 Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat nu de verblijfsvergunning reeds voor een jaar is verleend, deze niet kan worden verlengd. Verweerder heeft de aanvraag gelet op het voorgaande op goede gronden niet verlengd. 2.14 Ten aanzien van de vraag of verweerder verzoeker een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met het volgen van een studie aan de Hogeschool van Amsterdam heeft kunnen weigeren, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. 2.15 Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft verzoeker een brief overgelegd van de Hogeschool van Amsterdam, Taal- en Schakelonderwijscentrum, van 6 maart 2008. Bij brief van 4 juli 2008 heeft verweerder een herstel verzuimbrief aan verzoeker gestuurd en daarin verzocht om de aanvraag aan te vullen met 1. een bewijs van inschrijving (welke instelling en studie) inzake het studiejaar 2008/2009, 2. een bewijs waaruit blijkt dat het Taal- en Schakeljaar 2007/2008 aan de Hogeschool van Amsterdam met succes is afgerond, 3. een kopie van de arbeidsovereenkomst van de garantsteller, alsmede van de loonstroken over april tot en met juni 2008. 2.16 Op 22 juli 2008 heeft verzoeker de volgende documenten overgelegd: - een verklaring van 10 juli 2008 van de Hoge School van Amsterdam (Taal- en Schakeljaar positief afgesloten); - een verklaring van de decaan van verzoeker waar uit blijkt dat verzoeker eerst aan de Hogeschool van Amsterdam kan worden ingeschreven als de uitslag van het NT2-progamma bekend is; - loonstroken van de garantsteller over mei en juni 2008. 2.17 Uit de bij zijn aanvraag overgelegde documenten blijkt niet dat verzoeker staat ingeschreven of zal worden ingeschreven bij de Hogeschool van Amsterdam. De documenten zien enkel op de aanvullende examens die verzoeker moet afleggen ter voorbereiding op zijn studie aan de Hogeschool van Amsterdam. De stukken die verzoeker in de beroepsfase heeft overgelegd kunnen niet tot een ander oordeel leiden. Van een (voorlopige) inschrijving als student is niet gebleken. Aan de voorwaarden van artikel 3.41, onder a en b, Vb is niet voldaan. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet voldoet aan de beperking ‘studie Informatica aan de Hogeschool van Amsterdam’ en heeft de verblijfsvergunning verband houdend met die beperking op goede gronden afgewezen. 2.18 De stelling dat verweerder ten onrechte de besluitvorming op het bezwaarschrift niet heeft aangehouden volgt de voorzieningenrechter niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit, gelet op het bepaalde in artikel 3.102 Vb, terecht overwogen dat verzoeker bij de aanvraag gehouden is aan te tonen dat hij aan de toepasselijke voorwaarden voldoet. Voorts is verzoeker bij herstel verzuimbrief van 4 juli 2008 in de gelegenheid gesteld om alsnog aan te tonen dat hij in het bezit is van een bewijs van inschrijving. Verzoeker heeft dat echter nagelaten. Daarbij heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat in bezwaar is aangegeven dat verzoeker niet geslaagd is voor de NT2-examens en dat hij in afwachting is van herexamens. Dat in de beroepsfase is gesteld dat de herexamens op 7 en 8 januari 2009 zullen plaatsvinden maakt het voorgaande, mede gelet op de ex tunc toetsing in reguliere zaken, niet anders. Gegeven die toetsing is de rechtbank gehouden het bestreden besluit te toetsen op basis van de feiten en omstandigheden zoals die ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar bij verweerder bekend waren. 2.19 Ten aanzien van de grief dat verweerder zou hebben gehandeld in strijd met artikel 3:4 Awb overweegt de rechtbank als volgt. Er is, gelet op de brief van verweerder van 4 juli 2008 en het uitblijven van een sluitende reactie van verzoeker hierop binnen de gestelde termijn, geen grond voor het oordeel dat verweerder een onjuiste belangenafweging heeft gemaakt door de beslissing op bezwaar niet aan te houden totdat de stukken zouden zijn overgelegd. 2.20 Verzoeker heeft een beroep gedaan op schending van de hoorplicht. Met betrekking tot het horen in bezwaar is uitgangspunt de in artikel 7:2, eerste lid, Awb vervatte algemene regel dat er voor het bestuur een hoorplicht bestaat, behoudens de in artikel 7:3 genoemde uitzondering. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, Awb kan van het horen worden afgezien indien er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. 2.21 De vraag of sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar moet naar vaste jurisprudentie worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door verzoeker is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. In het onderhavige geval is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs geen twijfel mogelijk over de conclusie dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en heeft verweerder naar voorlopig oordeel op goede gronden afgezien van het horen van verzoeker. 2.22 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de voorzieningenrechter het beroep ongegrond verklaren. 2.23 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen. 2.24 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: 3.1 verklaart het beroep ongegrond; 3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W.S. Kiliç, voorzieningenrechter, en op 10 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. Afschrift verzonden op: Coll: Rechtsmiddel Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.