
Jurisprudentie
BJ0724
Datum uitspraak2009-06-29
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-001741-07
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
Zaaknummers24-001741-07
Statusgepubliceerd
Indicatie
Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
Bij de schatting van het wederrechtelijk voordeel wordt in aanmerking genomen dat door verdachte niet gedurende de hele periode - vier jaar - optimaal gebruik is gemaakt van de kwekerij.
Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 50.000,-. De betalingsverplichting wordt eveneens vastgesteld op € 50.000,-
Uitspraak
Parketnummer: 24-001741-07
Parketnummer eerste aanleg: 18-670461-06
Arrest van 29 juni 2009 van het gerechtshof te Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Groningen van 26 juni 2007, in de zaak strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel tegen:
[veroordeelde],
geboren op [1951] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.J. Pellinkhof, advocaat te Assen.
Het vonnis waarvan beroep
De rechtbank Groningen heeft bij voormeld vonnis, op tegenspraak gewezen, onder verwijzing naar het vonnis d.d. 26 juni 2007 van voormelde rechtbank Groningen in de strafzaak met parketnummer 18-670461-06, het door veroordeelde door middel van en/of uit baten van het door hem gepleegde strafbare feit wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 90.000,- en hem de verplichting opgelegd € 90.000,- aan de Staat te betalen, ter ontneming van dat voordeel.
Gebruik van het rechtsmiddel
De veroordeelde is op de voorgeschreven wijze en tijdig van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen.
Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 15 juni 2009, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststelt op € 95.877,- en aan de verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag oplegt.
De beslissing op het hoger beroep
Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.
De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof (parketnummer 24-001740-07) ter zake van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod veroordeeld tot straffen.
De veroordeelde heeft uit het bewezen verklaarde handelen voordeel verkregen.
Bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt de berekening zoals overgelegd door de advocaat-generaal tot uitgangspunt genomen. Op grond van de verklaring van verdachtes echtgenote ten overstaan van de politie en de toestand van de kwekerij (waaronder vette leidingen) zoals die is beschreven door de politie, gaat ook het hof uit van een periode van vier jaar, gedurende welke de kwekerij in werking is geweest.
Uit de berekening van het openbaar ministerie volgt dat bij een optimaal gebruik van de kwekerij het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op € 95.877,-. Ter zitting is aannemelijk geworden dat door verdachte geen optimaal gebruik is gemaakt van de kwekerij. De verzorging van de planten was in handen van verdachtes echtgenote en het hof acht aannemelijk dat er periodes zijn geweest waarin zij in verband met de zorg voor de kinderen niet toekwam aan het kweken/stekken van hennepplanten. Nu een exact overzicht van die periodes ontbreekt, zal het hof het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op
€ 50.000,-.
De betalingsverplichting
Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen om € 50.000 euro ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen.
Toepassing van wetsartikelen
Het hof heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De uitspraak
HET HOF,
RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:
vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:
stelt het bedrag waarop het door veroordeelde [veroordeelde] voornoemd wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van 50.000,- euro;
legt de veroordeelde [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling aan de Staat van een geldbedrag van vijftigduizend euro ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. P.J.M. van den Bergh en mr. J. Hielkema, in tegenwoordigheid van A.L.H. Wilkens als griffier, zijnde mr. van den Bergh voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.