Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0714

Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/6215 WIA
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. De deskundige heeft aangegeven dat appellante op medische gronden maximaal 32 uur per week kan werken. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Dit betekent dat de voorgehouden functies aan de eis moeten voldoen dat het aantal te werken uren niet meer bedraagt dan 32 per week. De Raad onderschrijft dus niet het, door de rechtbank juist geachte, standpunt van het Uwv dat aan de urenbeperking voorbij gegaan kan worden, omdat de maatvrouw een omvang heeft van 20 uur per week. Zoals Mašek ook in zijn conclusie heeft aangegeven zijn er enkele functies voorgehouden waarin de maximale urenomvang wordt overschreden. Die functies kunnen daarom in medisch opzicht niet geschikt worden geacht. De schatting is gebaseerd op de functies receptioniste bij een bejaardentehuis (sbc-code 315150), telefoniste/receptioniste bij een zorgverzekeraar (sbc-code 315120) en suppoost in een museum (sbc-code 342021). De eerstgenoemde sbc-code 315150 omvat drie verschillende functies, waarin de urenomvang respectievelijk 32,5 uur, 20 uur en 14,71 uur bedraagt. Van de sbc-code 315150 voldoen dus alleen de functies van 20 uur en 14,71 uur aan de eis van de maximale urenomvang. Deze twee functies omvatten echter elk slechts één arbeidsplaats, hetgeen ingevolge het Schattingsbesluit te weinig is. De functies met sbc-code 315120 en 342021 voldoen wel aan de eis van de maximale urenomvang. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv de stelling verdedigd dat aan de schatting nog een reservefunctie ten grondslag is gelegd die voldoet aan de eis van de maximale urenomvang, zodat toch aan de eis van drie verschillende functies kan worden voldaan. Die stelling kan als juist worden aanvaard. De aan appellante als reservefunctie voorgehouden functie assistente consultatiebureau met sbc-code 372091 heeft een urenomvang van 20 uur per week en omvat vijf arbeidsplaatsen. Door het verschuiven van de functies wordt het mediaanuurloon iets lager maar voor de uitkomst van de schatting maakt dit geen verschil omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft.


Uitspraak

08/6215 WIA Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 september 2008, 07/1271 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 26 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E.H.J. van Gerven, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Zoals tevoren was bericht, is appellante niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is in het verleden voor 20 uur per week werkzaam geweest als verkoopster boeken en tijdschriften in een [naam werkgever]. Met ingang van 21 juli 2003 heeft zij zich ziek gemeld wegens een ziekenhuisopname van twee weken in verband met acute hoofdpijnklachten. Per 19 juli 2004 is appellante voor minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht voor de destijds van toepassing zijnde Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Appellante heeft zich vanuit een situatie van werkloosheid per 22 december 2004 opnieuw ziek gemeld met onder meer klachten aan de rug, nek en gewrichten. 1.2. Bij besluit van 24 november 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen toe te kennen, omdat zij na afloop van de in dit geval geldende wachttijd op 20 december 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. 1.3. Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 augustus 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. 1.4. Het bestreden besluit berust op de overweging dat appellante op 20 december 2006, de in geding zijnde datum, weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat zij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. Vergelijking van de loonwaarde van de middelste van de drie functies met de hoogste lonen met het voor haar geldende maatmaninkomen resulteert volgens het Uwv in een verlies aan verdiencapaciteit dat minder is dan 35%. 2.1. In beroep is namens appellante aangevoerd dat haar beperkingen zijn onderschat en dat de aan haar voorgehouden functies in medisch opzicht niet voor haar geschikt zijn. Ter ondersteuning van die stelling zijn diverse medische stukken overgelegd. 2.2. De rechtbank heeft aanleiding gezien om zich te laten adviseren door de reumatoloog B.A. Mašek. Mede op basis van diens rapport van 30 mei 2008 heeft de rechtbank geoordeeld dat de functionele mogelijkheden en beperkingen van appellante juist zijn vastgesteld. In de aangevallen uitspraak - waarin appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder - is hiertoe het volgende overwogen: ‘De deskundige Mašek heeft met betrekking tot de belastbaarheid van eiseres geconcludeerd dat de zogenaamde dynamische handelingen, waaronder toetsenbord bedienen en muis hanteren, niet normaal mogelijk zijn. Hij acht deze activiteiten mogelijk gedurende de helft van de werkdag waarbij waarschijnlijk rekening moet worden gehouden met een zeer laag tempo. In dat verband acht hij haar belastbaar voor 24 tot 32 uren per week. In de reactie van verweerder op dit rapport wordt aangegeven dat de maatvrouw een omvang heeft van 20 uur per week zodat in dat opzicht aan de opmerking van de deskundige voorbij gegaan kan worden. Tevens dient daarbij te worden betrokken dat het typen geen hoofdtaak is in de in aanmerking genomen functies. Met betrekking tot de opmerking van de deskundige Mašek over een urenbeperking, is de rechtbank van oordeel, dat hetgeen in overweging 2.9. als visie van verweerder is weergegeven, kan worden gevolgd, zodat daarin geen reden is gelegen het bestreden besluit te vernietigen. De rechtbank is voor het overige van oordeel dat de verzekeringsgeneeskundige advisering die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, in overeenstemming is met de eisen van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten en de overigens daaraan te stellen zorgvuldigheidsvereisten. De rechtbank heeft – gelet op alle voorhanden medische gegevens – geen aanknopingspunten gevonden de eindconclusies van voormeld verzekeringsgeneeskundig onderzoek onjuist te achten. Zij heeft daartoe in het bijzonder doen wegen dat de deskundige Mašek, buiten hetgeen eerder is opgemerkt over een urenbeperking, niet tot bevindingen is gekomen die wezenlijk afwijken van die van de bezwaarverzekeringsarts. Daar komt bij dat, anders dan waarvan de deskundige lijkt uit te gaan, aan de eigen beleving van eiseres geen doorslaggevende betekenis mag worden gehecht, zodat de rechtbank geen grond ziet om gevolg te geven aan de suggestie van de deskundige om nog een revalidatiearts, en/of psycholoog te raadplegen.’ 2.3. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat appellante in medisch opzicht in staat is tot het vervullen van de functies. In de aangevallen uitspraak is hierover het volgende overwogen: ‘Arbeidsdeskundige Heemels heeft op grond van de door de verzekeringsarts opgestelde FML met behulp van het CBBS functies geduid, die eiseres, gelet op de voor haar geldende medische beperkingen en haar krachten en bekwaamheden, zou moeten kunnen vervullen. Voor de schatting zijn de, als algemeen geaccepteerde arbeid aangemerkte, functies van receptionist, telefoniste/receptioniste en suppoost als uitgangspunt genomen. De deskundige Mašek heeft aangegeven in principe geen obstakels te zien voor het verrichten van die functies, zij het dat hij enige twijfel heeft of eiseres het tempo bij het bedienen van toetsenbord en muis aankan. Gelet op de beschrijving van de desbetreffende functies, gaat de rechtbank ervan uit dat die bediening van zodanig ondergeschikte betekenis is, dat het niet aan de passendheid in de weg staat.’ 2.4. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. 3. De Raad overweegt het volgende. 3.1. De deskundige Mašek heeft aangegeven dat appellante op medische gronden maximaal 32 uur per week kan werken. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Dit betekent dat de voorgehouden functies aan de eis moeten voldoen dat het aantal te werken uren niet meer bedraagt dan 32 per week. De Raad verwijst hierbij naar hetgeen hierover is bepaald in artikel 9, aanhef en onder b, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Besluit van 8 juli 2000, Stb. 307, zoals laatstelijk voor de datum in geding gewijzigd bij Besluit van 15 december 2005, Stb. 690, hierna: het Schattingsbesluit). De Raad onderschrijft dus niet het, door de rechtbank juist geachte, standpunt van het Uwv dat aan de urenbeperking voorbij gegaan kan worden, omdat de maatvrouw een omvang heeft van 20 uur per week. 3.2. Zoals Mašek ook in zijn conclusie heeft aangegeven zijn er enkele functies voorgehouden waarin de maximale urenomvang wordt overschreden. Die functies kunnen daarom in medisch opzicht niet geschikt worden geacht. De schatting is gebaseerd op de functies receptioniste bij een bejaardentehuis (sbc-code 315150), telefoniste/receptioniste bij een zorgverzekeraar (sbc-code 315120) en suppoost in een museum (sbc-code 342021). De eerstgenoemde sbc-code 315150 omvat drie verschillende functies, waarin de urenomvang respectievelijk 32,5 uur, 20 uur en 14,71 uur bedraagt. Van de sbc-code 315150 voldoen dus alleen de functies van 20 uur en 14,71 uur aan de eis van de maximale urenomvang. Deze twee functies omvatten echter elk slechts één arbeidsplaats, hetgeen ingevolge het Schattingsbesluit te weinig is. Op grond van artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit dient de schatting namelijk te berusten op ten minste drie verschillende functies die ieder ten minste drie arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. De functies met sbc-code 315120 en 342021 voldoen wel aan de eis van de maximale urenomvang. 3.3. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv de stelling verdedigd dat aan de schatting nog een reservefunctie ten grondslag is gelegd die voldoet aan de eis van de maximale urenomvang, zodat toch aan de eis van drie verschillende functies kan worden voldaan. Die stelling kan als juist worden aanvaard. De aan appellante als reservefunctie voorgehouden functie assistente consultatiebureau met sbc-code 372091 heeft een urenomvang van 20 uur per week en omvat vijf arbeidsplaatsen. Door het verschuiven van de functies wordt het mediaanuurloon iets lager maar voor de uitkomst van de schatting maakt dit geen verschil omdat de mate van arbeidsongeschiktheid onder de 35% blijft. 3.4. De drie functies (met de sbc-codes 315120, 342021 en 372091) die aldus aan de schatting ten grondslag kunnen worden gelegd, zijn volgens de deskundige Mašek in overeenstemming met de door hem geschatte functionele mogelijkheden van appellante. Hij heeft daarbij echter een voorbehoud gemaakt ten aanzien van de bediening van toetsenbord en muis omdat hem niet duidelijk is welke snelheid daarbij wordt vereist. Bij een lage intensiteit en laag tempo acht hij dit wel mogelijk. In de aangevallen uitspraak is overwogen dat de bediening van toetsenbord en muis in de functies van ondergeschikte betekenis is, zodat de opmerking van Mašek niet aan de passendheid van die functies in de weg staat. De Raad onderschrijft dit oordeel van de rechtbank. Voorts is de Raad, evenals de rechtbank, van oordeel dat het inschakelen van een andere deskundige- zoals gesuggereerd door Mašek - niet nodig is. 3.5. In een brief van 4 mei 2009 heeft de gemachtigde van appellante aangegeven dat de medische toestand van appellante steeds verder is verslechterd, hetgeen heeft geleid tot een aanpassing van de medicatie. De Raad merkt op dat in dit geding slechts wordt geoordeeld over de mate van arbeidsongeschiktheid op 20 december 2006. Met een eventuele verslechtering van de gezondheidstoestand van appellante na deze datum kan in dit geding geen rekening worden gehouden. Dit zou anders kunnen zijn indien die verslechtering -achteraf- een ander licht werpt op de gezondheidstoestand van appellante ten tijde van de datum in geding. Hiervan is de Raad uit de beschikbare gegevens echter niet gebleken. Indien appellante meent dat haar gezondheidstoestand na 20 december 2006 is verslechterd, kan zij zich tot het Uwv wenden met het verzoek de mate van haar arbeidsongeschiktheid opnieuw te beoordelen. 3.6. Uit hetgeen onder 3.1 tot en met 3.5 is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt derhalve, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. 3.7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.A.H. Schifferstein en R. Kruisdijk als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van R. Benza als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009. (get.) R.C. Stam. (get.) R. Benza. JL