Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0709

Datum uitspraak2009-06-16
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCollege van Beroep voor het bedrijfsleven
ZaaknummersAWB 08/52
Statusgepubliceerd


Indicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren


Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven Vijfde enkelvoudige kamer AWB 08/52 16 juni 2009 11200 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren Uitspraak in de zaak van: A, te B, appellant, gemachtigde: mr. J.F.C.M. Mulders, werkzaam bij Stichting Achmea Rechtsbijstand, te Tilburg, tegen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder, gemachtigde: mr. C.E.J. Mastenbroek, werkzaam bij verweerder. 1. De procedure Appellant heeft bij brief van 21 januari 2008, bij het College binnengekomen op 22 januari 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 januari 2008. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 11 maart 2008 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op 5 maart 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is met bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij voornoemde gemachtigde. 2. De grondslag van het geschil 2.1 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is het volgende bepaald. " Artikel 3:40 Een besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt. (...) Artikel 6:7 De termijn voor het indien van een bezwaar- of een beroepschrift bedraagt zes weken. Artikel 6:8 1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. (…)" Artikel 6:11 Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. 2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan. - Bij brief van 31 oktober 2006 heeft verweerder besloten alle runderen op het bedrijf van appellant op grond van artikel 2, onderdeel c, van het Besluit verdachte dieren met ingang van laatstgenoemde datum als verdacht van runder brucellose (abortus bang) aan te merken. In dit besluit heeft verweerder voorts te kennen gegeven dat de periode van verdenking 14 maanden bedraagt, alsmede dat appellant als houder van verdachte dieren verplicht is, zorg te dragen dat deze dieren hun verblijfplaats niet verlaten. - Bij brief van 8 februari 2007 met als onderwerp "Beroep op nadeelcompensatie", heeft appellant aan verweerder het volgende te kennen gegeven. " Cliënt is in oktober 2006 getroffen door Brucellose. Alhoewel hij direct de betreffende instanties heeft ingeschakeld, is de reactie van die zijde dusdanig geweest, dat cliënt onnodige kosten heeft moeten maken die bij een adequaat ingrijpen niet gemaakt hadden hoeven te worden. Cliënt wenst deze schade door u vergoed te krijgen. (…) Cliënt ontving van de VWA de mededeling dat zo spoedig mogelijk ook een schriftelijke bevestiging zou worden gestuurd van het op-slot-zetten van cliënts bedrijf. Dit laatste is tot op de dag van vandaag heeft cliënt overigens deze beschikking nog steeds niet ontvangen. (…) er is op een onzorgvuldige wijze door de VWA met de constatering van Brucella omgegaan, en het heeft onnodig lang geduurd voordat maatregelen werden genomen. Voor cliënt is nu nog van belang dat hij door de onzorgvuldige wijze en trage afhandeling met extra kosten werd opgezadeld, kosten die hij bij een goede aanpak niet had hoeven te maken.(...). - Bij brief van 1 maart 2007 deelt verweerder aan appellant onder meer het volgende mee: " Ik ga ervan uit dat u uw verzoek om schadevergoeding baseert op artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW), nu er geen sprake is van een rechtstreeks uit de veterinaire wetgeving voortvloeiend recht op schadevergoeding.(...) Allereerst constateer ik dat u geen bezwaarschrift heeft ingediend tegen het hiervoor genoemde besluit van 31 oktober 2006. Dat betekent dat laatstgenoemd besluit zowel wat betreft de wijze van totstandkoming als de inhoud als rechtmatig dient te worden beschouwd. Op basis van het voorgaande komt ik tot de conclusie dat van enige onrechtmatige gedraging van de zijde van de VWA geen sprake is. Derhalve is de VWA niet aansprakelijk voor de door u beweerdelijk geleden schade. Ook anderszins zie ik geen aanleiding om tot vergoeding van schade over te gaan." - Bij brief van 12 maart 2007 deelt appellant verweerder mee, onder verwijzing naar zijn brief van 8 februari 2007, het besluit van 31 oktober 2006 nooit te hebben ontvangen en om die reden geen bezwaar te hebben gemaakt. Appellant wachtte zelfs op deze beschikking om dit bezwaar te kunnen maken omdat hij het absoluut niet met de gang van zaken eens kan zijn. - Op 2 april 2007 geeft verweerder appellant onder meer te kennen dat het besluit van 31 oktober 2006 op 1 november 2006 aan hem is verzonden. - Bij brief van 3 mei 2007 maakt appellant bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2006. Bij brief van 25 mei 2007 vult appellant de gronden van zijn bezwaarschrift aan. - Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. 3. Het bestreden besluit Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar van appellant gericht tegen het besluit van 31 oktober 2006 niet-ontvankelijk is, omdat het niet binnen de wettelijke termijn is ingediend. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het besluit daadwerkelijk is verzonden aan appellant en wijst daartoe (-) op de verzendstempel op het besluit 'verzonden op 1 november 2006', (-) dat het besluit is voorzien van de juiste tenaamstelling en adressering, alsmede (-) op de door verweerder gehanteerde geautomatiseerde verzendadministratie waaruit door middel van een computerschermafdruk blijkt dat het besluit op 1 november 2006 ter post aan appellant is bezorgd. Volgens verweerder heeft appellant voorts de ontvangst van het besluit op ongeloofwaardige wijze ontkend. 4. Het standpunt van appellant Appellant stelt in beroep dat hij de schade die hij heeft geleden door het handelen van verweerder in verband met het geval van brucellose op zijn bedrijf vergoed wenst te zien. Appellant stelt dat hij een beroep op nadeelcompensatie doet voor (onnodig gemaakte) kosten tot een bedrag van € 5.800.-. Met betrekking tot het door verweerder ingenomen standpunt over de ontvankelijkheid van zijn bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2007 voert appellant aan dat het bewijsrisico bij de verzender ligt wanneer onder andere de ontvangst van een - niet aangetekend verzonden - poststuk wordt ontkend en de verzending niet op een andere manier aannemelijk wordt gemaakt. Appellant benadrukt dat hij het besluit nooit heeft ontvangen. De verwijzing van verweerder naar een uniform postregistratiesysteem is in de ogen van appellant onvoldoende om aannemelijk te maken dat het besluit is verzonden. 5. De beoordeling van het geschil 5.1 Het College constateert dat appellant in zijn brief van 8 februari 2007 verweerder heeft gevraagd om nadeelcompensatie in verband met de financiële schade die appellant stelt te hebben geleden als gevolg van de namens verweerder getroffen maatregelen, nadat de runderen van zijn bedrijf op 31 oktober 2006 waren aangemerkt als verdacht van runderbrucellose. Appellant heeft daarbij gesteld dat hij door de onzorgvuldige wijze en trage afhandeling met extra kosten is geconfronteerd. Naar het oordeel van het College heeft appellant hiermee verzocht om een zogenoemd zelfstandig schadebesluit. Gelet op de aard van het verzoek kan verweerders afwijzing van het verzoek in het schrijven van 1 maart 2007 niet als een adequate reactie daarop worden gezien, nu deze uitgaat van de veronderstelling dat het verzoek is gebaseerd op onrechtmatig handelen van verweerder en daarin is overwogen dat geen bezwaarschrift is ingediend tegen het besluit van 31 oktober 2006, zodat dit besluit als rechtmatig dient te worden beschouwd. Uit de brief van appellant van 12 maart 2007 valt met voldoende zekerheid af te leiden dat hij bezwaar maakt tegen de afwijzing van zijn verzoek om nadeelcompensatie en dat hij ook bezwaar wenst te maken tegen verweerders besluit van 31 oktober 2006, welk besluit hij, naar hij stelt, nimmer heeft ontvangen. Appellant heeft vervolgens, na nog enige correspondentie met verweerder, op 3 mei 2007 een bezwaarschrift tegen het besluit van 31 oktober 2006 ingediend. Op dit bezwaarschrift is bij het bestreden besluit beslist. 5.2 Naar het oordeel van het College heeft verweerder ten onrechte slechts beslist op het naderhand door appellant ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 31 oktober 2006. Verweerder had de brief van 12 maart 2007 tevens als bezwaarschrift tegen de in het besluit van 1 maart 2007 vervatte afwijzing van het verzoek om nadeelcompensatie moeten behandelen en daarop moeten beslissen. Reeds hierom kan het bestreden besluit niet in stand blijven. 5.3 Vervolgens zal het College beoordelen of verweerder appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaren tegen het besluit van 31 oktober 2006. Uitgangspunt is dat verweerder, als verzender van het besluit, het bewijsrisico draagt van deze verzending, aangezien het besluit niet aangetekend dan wel met bericht van ontvangst is verzonden. Het College is van oordeel dat verweerder niet heeft aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat het besluit van 31 oktober 2006 op 1 november 2006 ter post is bezorgd en aan appellant verzonden. Door verweerder is gewezen op het verzendstempel op het besluit, de juiste tenaamstelling en adressering en op de computerschermafdruk, doch dit overtuigt het College niet, aangezien verweerder ter zitting geen duidelijkheid heeft verschaft wie op welk moment de datum van verzending in de geautomatiseerde verzendadministratie vermeldt en evenmin door wie op welke plaats en op welk moment het verzendstempel op het besluit wordt geplaatst. De door verweerder genoemde feiten berusten mede op veronderstellingen en geven onvoldoende waarborg dat de envelop met daarin het besluit daadwerkelijk op de genoemde datum is verzonden. Dit leidt tot de conclusie dat verweerders besluit van 31 oktober 2006 eerst bij de verzending in afschrift aan appellant op 2 april 2007 op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt en dat op dat moment de termijn, genoemd in artikel 6:7 van de Awb, is aangevangen, zodat appellant tijdig bezwaar heeft gemaakt. Het College voegt daar aan toe dat, zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat het besluit van 31 oktober 2006 wel op 1 november 2006 is verzonden, het bezwaar ontvankelijk zou zijn te achten. Appellant heeft de ontvangst van het besluit op niet ongeloofwaardige wijze ontkend en hij heeft, nadat hij door verweerders brief van 1 maart 2007 van dat besluit op de hoogte kwam, reeds in zijn brief van 12 maart 2007 van bezwaar laten blijken. Daarmee heeft appellant zo spoedig als redelijkerwijs kon worden verlangd bezwaar gemaakt. 5.4 Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat appellante niet-ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen het besluit van 31 oktober 2006. Ook in dit opzicht kan het bestreden besluit derhalve niet worden gehandhaafd. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het besluit van 10 januari 2008 zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. 5.5 Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. De kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,--. Daarbij is uitgegaan van 1 procespunt (met een waarde van € 322,--) voor het indienen van het beroepschrift. Het College zal voorts bepalen dat het door appellant betaalde griffierecht dient te worden vergoed. 6. De beslissing Het College - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen; - veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 322,-- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten moet vergoeden; - gelast de Staat der Nederlanden aan appellant het betaalde griffierecht ten bedrage van € 143,-- (zegge: honderddrieënveertig euro) vergoedt. Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2009. w.g. E.R. Eggeraat w.g. P.M. Beishuizen