Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0707

Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2908 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening WAO-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML. De bezwaararbeidsdeskundige heeft voldoende gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.


Uitspraak

08/2908 WAO Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 april 2008, 07/1124 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 mei 2009. Namens appellant is mr. K.R. Lieuw On, advocaat te Amsterdam, verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka. II.OVERWEGINGEN 1.1. Appellant, die werkzaam is geweest als supervisor netwerkbeheerder in een voltijds dienstverband, is per 9 augustus 2001 uitgevallen in verband met nek- en rugklachten. Per einde wachttijd, die destijds 52 weken bedroeg, is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, welke werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. 1.2. Appellant is in het kader van een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten op 15 februari 2006 onderzocht door de verzekeringsarts H. Spanjaard, die heeft aangegeven dat appellant beperkingen ondervindt ten aanzien van het verrichten van arbeid. Deze verzekeringsarts heeft een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld, waarin de belastbaarheid van appellant is beschreven. Na raadpleging van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) heeft de arbeidsdeskundige H. Drenth een aantal functies geselecteerd, die in overeenstemming worden geacht met de beperkingen van appellant en waarmee het verlies aan verdiencapaciteit leidt tot een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25%. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 juli 2006 aan appellant meegedeeld dat zijn WAO-uitkering per 7 september 2006 naar die klasse wordt herzien. 1.3. In de bezwaarprocedure heeft de bezwaarverzekeringsarts H.B.M. Hesse op basis van dossierstudie en kennisneming van de omtrent appellant beschikbare medische informatie in zijn rapportage van 14 november 2006 aangegeven de beoordeling door de primaire verzekeringsarts te onderschrijven met aanpassing van de FML op het aspect hoog handelingstempo vanwege de beperkte tolerantie van appellant ten aanzien van stresserende factoren. Op basis van deze aangepaste FML heeft de bezwaararbeidsdeskundige L. Lind in haar rapportage van 25 januari 2007 functies geselecteerd en vastgesteld dat het verlies aan verdienvermogen van appellant resulteert in een indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Naar aanleiding van de door appellant overgelegde medische gegevens heeft Hesse op 13 maart 2007 een aanvullende rapportage opgesteld, waaruit blijkt dat bij een eerdere MRI-scan afwijkingen waren geconstateerd, die hebben geleid tot het vaststellen van beperkingen ten aanzien van de rugbelasting, maar niet tot wijziging van zijn eerder ingenomen verzekeringsgeneeskundig standpunt. Op verzoek van appellant heeft op 10 april 2007 alsnog een hoorzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek, die in haar rapportage van 11 april 2007 heeft aangegeven dat de medische beperkingen van appellant onvoldoende tot uiting komen in de FML, hetgeen wederom tot aanpassing daarvan heeft geleid. Op basis daarvan heeft de bezwaararbeidsdeskundige G.J.W. van der Hulst in zijn rapportage van 17 april 2007 de functies programmeur, systeembeheerder, computeroperator (sbc-code 514020), administratief medewerker, beginnend (sbc-code 315090) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) geselecteerd en geconcludeerd dat het verlies aan verdiencapaciteit leidt tot een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Onder verwijzing naar deze rapportages heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 6 juli 2006 bij besluit van 25 april 2007 (het bestreden besluit) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid per 7 september 2006 vastgesteld naar de klasse van 35 tot 45%. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde medische beperkingen, zoals weergegeven in de FML. Op basis van de voorhanden medische gegevens heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag is gebaseerd en dat de bezwaararbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant. Gelet op het loon dat appellant in de geselecteerde functies zou kunnen verdienen en het door de bezwaararbeidsdeskundige berekende maatmaninkomen, heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank de mate van arbeidsongeschiktheid terecht op 35 tot 45% vastgesteld en de WAO-uitkering van appellant dienovereenkomstig per 7 september 2006 herzien. 3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij zich nog steeds volledig arbeidsongeschikt acht, in welk verband hij heeft gesteld dat zijn medische beperkingen zijn onderschat en voorts dat het Uwv bij de herbeoordeling van verouderde medische gegevens is uitgegaan. 4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.1. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Uit de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts blijkt genoegzaam dat kennis is genomen van alle door appellant overgelegde medische informatie en dat de bezwaarverzekeringsarts deze gegevens in het kader van de heroverweging heeft meegewogen. Naar aanleiding van de door appellant in beroep overgelegde medische informatie van zijn huisarts, van de hem behandelend medisch specialisten en van de door hem geraadpleegde arts S.J.G. Kingma heeft de bezwaarverzekeringsarts Koek in haar rapportage van 22 januari 2008 gemotiveerd aangegeven dat deze geen afwijkende gegevens bevat met betrekking tot de datum in geding, zodat er geen reden is meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Uit het voorgaande blijkt dat de artsen van het Uwv de recente medische gegevens bij de beoordeling van de medische geschiktheid van appellant in hun afweging hebben betrokken. Mitsdien is de Raad van oordeel dat de besluitvorming door het Uwv niet op onzorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. 4.2. Naar aanleiding van hetgeen namens appellant ter zitting is aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe. Blijkens de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Hesse van 14 november 2006 heeft deze kennisgenomen van het op 10 oktober 2003 door de zenuwarts/neuroloog/psychiater C.J.F. Kemperman uitgebrachte expertiserapport en zijn de beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren en sociaal functioneren, behoudens het aspect hoog handelingstempo, in de FML van 15 februari 2006 overgenomen. Daaraan is de beperking toegevoegd dat dreigende conflicten dienen te worden vermeden en voorts zijn beperkingen opgenomen ten aanzien van de rugbelasting. In de FML van 14 november 2006 is de beperking van het hoog handelingstempo alsnog opgenomen, terwijl voorts nog een aanscherping in de aan de schatting ten grondslag liggende FML van 11 april 2007 heeft plaatsgevonden. Op basis daarvan is de Raad, anders dan namens appellant is verwoord, van oordeel dat uit de rapportage van Kemperman geen verdergaande beperkingen kunnen worden afgeleid. Nu appellant in hoger beroep zijn standpunt niet met nadere medische gegevens heeft onderbouwd, ziet de Raad geen aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. 4.3. Wat betreft de arbeidskundige grondslag is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapportage van 17 april 2007 voldoende inzichtelijk en verifieerbaar heeft aangetoond dat de door hem geselecteerde functies programmeur, systeembeheerder, computeroperator (sbc-code 514020), administratief medewerker, beginnend (sbc-code 315090) en productiemedewerker industrie (sbc-code 111180) voor appellant, gelet op zijn medische beperkingen, geschikt zijn. Mitsdien heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit in rechte stand kan houden. 4.4. De Raad komt dan ook tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III.BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en C.P.J. Goorden als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009. (get.) Ch. van Voorst. (get.) T.J. van der Torn. KR