Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0706

Datum uitspraak2009-06-10
Datum gepubliceerd2009-07-02
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1276 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vaststelling van voor korting op WUV-uitkering in aanmerking te nemen vermogen. Het beleggen in effecten geschiedt in beginsel voor risico van de belanghebbende en een achteruitgang van het vermogen door waardedaling van effecten in het algemeen is geen factor waarop de belanghebbende geen invloed heeft kunnen uitoefenen. Geen klaarblijkelijke hardheid. Terecht is geen rekening gehouden met waardedaling van aandelen-opties, waarvan algemeen bekend is, dat die opties bijzonder risicovolle financiële producten met een hoog “gokgehalte” zijn. Waardedaling van een zodanige belegging kan daarom niet vallen onder het toepassingsbereik van artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wet (oud).


Uitspraak

08/1276 WUV Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K in het geding tussen: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster) Datum uitspraak: 10 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante is beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 15 februari 2008, kenmerk BZ 47447, JZ/L80/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Namens appellante is daar verschenen dr. M.J. Fuks, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Aan appellante, geboren in 1928, is ingaande 1 juli 2001 als weduwe van [ f.], die was erkend als vervolgde, een periodieke uitkering op grond van de Wet toegekend. Het overeenkomstig artikel 19 van de Wet voor korting op die uitkering in aanmerking te nemen vermogen is per die datum vastgesteld op een bedrag van (omgerekend) € 1.043.602,41. 1.2. In november 2004 heeft appellante verzocht om het vastgestelde vermogen met toepassing van artikel 19, vijfde lid onder c, van de Wet (oud) te herzien en op een lager bedrag vast te stellen. Hiertoe is aangevoerd, samengevat, dat het vermogen deels is belegd in aandelen en opties en aanzienlijk is gedaald vanwege koersdalingen op de effecten-beurzen vanaf het najaar van 2001. Dit verzoek heeft verweerster afgewezen bij besluit van 29 oktober 2007, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat geen sprake is van factoren waarop appellante geen invloed heeft kunnen uitoefenen zodat een klaarblijkelijke hardheid zich hier niet voordoet. 1.3. In bezwaar en beroep is namens appellante betoogd dat het gaat om een door wijlen haar echtgenoot beheerde effectenportefeuille met ten tijde van zijn overlijden reeds aangegane optieverplichtingen aan nakoming waarvan zij zich niet kon onttrekken. Verder is gesteld dat sprake is geweest van meer dan normaal te verwachten koers-dalingen als gevolg van de aanslag op de Twin Towers te New York in september 2001, kort voor de termijn waarop de aangegane optieverplichtingen zouden moeten worden uitgeoefend. 2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt. 2.1. In artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wet (oud) is, voor zover hier van belang, bepaald dat wijziging van het vermogen geen aanleiding geeft tot herziening van de overeenkomstig dit artikellid onder a en b vastgestelde inkomsten, tenzij het vermogen door oorzaken gelegen in factoren waarop de uitkeringsgerechtigde generlei invloed heeft kunnen uitoefenen, zodanig is verminderd dat dit tot een klaarblijkelijke hardheid zou leiden. 2.2. De Raad is - overeenkomstig eerdere uitspraken, onder meer die van 17 maart 1988, nr. WUV 1985/438, JSV 1989, 147 - met verweerster van oordeel dat het beleggen in effecten in beginsel voor risico van de belanghebbende geschiedt en dat een achteruitgang van het vermogen door waardedaling van effecten in het algemeen geen factor is waarop de belanghebbende geen invloed heeft kunnen uitoefenen. 2.3. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het hier gaat om een effectenportefeuille die door de echtgenoot van appellante, waarmee zij in gemeen-schap van goederen was gehuwd, voor gezamenlijke rekening is aangeschaft. Hoewel niet onaannemelijk is dat appellante, zoals namens haar is gesteld, hiermee feitelijk weinig of geen bemoeienis heeft gehad, betekent dit toch dat hier geen sprake is van een risico dat bij overlijden van haar echtgenoot plotseling en onvoorzien op appellante is komen te rusten. 2.4. Wat betreft het argument van door een aanslag veroorzaakte extreme koersdalingen kort voor het moment waarop de termijn van de in de portefeuille opgenomen aandelen-opties zou verlopen merkt de Raad op dat, naar van algemene bekendheid is, opties bijzonder risicovolle financiële producten met een hoog “gokgehalte” zijn. Waardedaling van een zodanige belegging kan daarom niet vallen onder het toepassingsbereik van artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wet (oud). 3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat verweerster op goede gronden heeft geoordeeld dat in dit geval geen sprake is van factoren die leiden tot een klaarblijkelijke hardheid als bedoeld in artikel 19, vijfde lid, onder c, van de Wet (oud). Het bestreden besluit kan daarom in rechte standhouden. 4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009. (get.) A. Beuker-Tilstra. (get.) M. Lammerse. HD