
Jurisprudentie
BJ0705
Datum uitspraak2009-03-18
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers107286/HA RK 09-11
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Groningen
Zaaknummers107286/HA RK 09-11
Statusgepubliceerd
Indicatie
Voorlopig getuigenverhoor gedurende bodemprocedure, maar voordat conclusie van antwoord is genomen, leidt tot ondoelmatige procesvoering. Wegens strijd met de goede procesorde wijst de rechtbank het verzoek af.
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK GRONINGEN
Sector civielrecht
zaaknummer / rolnummer: 107286 / HA RK 09-11
Beschikking van 18 maart 2009
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
AUTO ACTIEF HOLDING B.V.,
gevestigd te Groningen,
2. [verzoekster sub 2],
gevestigd te Winsum,
verzoeksters,
advocaat mr. H.P. de Lange,
tegen
1. [verweerder sub 1].,
gevestigd te Groningen,
2. [verweerder sub 2],
gevestigd te Groningen,
3. [verweerder sub 3],
wonende te [woonplaats],
4. [verweerder sub 4],
wonende te [woonplaats],
verweerders,
advocaat mr. M.J. Blokzijl.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- de mondelinge behandeling op 26 februari 2009 waarbij [verzoekster sub 2] bijgestaan door
mr. De Lange en [verweerder sub 3] bijgestaan door mr. Blokzijl zijn verschenen.
2. De beoordeling
2.1. Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank een voorlopig getuigenverhoor zal bevelen. Verzoeksters stellen hiertoe het volgende.
De bank zegde de financiering van de door eisers gedreven onderneming begin 2008 op. De aandeelhouders van verzoeksters zijn daarna in gesprek gegaan met de aandeelhouders van verweerders; men kende elkaar al jaren uit privé-contacten. Er is in de eerste helft van 2008 intensief gesproken over overname van de onderneming en het bedrijfspand waarin deze werd gedreven. Bij die besprekingen waren aan beide zijden ook adviseurs aanwezig. In de zomer van 2008 bereikte men een principeakkoord. Verweerders gingen vanaf dat moment zich actief bemoeien met de bedrijfsvoering. In augustus 2008 lieten verweerders echter van het ene moment op het andere weten dat men alsnog van overname afzag.
Verzoekers stellen dat verweerders wanprestatie hebben gepleegd, althans ontijdig de onderhandelingen hebben afgebroken. In alle gevallen zijn verweerders een schadevergoeding verschuldigd.
In de reeds aangespannen bodemprocedure is dit (de grondslag van) de vordering. Gezien de te verwachten betwisting in de hoofdzaak, zullen verzoeksters bewijs moeten leveren voor hun stelling dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, althans dat partijen zich in een dermate vergevorderd stadium van onderhandelen bevonden dat het verweerders niet vrij stond de onderhandelingen af te breken zonder schade te vergoeden. Door middel van het horen van (reeds met name genoemde) getuigen kan dit bewijs worden geleverd. Om proceseconomische redenen, mede omdat ieders herinnering nu nog ‘vers’ is, wordt daartoe thans verzocht.
2.2. Verweerders verzetten zich tegen inwilliging van dit verzoek en voeren daartoe onder andere aan dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde. In november 2008 hebben verzoeksters een bodemprocedure, alsmede een provisioneel incident (strekkende tot verkrijging van een voorschot op de schadevergoeding) aanhangig gemaakt. Door het onderhavige verzoek wordt dat proces verstoord, terwijl op dit moment nog niet duidelijk is omtrent welke feiten verzoeksters daadwerkelijk zullen worden toegelaten tot het leveren van bewijs. De goede procesorde vereist dat verzoeksters wachten tot aan hen een concrete bewijsopdracht zal zijn gegeven. Ook de rechter-commissaris is in die situatie beter op de hoogte van alle feiten en omstandigheden, zodat de ondervraging van de getuigen beter en efficiënter zal geschieden.
2.3. De rechtbank overweegt als volgt.
2.3.1. In artikel 186 lid 2 Rv is bepaald dat de rechter tijdens een aanhangig geding op verzoek van een partij een voorlopig getuigenverhoor kan bevelen. Een dergelijk verzoek komt slechts in bijzondere omstandigheden voor afwijzing in aanmerking. Daarvan kan sprake zijn indien de verzoeker geen belang heeft als bedoeld in art. 3:303 BW, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, er misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid tot het bezigen van dit middel of indien het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.
2.3.2. Door de Hoge Raad is de ratio van een voorlopig getuigenverhoor aldus omschreven dat het beoogt mogelijk te maken dat spoedig na het plaats vinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd, alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat; een voorlopig getuigenverhoor strekt er volgens de Hoge Raad tevens toe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken geding de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie het geding moet worden aangespannen.
2.3.3. Verzoeksters hebben reeds een bodemprocedure aanhangig gemaakt, zodat het argument van het vooraf opheldering krijgen omtrent de feiten teneinde hen duidelijkheid te geven tegen wie het geding moet worden aangespannen, hier niet relevant is.
Voorts is niet gesteld of gebleken dat bewijs verloren dreigt te gaan ánders dan dat herinneringen afnemen door tijdsverloop.
2.3.4. Derhalve is het verzoek om een voorlopig getuigenverhoor te gelasten in overwegende mate ingegeven door de wens van verzoeksters dat zo spoedig mogelijk feiten die in hun voordeel spreken, in rechte worden vastgesteld.
Die wens verdraagt zich niet met de goede procesorde in die zin dat honorering van het verzoek leidt tot ondoelmatige procesvoering. Gegeven is immers dat verweerders in de hoofdzaak nog niet hebben geantwoord. Het formuleren van een bewijsopdracht door de rechter is het resultaat van het scheiden van hetgeen vast staat en hetgeen wordt betwist, dit alles voor zover überhaupt relevant in het licht van hetgeen wordt gevorderd. Pas als er een conclusie van antwoord is genomen (en daarbij de door de gedaagde partij relevant geachte producties in het geding zijn gebracht), heeft de rechtbank de mogelijkheid om in een bewijsopdracht het kader te schetsen waarbinnen een getuigenverhoor plaats kan vinden. Zolang verweerders als gedaagden in de hoofdzaak hun visie op de gebeurtenissen in de eerste helft van 2008 niet hebben gegeven, zal de rechter die de getuigen hoort louter op basis van hetgeen verzoekers hebben aangevoerd en als probandum geformuleerd, voortdurend voor de vraag staan of aan getuigen te stellen vragen relevant zijn c.q. of er méér of anders zou moeten worden gevraagd. Voorts bestaat er het gevaar dat na een ‘gemankeerd’ voorlopig getuigenverhoor in de bodemzaak nadien andermaal (wellicht dezelfde) getuigen moeten worden gehoord; dit is een nodeloos omslachtige route.
2.3.5. Het stadium waarin het hoofdgeding zich bevindt verdraagt zich niet met het reeds nu horen van getuigen (vgl. Hoge Raad 21 november 2008, NJ 2008, 608). Tegen deze achtergrond dient het onderhavige verzoek om op dit moment een voorlopig getuigenverhoor te bevelen, wegens strijd met de goede procesorde te worden afgewezen.
Verzoeksters zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure worden veroordeeld.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1. wijst het verzoek af,
3.2. veroordeelt verzoeksters in de kosten van deze procedure aan de zijde van verweerders, tot op heden begroot op € 452,00.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.J.A.M. Dijkers en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2009.?