Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0702

Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1798 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering terug te komen van het besluit tot Intrekking WAO-uitkering. Geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Uitspraak

08/1798 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 februari 2008, 07/6480 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 26 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. J.I. Vervest, advocaat te Beverwijk, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009, waar appellante, met schriftelijke kennisgeving, niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H.A.H. Smithuysen. II. OVERWEGINGEN 1.1. Bij besluit van 21 juni 2006 heeft het Uwv de aan appellante verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 22 augustus 2007 ingetrokken. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 januari 2007 wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Tegen laatstgenoemd besluit is geen rechtsmiddel aangewend. 1.2. Bij brief van 27 maart 2007 heeft appellante het Uwv verzocht van het besluit van 21 juni 2006 tot intrekking van haar WAO-uitkering terug te komen vanwege een na het gesprek met de verzekeringsarts ontstane verergering van haar medische klachten. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen, omdat – samengevat – er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die een terugkomen van het besluit 21 juni 2006 rechtvaardigen. Het tegen het besluit van 12 april 2007 door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 11 juli 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. 2.1. De rechtbank heeft, beslissende op het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep, als haar oordeel gegeven dat het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het overlijden van de tante van appellante en de ziekte van haar echtgenoot zijn, aldus de rechtbank, geen feiten en omstandigheden die ten tijde van de beslissing van 21 juni 2006 nog niet bekend waren of bekend hadden kunnen zijn. 2.2. Op grond van het onder 2.1 vermelde is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het Uwv bevoegd was met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 21 juni 2006 af te wijzen en voor de motivering van die afwijzing te volstaan met verwijzing naar dit besluit. De rechtbank heeft in hetgeen door appellante is aangevoerd geen grond gezien voor het oordeel dat het Uwv niet in redelijkheid van de hem toekomende bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Daarop is het beroep ongegrond verklaard. 3.1. In hoger beroep heeft appellante verwezen naar hetgeen zij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. 3.2. Het Uwv heeft zich geschaard achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en heeft verzocht deze te bevestigen. 4.1. Het bestreden besluit berust op het standpunt van het Uwv dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. 4.2. De Raad acht dit standpunt, evenals de rechtbank, juist. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft doen aanvoeren vormt in essentie slechts een herhaling van de gronden waarop het beroep bij de rechtbank steunt. Die gronden zijn door de rechtbank, zoals weergegeven onder 2.1 en 2.2 van deze uitspraak, in haar oordeelsvorming betrokken. Dit oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank onderschrijft de Raad. De aangevallen uitspraak komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009. (get.) D.J. van der Vos. (get.) J.M. Tason Avila. JL