Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0688

Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/6833 WIA
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen onderschatting beperkingen. Geschiktheid functies.


Uitspraak

07/6833 WIA Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 oktober 2007, 06/2297 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 26 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2009. Voor appellante is haar voornoemde gemachtigde verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door dhr. R. Zaagsma. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster en heeft zich op 12 januari 2004 ziek gemeld met knieklachten. 1.2. Bij besluit van 3 januari 2006 heeft het Uwv beslist dat appellante aansluitend aan de wettelijke wachttijd per 9 januari 2006 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 27 juni 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de beslissing ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar mogelijkheden en beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%. 2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 27 juni 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit. 3.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv ziet de Raad evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellante heeft onderschat en overweegt hieromtrent als volgt. 4.2. Appellante heeft aangevoerd dat het Uwv haar beperkingen die het gevolg zijn van haar lichamelijke klachten heeft onderschat en heeft in dit verband in hoger beroep een verslag overgelegd, van een bezoek van appellante op 16 januari 2006 aan de polikliniek neurologie van het St. Lucas/Andreas ziekenhuis in Amsterdam in verband met pijn aan haar rechterbeen. Appellante meent dat dit verslag steun biedt voor haar stelling dat zij op 9 januari 2006 meer been- en rugbeperkingen had dan is aangenomen. Zij is voorts van oordeel dat zij niet tot voltijdse arbeid in staat is en heeft gewezen op haar slechte sociale en financiƫle situatie. Het Uwv heeft gereageerd door het overleggen van een rapportage van zijn bezwaarverzekeringsarts, die geen nieuwe gezichtspunten ziet en er op wijst dat de informatie al bekend was. 4.3. De Raad is van oordeel dat door de (bezwaar)verzekeringsartsen in hun rapportages voldoende overtuigend is gemotiveerd dat bij het opnemen van de beperkingen van appellante in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 22 november 2005 voldoende rekening is gehouden met haar klachten en dat voor meer of zwaardere beperkingen, of een urenbeperking, geen aanleiding is. Ook de in hoger beroep overgelegde rapportage biedt daarvoor geen aanknopingspunten, nu ook daaruit geen objectieve gegevens naar voren komen die er op wijzen dat appellante meer beperkingen heeft. 4.4. Uitgaande van de in de genoemde FML opgenomen beperkingen, bestaat er naar het oordeel van de Raad voldoende reden om de drie door het Uwv geduide functies waar de schatting van haar mate van arbeidsongeschiktheid op is gebaseerd, voor appellante geschikt te achten. Zij heeft in hoger beroep ook geen gronden van arbeidskundige aard aangevoerd. 5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.R.H. van Roekel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) T.R.H. van Roekel. JL