Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0678

Datum uitspraak2009-06-25
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5947 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking WAO-uitkering: minder dan 15% arbeidsongeschikt. De Raad kan (...) de rechtbank volgen in haar overwegingen dat in de door appellante overgelegde medische informatie geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen.


Uitspraak

07/5947 WAO Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellante] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 2 oktober 2007, 06/1146 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 25 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. P.H.M. Hartmans, advocaat te Gulpen, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.P.L. Smeets. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een uitvoerig overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. 2.1. Bij besluit van 15 november 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%, met ingang van 12 januari 2006 ingetrokken omdat appellantes mate van arbeidsongeschiktheid afgenomen was naar minder dan 15%. Bij het bestreden besluit van 24 april 2006 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. 2.2. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellante weliswaar beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat appellante met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies. 3. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit van 24 april 2006, maar liet de rechtsgevolgen van dat besluit in stand. 4. In hoger beroep heeft appellante de gronden van haar beroep herhaald. Zij is van mening dat een urenbeperking aan de orde moet zijn. Tijdens de beroepsprocedure heeft ze een tweetal deskundigenberichten ingebracht, daarmee onder meer haar stelling dat zij beperkt is in arbeidsduur ondersteunend. Bovendien is appellantes dagverhaal zoals opgetekend door de verzekeringarts onjuist. 5.1. De Raad kan echter de rechtbank volgen in haar overwegingen dat in de door appellante overgelegde medische informatie geen aanknopingspunten te vinden zijn voor het oordeel dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft aangenomen. 5.2. Het is de Raad eveneens niet gebleken dat de (bezwaar)verzekeringsartsen uitgegaan zijn van een onjuist beeld van appellantes dagactiviteiten. 5.3. Het hoger beroep slaagt derhalve niet. 6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2009. (get.) A.T. de Kwaasteniet. (get.) A.C.A. Wit. JL