Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0668

Datum uitspraak2009-06-18
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/702 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Oplegging disciplinaire straf van verplaatsing naar een andere unit naar aanleiding van een ongeval met een dienstauto. Appellant heeft met toepassing van artikel 66, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op betrokkene de omboekingskosten ad € 125, - en de kosten van het vliegticket van zijn vervanger ad € 1.955, - (in totaal € 2.080, -) verhaald. De Raad stelt voorop dat de schade aan de auto en de tuin onmiskenbaar in causaal verband met het aan betrokkene toe te rekenen handelen in de auto staat. Die schade is betrokkene evenwel niet in rekening gebracht omdat zij uit een bij de GGCT bestaand “potje” kon worden betaald. Met de schade die op betrokkene is verhaald was dat niet het geval. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat die schade niet in rechtens relevant causaal verband met het bedoelde handelen van betrokkene staat. Die schade is immers het directe gevolg van de beslissingen (aan de kant) van appellant om betrokkene niet langer in de GGCT te handhaven, hem naar Nederland te repatriëren, hier te lande een vervanger aan te wijzen en deze per vliegtuig (business class) naar Curaçao over te brengen. Dit zijn alle beslissingen die appellant niet zonder afweging van betrokken belangen heeft kunnen nemen en die buiten de directe invloedssfeer van betrokkene staan. Daarom staat de schade die uit deze beslissingen voortvloeit ten bedrage van € 2.080,- in een te ver verwijderd verband met de meerbedoelde handeling van betrokkene om een rechtens relevant causaal verband ter zake aanwezig te kunnen achten.


Uitspraak

08/702 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: de Staatssecretaris van Financiën (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 21 december 2007, 07/4696 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en [Betrokkene], wonende te [woonplaats], (hierna: betrokkene) Datum uitspraak: 18 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door R.H. Laurs, werkzaam bij het ministerie van Financiën. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door mr. J. Choufoer-van der Wel, advocaat te ’s-Gravenhage. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Betrokkene was [naam functie] groepsfunctionaris C bij de [naam unit] en werkzaam binnen het [naam team]. Begin juli 2006 werd hij, voor de duur van zeven weken, uitgezonden naar de Nederlandse Antillen in het kader van het project Gemeenschappelijke Grenscontroles Nederlandse Antillen (hierna: GGCT) en ondergebracht op de Marinebasis Parera. 1.2. In de avond van zaterdag 8 juli 2006 bezocht betrokkene samen met een collega per dienstauto een uitgaansgelegenheid aan het strand. Omstreeks 03.00 uur keerden zij naar de marinebasis terug; de collega bestuurde de auto. Onderweg trok betrokkene op een gegeven moment onverhoeds aan de handrem, als gevolg waarvan de auto op het door regen nat geworden wegdek in de slip raakte. De chauffeur verloor daarbij de macht over het stuur en de auto belandde in de tuin van een aan de weg gelegen huis, met schade aan de auto en de tuin als gevolg. 1.3. Naar aanleiding van dat ongeval is betrokkene te kennen gegeven dat zijn aanwezigheid in de Nederlandse Antillen in het kader van de GGCT niet langer wenselijk was. Op 15 juli 2006 kwam hij per vliegtuig op de luchthaven Schiphol aan. 1.4. Bij besluit van 22 januari 2007 werd betrokkene wegens zijn aandeel in het ongeval in de nacht van 8 op 9 juli 2006 de disciplinaire straf van verplaatsing naar een andere unit opgelegd. In dit besluit heeft betrokkene uiteindelijk berust. 1.5. Voorts heeft appellant bij besluit van 13 maart 2007 met toepassing van artikel 66, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) op betrokkene de omboekingskosten ad € 125,- en de kosten van het vliegticket van zijn vervanger ad € 1.955,- (in totaal € 2.080,-) verhaald. Het bezwaar van betrokkene tegen dat besluit is bij het bestreden besluit van 16 augustus 2007 ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - voor zover in hoger beroep aan de orde - het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak; tevens zijn beslissingen inzake griffierecht en proces-kosten gegeven. De rechtbank was - samengevat - van oordeel dat de door appellant geclaimde schade niet het rechtstreekse en directe gevolg is van het handelen van betrokkene bij het (onder 1.2 beschreven) auto-ongeval, maar van de beslissingen van appellant om betrokkene naar Nederland terug te laten gaan en een vervanger te laten invliegen. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het zojuist weergeven oordeel van de rechtbank gekeerd. 4. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende. 4.1. De Raad stelt voorop dat de schade aan de auto en de tuin onmiskenbaar in causaal verband met het aan betrokkene toe te rekenen handelen in de auto staat. Die schade is betrokkene evenwel niet in rekening gebracht omdat zij uit een bij de GGCT bestaand “potje” kon worden betaald. Met de schade die op betrokkene is verhaald was dat niet het geval. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat die schade niet in rechtens relevant causaal verband met het bedoelde handelen van betrokkene staat. Die schade is immers het directe gevolg van de beslissingen (aan de kant) van appellant om betrokkene niet langer in de GGCT te handhaven, hem naar Nederland te repatriëren, hier te lande een vervanger aan te wijzen en deze per vliegtuig (business class) naar Curaçao over te brengen. Dit zijn alle beslissingen die appellant niet zonder afweging van betrokken belangen heeft kunnen nemen en die buiten de directe invloedssfeer van betrokkene staan. Daarom staat de schade die uit deze beslissingen voortvloeit ten bedrage van € 2.080,- in een te ver verwijderd verband met de meerbedoelde handeling van betrokkene om een rechtens relevant causaal verband ter zake aanwezig te kunnen achten. 4.2. Appellant was dan ook niet bevoegd om met toepassing van artikel 66 van het ARAR op betrokkene de schade ten bedrage van € 2.080,- te verhalen. 4.5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. 5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding appellant op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 644,- aan kosten van rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten; Veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 644,-, te betalen door de Staat der Nederlanden; Bepaalt dat van de Staat der Nederlanden een griffierecht van € 428,- wordt geheven. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009. (get.) J.G. Treffers. (get.) K. Moaddine. HD