
Jurisprudentie
BJ0667
Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4682 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4682 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen sprake van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. De Raad wijst er in dit verband (...) op dat het aangevochten oordeel, anders dan in het geschil dat heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 27 februari 2008, 06/6230 WAO (LJN: BC5177), nog niet eerder door de Raad is uitgesproken in het tussen partijen bestaande geschil.
Uitspraak
07/4682 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juli 2007, 07/223 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van appellante is op het verweerschrift gereageerd. Het Uwv heeft commentaar geleverd op deze reactie.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2009. Partijen zijn met voorafgaand bericht niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Het hoger beroep van appellante richt zich uitsluitend tegen het onderdeel van de aangevallen uitspraak waarin de rechtbank, samengevat weergegeven, als haar oordeel heeft uitgesproken dat de kosten die zijn verbonden aan de op verzoek van appellante door het Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten niet voor vergoeding vanwege het Uwv in aanmerking komen.
2. Het Uwv heeft onder verwijzing naar jurisprudentie van de Raad naar voren gebracht dat het hoger beroep geen kans van slagen heeft. Het Uwv heeft hierbij verzocht om niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep, hetzij op de grond dat gezien de kansloosheid ervan geen sprake is van een procesbelang, hetzij op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht. Voorts heeft het Uwv verzocht om veroordeling van appellante in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. De Raad overweegt in de eerste plaats dat niet kan worden geconcludeerd dat appellante in het geheel geen procesbelang heeft bij het hoger beroep, nu niet op voorhand kan worden gezegd dat het door haar beoogde resultaat niet kan worden bereikt. Evenmin bestaat evenmin aanleiding het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren op de grond dat sprake is van misbruik van procesrecht. Nog ervan afgezien dat de Raad - naar blijkt uit hetgeen hierna onder 3.4. wordt overwogen - het Uwv niet volgt in de stelling dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht, geldt dat de Awb, in die gevallen waarin daarvan wel sprake is, slechts voorziet in de bevoegdheid van de rechter om een natuurlijk persoon in de proceskosten te veroordelen.
3.1. Voorts overweegt de Raad dat hij bij uitspraak van 13 april 2005, LJN: AT4323, kort samengevat, heeft overwogen dat de kosten van door Instituut Psychosofia uitgebrachte rapporten niet voor vergoeding op de voet van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking komen. Dit oordeel is door de Raad nadien bij vele uitspraken - waarbij mr. De Jonge als gemachtigde optrad - herhaald.
3.2. Er bestaat geen aanleiding in de onderhavige zaak tot een ander oordeel te komen. Het hoger beroep treft daarom geen doel. De aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
3.3. Met betrekking tot het verzoek van het Uwv om veroordeling van appellante in de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
3.4. De omstandigheid dat appellante een reeds herhaaldelijk door de Raad in vergelijkbare zaken gegeven oordeel aanvecht is op zich onvoldoende om te komen tot het oordeel dat appellante kennelijk onredelijk gebruik maakt van procesrecht als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, derde volzin, van de Awb. Weliswaar diende appellante, naar door het Uwv naar voren is gebracht, gelet op de door haar gemachtigde in tal van andere procedures ingediende en door de Raad verworpen gronden, er bij het instellen van het hoger beroep ernstig rekening mee te houden dat de Raad in dit geval niet tot een van zijn voormelde vaste jurisprudentie afwijkend oordeel zou komen, maar dat maakt nog niet dat het aanvechten van deze jurisprudentie als een kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht moet worden aangemerkt. De Raad wijst er in dit verband nog op dat het aangevochten oordeel, anders dan in het geschil dat heeft geleid tot de uitspraak van de Raad van 27 februari 2008, 06/6230 WAO (LJN: BC5177), nog niet eerder door de Raad is uitgesproken in het tussen partijen bestaande geschil.
3.5. Het verzoek van het Uwv wordt daarom afgewezen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel. Deze beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M. van der Vos.
KR