Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0666

Datum uitspraak2009-06-18
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/303 AW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verlening eervol ontslag in verband met de opheffing van zijn functie als uitvloeisel van een reorganisatie. Appellant heeft zich als herplaatsingskandidaat aangemeld voor (twee vacatures voor) de functie van universitair docent staats- en bestuursrecht bij de faculteit. De sollicitatiecommissie hem meegedeeld, geen positief benoemingsadvies te kunnen geven. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de in een samen-werkingsconvenant overeengekomen brede en diepgaande samenwerking tussen de faculteit en de rechtbank ’s-Gravenhage een ernstige inbreuk vormt op zijn in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamen-tele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht en daarmee van zijn recht op een eerlijk proces, en een schending vormt van het beginsel van effectieve rechtsbescherming. De Raad overweegt dienaangaande dat appellant geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat dit samenwerkingsverband, dat blijkens het convenant gericht is op wederzijdse kwaliteitsverbetering van de deelnemende organisaties, op enigerlei wijze de onafhankelijkheid van de rechtbank als instelling raakt, dan wel de procesgang of de oordeelsvorming van de rechter in de onderhavige zaak kan hebben beïnvloed. De Raad merkt hierbij nog op dat appellant heeft nagelaten de desbetreffende rechter te wraken en dat hij daarmee het middel bij uitstek om het gestelde gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid aan de orde te stellen onbenut heeft gelaten. Deze grief faalt dus. De Raad onderschrijft niet het oordeel van het college en de rechtbank, dat appellant niet als herplaatsingskandidaat diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft haar oordeel op dit punt met name gebaseerd op de overweging dat in de vaststellingsovereenkomst geen bepalingen omtrent herplaatsing waren opgenomen, en dat uit de bewoordingen van de overeenkomst zou zijn af te leiden dat het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet in de bedoeling van partijen heeft gelegen om nog herplaatsingmogelijkheden te onderzoeken. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank hiermee ten onrechte voorbijgegaan aan het bepaalde in artikel 8, onder d, van de Herplaatsingregeling van de Universiteit Leiden. Op toereikende gronden is geconcludeerd dat de door appellant geambiëerde functie niet passend voor hem was.


Uitspraak

08/303 AW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 november 2007, 06/4879 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van Bestuur van de Universiteit Leiden (hierna: college) Datum uitspraak: 18 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Appellant heeft hoger beroep ingesteld. Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2009. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.H. Mandel, werkzaam bij de Universiteit Leiden. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een meer uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende. 1.1. Appellant is met ingang van 1 januari 1978 aangesteld bij de Faculteit der Rechts-geleerdheid (hierna: faculteit) van de Universiteit Leiden in de functie van [naam functie]. Bij besluit van 10 december 2003 heeft het college aan appellant met ingang van 1 april 2004 eervol ontslag verleend in verband met de opheffing van zijn functie als uitvloeisel van een reorganisatie. Dit besluit is bij besluit van 26 januari 2004 ingetrok-ken. Het college en appellant zijn bij vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 en volgende van het Burgerlijk Wetboek - kort samengevat - overeengekomen het ontslag van appellant op een later moment, te weten 1 juli 2006, te doen ingaan, waar-tegenover appellant zich heeft verbonden geen rechtsmiddelen aan te wenden tegen het ontslagbesluit. Bij besluit van 29 juli 2004 is aan appellant eervol ontslag verleend met ingang van 1 juli 2006; in dit besluit heeft appellant berust. 1.2. In april 2005 heeft appellant zich als herplaatsingskandidaat aangemeld voor (twee vacatures voor) de functie van universitair docent staats- en bestuursrecht bij de faculteit. Bij brief van 29 juni 2005 heeft de sollicitatiecommissie hem meegedeeld, geen positief benoemingsadvies te kunnen geven. Tegen deze brief is appellant bij brief van 2 augustus 2005 in administratief beroep gegaan bij het college. Op 19 januari 2006 is appellant gehoord door de Commissie voor de beroep- en bezwaarschriften, kamer voor personele zaken (hierna: commissie). De commissie heeft het college geadviseerd, teneinde aan niet-ontvankelijkverklaring van het ingestelde beroep (lees: bezwaar) te ontkomen, de brief van 29 juni 2005 aan te merken als een in mandaat genomen besluit tot afwijzing voor de functie. Bij het bestreden besluit van 29 mei 2006 heeft het college het bezwaar, met overneming van het advies van de commissie, ongegrond verklaard. 2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant in hoofdzaak zijn bij de rechtbank gestelde beroepsgronden herhaald. Naast een aantal grieven van procesrechtelijke aard heeft appellant inhoudelijk naar voren gebracht dat de rechtbank ten onrechte het college gevolgd is in de opvatting, dat appellant geen herplaatsingskandidaat was en niet aan de functie-eisen voldeed. 4. De Raad overweegt het volgende. 4.1. Wat betreft de beroepsgronden dat de voorzitter van de commissie niet onafhankelijk zou zijn geweest, dat de wettelijke termijn voor de beslissing op bezwaar is overschreden, en dat de kwaliteit van het verslag van de commissie onder de maat zou zijn, schaart de Raad zich achter de overwegingen die de rechtbank aan deze gronden heeft gewijd en verwijst daarnaar. 4.2. Appellant heeft voorts in hoger beroep zijn grief herhaald dat de in een samen-werkingsconvenant overeengekomen brede en diepgaande samenwerking tussen de faculteit en de rechtbank ’s-Gravenhage een ernstige inbreuk vormt op zijn in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamen-tele vrijheden (EVRM) gegarandeerde recht op een onafhankelijk en onpartijdig gerecht en daarmee van zijn recht op een eerlijk proces, en een schending vormt van het beginsel van effectieve rechtsbescherming. De Raad overweegt dienaangaande dat appellant geenszins aannemelijk heeft gemaakt dat dit samenwerkingsverband, dat blijkens het convenant gericht is op wederzijdse kwaliteitsverbetering van de deelnemende organisaties, op enigerlei wijze de onafhankelijkheid van de rechtbank als instelling raakt, dan wel de procesgang of de oordeelsvorming van de rechter in de onderhavige zaak kan hebben beïnvloed. De Raad merkt hierbij nog op dat appellant heeft nagelaten de desbetreffende rechter te wraken en dat hij daarmee het middel bij uitstek om het gestelde gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid aan de orde te stellen onbenut heeft gelaten. Deze grief faalt dus. 4.3. De Raad onderschrijft niet het oordeel van het college en de rechtbank, dat appellant niet als herplaatsingskandidaat diende te worden aangemerkt. De rechtbank heeft haar oordeel op dit punt met name gebaseerd op de overweging dat in de vaststellingsovereen-komst geen bepalingen omtrent herplaatsing waren opgenomen, en dat uit de bewoor-dingen van de overeenkomst zou zijn af te leiden dat het ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet in de bedoeling van partijen heeft gelegen om nog herplaatsings-mogelijkheden te onderzoeken. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank hiermee ten onrechte voorbijgegaan aan het bepaalde in artikel 8, onder d, van de Herplaatsings-regeling van de Universiteit Leiden: “De beëindiging van het herplaatsingsonderzoek heeft geen invloed op de status van herplaatsingskandidaat. Deze eindigt pas wanneer de herplaatsingskandidaat in een passende functie wordt herplaatst of wanneer het dienstverband eindigt.” Uit deze bepaling blijkt naar het oordeel van de Raad ondubbelzinnig, dat ook indien, zoals in het geval van appellant, het actieve herplaatsingsonderzoek is beëindigd, maar het dienstverband nog enige tijd voortduurt, de betrokkene tot aan de ingangsdatum van het ontslag bij voorkomende vacatures aanspraak behoudt op zijn status van herplaat-singskandidaat en de daaraan verbonden voorrangspositie. Indien het in de bedoeling van partijen had gelegen, bij de vaststellingsovereenkomst af te wijken van deze bepaling, die een belangrijke waarborg voor met ontslag bedreigd personeel inhoudt, dan zou daartoe naar het oordeel van de Raad ten minste een expliciete contractsbepaling van die strekking vereist zijn; een dergelijke bepaling ontbreekt echter. 4.4. De Raad merkt hierbij echter voorts op dat hij - anders dan de rechtbank - van oordeel is dat appellant ook niet uit het gedrag van de wederpartij heeft hoeven opmaken dat deze op dit punt een andere uitleg aan de vaststellingsovereenkomst gaf. Het college is appellant immers ook na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in meerdere opzichten als een herplaatsingskandidaat blijven behandelen, zoals onder meer blijkt uit het blijven toezenden van meldingen van vacatures die uitsluitend voor herplaatsers bestemd waren en uit het feitelijk overeenkomstig de Herplaatsingsregeling blokkeren van één van de twee vacatures totdat over de passendheid van de functie voor appellant zou zijn beslist. 4.5. Daarmee staat de Raad voor de vraag of het college de functie van universitair docent staats- en bestuursrecht terecht niet passend heeft geacht voor appellant. Het college heeft dienaangaande gesteld dat appellant niet voldoet aan verschillende functie-eisen: hij is geen generalist op de volledige breedte van het terrein van het staats- en bestuursrecht, hij is geen gepromoveerd jurist en hij heeft geen aantoonbare onderzoeksbelangstelling voor de invloed van het Europese recht op het nationale recht. Voor het geval appellant als herplaatsingskandidaat zou zijn aan te merken - hetgeen het college bestrijdt - stelt het college bovendien dat appellant niet binnen een periode van maximaal een jaar door middel van om-, her- of bijscholing aan de functie-eisen zal kunnen voldoen, zoals artikel 6, onder b, van de Herplaatsingsregeling vereist, wil er sprake zijn van een passende functie.Appellant heeft hier tegenover gesteld, dat hij ook zonder extra scholing aan alle functie-eisen voldoet. Bovendien heeft hij erop gewezen, dat in de vacaturetekst slechts werd gesproken over tot aanbeveling strekkende belangstelling voor het Europese recht, maar dat de benoemingsadviescommissie vervolgens ten onrechte grondige kennis van en inzicht in de implicaties van het Europese recht voor het nationale staats- en bestuursrecht als (extra) functie-eis is gaan hanteren. 4.6. De Raad overweegt dat ook indien appellant wordt gevolgd in zijn stelling dat de belangstelling voor het Europese recht ten onrechte als functie-eis is gehanteerd, niettemin moet worden vastgesteld, dat hij niet aan de beide andere genoemde functie-eisen voldoet. Uit de gedingstukken blijkt onmiskenbaar dat appellant zich na zijn studie politicologie heeft ontwikkeld tot een deskundige op het gebied van het politieke staatsrecht. Dat hij jarenlang aan de afdeling Staats- en Bestuursrecht verbonden is geweest, waarbij hij ook is ingeschakeld bij het onderwijs in het staats- en bestuursrecht in de fasen van propedeuse en basisdoctoraal, respectievelijk bachelor I, maakt hem echter nog niet tot een generalist op de gehele breedte van dit terrein. Daartoe zou immers vereist zijn, dat hij - ook in de differentiatiefase, respectievelijk bachelor II en masterfase - zonder meer inzetbaar zou moeten zijn bij ieder onderwijsthema dat zich binnen de afdeling voordoet. Voor de Raad staat genoegzaam vast, dat hiertoe zijn kennis, met name op het terrein van het bestuursrecht, tekortschiet. Voorts kan niet worden volge-houden dat appellant, ook al is hij als politicoloog aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid gepromoveerd, daarmee als een gepromoveerd jurist is aan te merken. Ook zijn jaren-lange werkzaamheid aan de faculteit of het door hem tijdens zijn politicologie-studie bestudeerde vakkenpakket maken dit niet anders. Het college heeft voorts terecht vastgesteld dat appellant niet binnen een jaar aan deze functie-eisen zal kunnen voldoen. 4.7. Uit het vorenstaande volgt dat op toereikende gronden is geconcludeerd dat de door appellant geambiëerde functie niet passend voor hem was. Het hoger beroep van appellant slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak komt, met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking. 5. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2009. (get.) J.G. Treffers. (get.) K. Moaddine. HD