
Jurisprudentie
BJ0664
Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4265 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/4265 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. Nader besluit. Medsiche beoordeling: evenals de rechtbank ziet ook de Raad geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen aan de linkerarm heeft vastgesteld. Arbeidskundige grondslag: de bezwaararbeidsdeskundige heeft in zijn rapport voldoende toegelicht dat de thans geduide functies, gelet op de beperkingen in de FML, voor appellante geschikt zijn te achten.
Uitspraak
07/4265 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 juni 2007, 06/737 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. van den Broek, advocaat te Weert, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 april 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. M.J. Klinkert, kantoorgenoot van mr. van den Broek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Höppener.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als verkoopster voor 28,25 uur per week toen zij op 18 augustus 1999 uitviel voor haar werk wegens pijnklachten aan de linkerelleboog en klachten aan de rechterhand en -arm. Na een wachttijd van 52 weken werd appellante na een bezwaarprocedure met ingang van 16 augustus 2000 een uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling op grond van het per 1 oktober 2004 aangepaste Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten heeft de arts F. Jansen op 16 februari 2005 bij appellante een lichamelijk onderzoek verricht. In zijn rapport van 16 februari 2005 heeft de arts geconcludeerd dat appellante geschikt is voor rugsparende arbeid waarbij het mogelijk moet zijn om tijdens zitten en staan te vertreden. Appellante wordt tevens beperkt geacht in het gebruik van de rechterarm en -schouder, de rechterhand en -vingers en zij wordt beperkt geacht voor duurbelasting van de linkerarm. De arts heeft de beperkingen van appellante weergegeven in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 16 februari 2005. Vervolgens heeft arbeidsdeskundige M. Leenen blijkens een rapport van 9 juni 2005 na functieduiding het verlies aan verdienvermogen berekend op 13,46%. Bij besluit van 15 september 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 10 augustus 2005 ingetrokken.
1.3. In de bezwaarfase heeft bezwaarverzekeringsarts R.J. Vervloet dossierstudie verricht, waarbij hij de door appellante overgelegde informatie van haar huisarts J.A.G. Screever van 3 november 2005 heeft betrokken. Na weging van de beschikbare medische gegevens heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 8 februari 2006 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om af te wijken van het primaire medische oordeel. Bij besluit van 9 februari 2006 (hierna: bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 september 2005 ongegrond verklaard.
2.1. Nadat appellante tegen bestreden besluit 1 beroep had ingesteld bij de rechtbank, heeft het Uwv bij besluit van 21 november 2006 (hierna: bestreden besluit 2) het bezwaar van appellante tegen het besluit van 15 september 2005 gegrond verklaard, het besluit van 15 september 2005 ingetrokken en de WAO-uitkering van appellante per 10 augustus 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Blijkens het aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde rapport van bezwaarverzekeringsarts J.W. Heijltjes van 7 november 2006 is een nieuwe FML opgesteld naar aanleiding van jurisprudentie van de Raad (van 12 oktober 2006, o.a. AY9980). Vervolgens heeft bezwaararbeidsdeskundige C.G.H.J. Habets in zijn rapport van 20 november 2006 geconcludeerd dat een deel van de geselecteerde functies niet langer geschikt is te achten. De schatting werd gebaseerd op de functies portier (342021), productiemedewerker industrie (111180) en productiemedewerker textiel, geen kleding (272043). Op grond van het bij deze functies behorende loon, werd het loonverlies van appellante berekend op 20,09%.
2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd en het beroep voor zover het is gericht tegen bestreden besluit 2, ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank de medische en de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 onderschreven. Daarnaast heeft de rechtbank het Uwv veroordeeld tot vergoeding van de wettelijke rente en de proceskosten van appellante alsmede een bepaling gegeven over de vergoeding van het griffierecht.
3.1. In hoger beroep heeft appellante verwezen naar de bezwaren en argumenten die zij in de eerdere fasen van de procedure reeds had aangevoerd. Kort samengevat komen deze erop neer dat appellante meer beperkt is vanwege de klachten aan de rechterarm en dat zij ook beperkt is aan de linkerarm vanwege een golfelleboog in verband met overbelasting. Voorts heeft appellante last van metaalallergie, astmatische bronchitis en haarscheurtjes om de linkerlong, waarmee in de FML onvoldoende rekening is gehouden. De functies productiemedewerker industrie en produktiemedewerker textiel, geen kleding zijn ongeschikt vanwege het ontbreken van voldoende vertredingsmogelijkheden en vanwege de te zware armbelasting.
3.2. Ter zitting is desgevraagd namens appellante verklaard dat het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voorzover deze bestreden besluit 2 betreft.
4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover is overwogen. Evenals de rechtbank ziet ook de Raad geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat het Uwv ten onrechte geen beperkingen aan de linkerarm heeft vastgesteld. Zoals de rechtbank hierbij reeds heeft aangegeven, blijkt uit het rapport van de primaire arts Jansen dat appellante tijdens het spreekuurbezoek op 16 februari 2005 heeft meegedeeld dat zij nagenoeg geen beperkingen meer heeft van de golfarm en dat door Jansen bij het onderzoek geen beperkingen aan de linkerarm zijn vastgesteld. Appellante heeft in hoger beroep haar stelling dat zij meer beperkt is vanwege de klachten aan de rechterarm, niet onderbouwd met medische gegevens of met nadere argumenten. Voor het standpunt van appellante dat voor een aantal van haar klachten, waaronder de allergie voor metaal, astmatische bronchitis en haarscheurtjes om de linkerlong, ten onrechte geen beperkingen zijn vastgesteld, heeft de Raad in de gedingstukken, waaronder de informatie van de huisarts van 3 november 2005, geen aanknopingspunten gevonden.
4.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 is de Raad van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige Habets in zijn rapport van 20 november 2006 voldoende heeft toegelicht dat de thans geduide functies, gelet op de beperkingen in de FML, voor appellante geschikt zijn te achten. Het tijdens de zitting van de Raad toegelichte standpunt van appellante dat in de functie productiemedewerker industrie en in één functienr. (2571-0063-016) van de functie productiemedewerker textiel, geen kleding sprake is van onvoldoende mogelijkheden tot vertreden, volgt de Raad niet. Blijkens het resultaat functiebeoordeling komt in deze functies zitten dagelijks tijdens 8 werkuren éénmaal gedurende 60 minuten achtereen voor (aspect 5.1.1). In de FML is vastgesteld dat het tijdens zitten en staan mogelijk moet zijn om te vertreden (aspect 5.11.1). De bezwaararbeidsdeskundige Habets heeft in zijn rapport van 20 november 2006 over dit aspect opgemerkt dat in de functies productiemedewerker industrie en productiemedewerker textiel, geen kleding sprake is van overwegend zittende functies, waarbij af en toe staan met de mogelijkheid tot vertreden aanwezig is. De Raad acht deze toelichting voldoende en heeft daarbij meegewogen dat in deze functies, blijkens het resultaat functiebeoordeling, tijdens 4 werkuren naast 1 minuut staan ook 2 minuten lopen voorkomt. Naar het oordeel van de Raad blijkt hieruit voldoende dat in de geduide functies mogelijkheden tot vertreden aanwezig zijn.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) E.M. de Bree.
KR