Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0663

Datum uitspraak2009-06-15
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1889 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Schending inlichtingenverplichting. De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële omstandigheden. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op het ontbreken van een deugdelijke en verifieerbare verklaring voor de geldopnames en stortingen op de bankrekening van de Fortis. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat ook de overige door appellant overgelegde stukken onvoldoende inzicht geven in de wijze waarop appellant in de hier relevante periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien.


Uitspraak

08/1889 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 18 maart 2008, 07/1498 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College) Datum uitspraak: 15 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2009. Voor appellant is verschenen mr. Verstraten. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft op 9 februari 2007 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van rechtsbijstand. Bij besluit van 25 april 2007 heeft het College de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. 1.2. Bij besluit van 10 september 2007 heeft het College het tegen het besluit van 25 april 2007 gemaakte bezwaar gegrond verklaard op de grond dat niet aan alle voorwaarden voor de toepassing van artikel 4:5 van de Awb was voldaan, zodat het College gehouden was de aanvraag inhoudelijk te beoordelen. Het College stelt zich op het standpunt dat de aanvraag dient te worden afgewezen, omdat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij verkeerde in bijstandsbehoeftige omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 september 2007 ingestelde beroep ongegrond verklaard. 3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad vormt het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de WWB in samenhang met artikel 11, eerste lid, van de WWB een rechtsgrond voor weigering dan wel beëindiging van de bijstand, wanneer door die schending het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld. 4.2. De Raad is van oordeel dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft verschaft over zijn financiële omstandigheden. De Raad wijst in dit verband in het bijzonder op het ontbreken van een deugdelijke en verifieerbare verklaring voor de geldopnames en stortingen op de bankrekening van de Fortis. Met de rechtbank en het College is de Raad van oordeel dat ook de overige door appellant overgelegde stukken onvoldoende inzicht geven in de wijze waarop appellant in de hier relevante periode in zijn levensonderhoud heeft voorzien. Hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd, brengt de Raad niet tot een ander oordeel. De alsnog overgelegde verklaring van de dagopvang heeft betrekking op een latere periode dan hier in geding. Voor het overige heeft appellant in wezen slechts zijn door de rechtbank verworpen stellingen herhaald. 4.3. Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting en dat als gevolg hiervan niet is vast te stellen of, en zo ja, in welke mate, appellant verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden. Het College heeft de aanvraag van appellant om bijzondere bijstand dan ook terecht afgewezen. 5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. 6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009. (get.) R. Kooper. (get.) B.E. Giesen. NK