Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0661

Datum uitspraak2009-06-15
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/5558 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Buiten behandeling stelling aanvraag om een bijstandsuitkering. Niet-ontvankelijk verklaring bezwaar. Voor zover appellante wil betogen dat zij binnen deze termijn mondeling bezwaar heeft gemaakt, overweegt de Raad dat uit artikel 6:4 van de Awb en de overige artikelen in die wet die betrekking hebben op het maken van bezwaar, waaronder artikel 6:5, onmiskenbaar volgt dat het maken van bezwaar schriftelijk dient te geschieden. In het geval van appellante is dit niet eerder dan op 31 januari 2008, na het verstrijken van de termijn, gebeurd. Van feiten of omstandigheden die (anderszins) aanleiding geven om de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten, is evenmin gebleken. Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

08/5558 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante), tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 14 augustus 2008, 08/527 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellante en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen (hierna: College) Datum uitspraak: 15 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellante heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2009. Appellante is, met bericht, niet ter zitting verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door A.E.E.M. Doremaele, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen. II. OVERWEGINGEN 1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Appellante heeft op 8 november 2007 een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 5 december 2007 heeft het College haar meegedeeld dat deze aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling wordt genomen. 1.2. Appellante heeft hiertegen op 31 januari 2008 een bezwaarschrift ingediend. Bij het bestreden besluit van 26 maart 2008 heeft het College het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij stelt dat zij meermalen tijdens bezoeken en gesprekken bij de Sociale Dienst haar bezwaren tegen het niet in behandeling nemen van haar aanvraag heeft geuit. In verband met psychische en lichamelijke klachten was zij destijds niet in staat haar bezwaren anders te uiten. Zij verwijt het College dat van die bezoeken en gesprekken geen notities zijn gemaakt en dat zij bij die gelegenheden er niet op is gewezen dat zij haar bezwaren schriftelijk moest indienen. Als deze notities wel zouden zijn gemaakt, hadden deze kunnen worden aangemerkt als een schriftelijke vastlegging van haar bezwaar. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. Vast staat dat appellante bij het indienen van haar bezwaarschrift de daarvoor in artikel 6:7 van de Awb gestelde termijn van zes weken heeft overschreden. 4.2. Voor zover appellante wil betogen dat zij binnen deze termijn mondeling bezwaar heeft gemaakt, overweegt de Raad dat uit artikel 6:4 van de Awb en de overige artikelen in die wet die betrekking hebben op het maken van bezwaar, waaronder artikel 6:5, onmiskenbaar volgt dat het maken van bezwaar schriftelijk dient te geschieden. In het geval van appellante is dit niet eerder dan op 31 januari 2008, na het verstrijken van de termijn, gebeurd. 4.3. Ook de grief van appellante dat het College ten onrechte heeft nagelaten haar mondeling geuite bezwaren op schrift te stellen treft geen doel, reeds omdat er geen begin van bewijs is dat appellante zich binnen de termijn met mondelinge bezwaren tot het College heeft gewend. Zo heeft zij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de door haar bedoelde gesprekken hebben plaatsgevonden, geen data van die gesprekken genoemd en geen namen genoemd van personen met wie zij heeft gesproken. 4.4. Van feiten of omstandigheden die (anderszins) aanleiding geven om de termijnoverschrijding met toepassing van artikel 6:11 van de Awb verschoonbaar te achten, is evenmin gebleken. Uit de overgelegde verklaring van de huisarts van 12 maart 2008 komt naar voren dat appellante functionele en psychische klachten had en dakloos was. Uit de verklaring kan echter niet worden afgeleid dat appellante daardoor redelijkerwijs niet in staat was om haar bezwaren in een kort briefje neer te leggen of zich tijdig te wenden tot iemand die haar belangen kon behartigen. 4.5. Het bezwaar is dus terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep slaagt niet en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. Voor een veroordeling in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Awb ziet de Raad geen aanleiding. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009. (get.) R. Kooper. (get.) B.E. Giesen. NK