Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0660

Datum uitspraak2009-06-29
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/800625-08
Statusgepubliceerd


Indicatie

De militaire rechtbank veroordeelt een sergeant-majoor van de Koninklijke Landmacht tot een voorwaardelijke geldboete van € 250,00 wegens bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht . Voorts verklaart de militaire kamer de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging voor belediging (feit 2) , daar klager zijn klacht binnen acht dagen na het doen van die klacht heeft ingetrokken.


Uitspraak

Verkort vonnis RECHTBANK ARNHEM Sector strafrecht Militaire Kamer Parketnummer : 05/800625-08 Datum zitting : 15 juni 2009 Datum uitspraak : 29 juni 2009 Tegenspraak In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen naam : [verdachte], geboren op : [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats], adres : [adres], plaats : [woonplaats], Raadsman : mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort. Officier-raadsman : Eerste Luitenant K. Spiertz. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is tenlastegelegd dat: 1. hij op of omstreeks 9 mei 2008, te of nabij Tarin-Kowt, in elk geval in Afganistan, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd :"Ik sla je kapot" en/of "Ik pak je terug in Chora" en/of "Ik schiet je kapot in Chora" en/of "Ik maak je af" en/of "Ik laat je achter bij Chora", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en/of strekking ; 2. hij op of omstreeks 1 mei 2008, althans in of omstreeks de periode gelegen van 1 mei 2008 tot en met 11 mei 2008, te of nabij Chora, in elk geval in Afganistan, opzettelijk [slachtoffer 2], in het openbaar mondeling heeft beledigd door toen aldaar in tegenwoordigheid van een of meer andere militairen voornoemde [slachtoffer 2] als "Dikke vetzak" aan te duiden en/althans in het bijzijn van die andere militairen de woorden "Van wie is die vette dikzak, die tolk die hier ook rondloopt ?", althans woorden van soortgelijke beledigende aard en/of strekking, uit te spreken. 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 15 juni 2009 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. M.P.K. Ruperti, advocaat te Amersfoort, en door Eerste Luitenant K. Spiertz als officier-raadsman. De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde verzocht om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vervolging. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete van € 250,00 subsidiair 5 dagen vervangende hechtenis. Verdachte en zijn raadsman hebben het woord ter verdediging gevoerd. 2a. De ontvankelijkheid van de officier van justitie De militaire kamer is met de officier van justitie en de raadsman van verdachte van oordeel dat de officier van justitie ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. De militaire kamer komt tot dit oordeel nu klager in ieder geval binnen acht dagen na het indienen van zijn klacht te kennen heeft gegeven dat hij zijn klacht wilde intrekken, hetgeen blijkt uit een aanvullend proces-verbaal van 15 januari 2009. Het was kennelijk de bedoeling van klager dat verdachte niet zou worden vervolgd. Dat op het moment van intrekken van de klacht het dossier reeds was ingezonden bij het Openbaar Ministerie doet niet aan die bedoeling af. 3. De beslissing inzake het bewijs Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De militaire kamer acht het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigen bewezen en overweegt daartoe als volgt: Uit de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en [slachtoffer 1] ruzie hadden in de fitnessruimte van Kamp Holland (Tarin Kowt, Afghanistan). Verdachte heeft ter terechtzitting van 15 juni 2009 verklaard dat hij niet precies meer weet wat hij heeft gezegd, maar dat hij zich kan voorstellen dat er krachttermen zijn gebruikt. De raadsman heeft gesteld dat op basis van de verschillende verklaringen niet eensluidend kan worden vastgesteld dat verdachte de tenlastegelegde bewoordingen heeft gebruikt. De militaire kamer verwerpt dit verweer. Het enkele feit dat de getuigen niet precies gelijk verklaren over de door verdachte gebezigde woorden staat er niet aan in de weg dat deze verklaringen elkaar ondersteunen. Naast de aangever verklaart getuige [getuige 1] ‘…ik laat je achter bij Chora… Ik dacht ook te horen dat [verdachte] riep:”Ik maak je af”.’ Hetzelfde is door getuige [getuige 2] verklaard. Bij de Koninklijke Marechaussee heeft verdachte geantwoord op de vraag of hij gezegd heeft “ik schiet je kapot in Chora, ik maak je kapot”: ‘…in het heetst van de strijd kan ik dat gezegd hebben’. Voorts heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet de wil had om vrees op te wekken bij [slachtoffer 1]. De militaire kamer verwerpt ook dit verweer. Er was sprake van een ruzie en verdachte heeft ter terechtzitting van 15 juni 2009 verklaard dat hij ‘pissed of’ was op ‘die jongens’. Gezien die omstandigheden en mede gezien de rang en functie van verdachte is de militaire kamer van oordeel dat de bewoordingen als bedreigend konden worden ervaren. Voorts is zij van oordeel dat verdachte in die ruzie juist overtuigend wilde overkomen en dat hij zodoende bedreigende taal heeft geuit jegens [slachtoffer 1] om hem vrees aan te jagen. De militaire kamer is zich bewust van het feit dat het taalgebruik in de omstandigheden waarin verdachte moest opereren forser danwel ruwer kan zijn en dat er in bepaalde gevallen sprake moet zijn van krachtige bewoordingen. Zij is echter van oordeel dat van verdachte, ook mede gezien zijn rang, anciënniteit en functie, verwacht mag worden dat hij zich bij een ruzie in een fitnessruimte niet op een zodanige manier uit. Dat [slachtoffer 1] ook zijn aandeel heeft gehad in de ruzie, doet in dit geval niet af aan het handelen van verdachte. De militaire kamer acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat: 1. hij op 9 mei 2008, nabij Tarin-Kowt, in elk geval in Afganistan, [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] dreigend de woorden heeft toegevoegd: "Ik sla je kapot" en "Ik pak je terug in Chora" en "Ik schiet je kapot in Chora" en "Ik maak je af" en "Ik laat je achter bij Chora", althans woorden van soortgelijke dreigende aard en strekking. Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. 4a. De kwalificatie van het bewezenverklaarde Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ 4b. De strafbaarheid van het feit Het feit is strafbaar. 5. De strafbaarheid van verdachte Niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. 6. De motivering van de sanctie(s) Bij de beslissing over de straf heeft de militaire kamer rekening gehouden met: - de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; - de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 13 mei 2009. Verdachte heeft bij een ruzie bedreigende opmerkingen gemaakt. Hij was de Compagnie Sergeant-Majoor (CSM) en in die functie onder meer verantwoordelijk voor tucht en orde. De militaire kamer is van oordeel dat verdachte juist als CSM boven die ruzie had moeten staan en niet de bedreigende woorden had moeten gebruiken, zeker nu deze ruzie plaatsvond in een fitnessruimte. Zij is evenwel van oordeel dat het heel wel mogelijk is dat [slachtoffer 1] zich tijdens de ruzie ook niet onbetuigd heeft gelaten en neemt ook in acht dat er door militairen in een operatiegebied stevige bewoordingen plegen te worden gebruikt. Echter de door verdachte gebruikte woorden zijn ontoelaatbaar en dienen dan ook bestraft te worden. De militaire kamer heeft in haar oordeel betrokken dat het gebeuren verdachte niet onberoerd heeft gelaten, dat hij zeer gewaardeerd wordt en bekend staat als een zeer goede CSM. Zij meent dan ook dat een voorwaardelijke boete, zoals door de officier van justitie is gevorderd, een passende straf is. 7. De toegepaste wettelijke bepalingen De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c en 285 van het Wetboek van Straf¬recht. 8. De beslissing De militaire kamer, rechtdoende: Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in zijn vervolging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit. Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot betaling van een geldboete van € 250,00 (tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis. Bepaalt dat deze geldboete niet tenuitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit. Aldus gewezen door: mr. T.P.E.E. van Groeningen (voorzitter), mr. A.G. Broek-de Stigter, kolonel mr. J.P.M. Schwillens, militair lid, in tegenwoordigheid van S.P. Visser (griffier). en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juni 2009.