Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0656

Datum uitspraak2009-06-23
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersK08/0139
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artt. 12 Sr; 10, 11 en 76 Flora- en faunawet. Het hof acht, gelet op de ernst en omvang van de beweerdelijk gepleegde strafbare feiten en de zich in het dossier bevindende aanwijzingen – met name de verklaringen afgelegd door [vertegenwoordiger van klaagster] alsmede de (kleuren)foto’s die door zowel [vertegenwoordiger van klaagster] als [verbalisant] ter plaatse zijn gemaakt - termen aanwezig om het beklag gegrond te verklaren en de vervolging van beklaagde te bevelen ter zake van: het opzettelijk verontrusten van dassen (artikel 10 van de Flora- en Faunawet) c.q. het verstoren van een dassenburcht (artikel 11 van de Flora- en faunawet) en het houden van een wielerwedstrijd zonder ontheffing (artikel 76 van de Flora- en faunawet).


Uitspraak

K 08/0139 GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH Beschikking van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 23 juni 2009 inzake het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering van: [Klaagster], kantoor houdende te Margraten, hierna te noemen: klaagster, over de beslissing van de officier van justitie te Maastricht tot het niet vervolgen van: [Beklaagde] kantoor houdende te Sint Geertruid, hierna te noemen: beklaagde, te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, wegens het opzettelijk verontrusten van dassen (artikel 10 van de Flora- en Faunawet) c.q. het verstoren van een dassenburcht (artikel 11 van de Flora- en faunawet) en het houden van een wielerwedstrijd zonder ontheffing (artikel 76 van de Flora- en faunawet). De feitelijke gang van zaken. Op 19 september 2007 is door [vertegenwoordiger van klaagster], in zijn hoedanigheid van voorzitter, namens klaagster, met steun van Vereniging Natuurmonumenten, aangifte gedaan van overtreding van de artikelen 10, 11 en 76 van de Flora- en faunawet, beweerdelijk gepleegd door beklaagde. Op 4 januari 2008 is door H. Colen namens de officier van justitie aan [vertegenwoordiger van klaagster] bericht dat de zaak niet zal worden vervolgd omdat de feiten waarvan aangifte is gedaan niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Hierop is door [vertegenwoordiger van klaagster] namens klaagster bij schrijven van 26 maart 2008 een klaagschrift ingediend bij het hof, ingekomen ter griffie van het hof op 1 april 2008, met het verzoek de vervolging te bevelen. De advocaat-generaal heeft in het schriftelijk verslag van 14 juli 2008 het hof geraden het beklag af te wijzen. Op 5 augustus 2008 is het klaagschrift in raadkamer van het hof behandeld in aanwezigheid van [vertegenwoordiger van klaagster] als vertegenwoordiger van klaagster. Teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen verrichten naar de in het klaagschrift vermelde strafbare feiten en daarvan nader verslag te doen, heeft het hof de behandeling van het klaagschrift op 5 augustus 2008 voor maximaal drie maanden geschorst tot een nader te bepalen datum en tijdstip, met bepaling dat klaagster, in de persoon van [vertegenwoordiger van klaagster], voor die nader te bepalen zitting zal worden opgeroepen. Blijkens het proces-verbaal van onderzoek in raadkamer van 18 november 2008 was alsdan nog geen uitvoering gegeven aan het door het hof op 5 augustus 2008 opgedragen nader onderzoek. Bij nader advies d.d. 26 januari 2009 heeft de advocaat-generaal aanvullende processen-verbaal van politie overgelegd en het hof geadviseerd, niettegenstaande het feit dat hij persisteert bij het advies van 14 juli 2008, beklaagde op te roepen om in raadkamer van het hof te worden gehoord. Op 31 maart 2009 is de behandeling van het klaagschrift in raadkamer van het hof voortgezet in aanwezigheid van [vertegenwoordiger van klaagster] als vertegenwoordiger van klaagster. Beklaagde is, met kennisgeving daarvan, niet verschenen. In raadkamer heeft het hof de advocaat-generaal andermaal bevolen om nader onderzoek door de politie te laten doen. Het hof heeft daarbij tevens bepaald dat beklaagde andermaal zal worden opgeroepen om op 26 mei 2008, om 09.30 uur in raadkamer te worden gehoord, met het verzoek aan [vertegenwoordiger van klaagster] om alsdan eveneens ten hove aanwezig te zijn. Op 12 mei 2009 zijn ter griffie van het hof aanvullende processen-verbaal van politie met foto’s ontvangen. Op 26 mei 2009 zijn [vertegenwoordiger I van beklaagde] en [vertegenwoordiger II van beklaagde], als vertegenwoordigers van beklaagde, in aanwezigheid van hun advocaat, door het hof in raadkamer naar aanleiding van het ingediende klaagschrift gehoord. Klaagster, in de persoon van [vertegenwoordiger van klaagster], is aansluitend in raadkamer van het hof gehoord. De advocaat-generaal heeft verklaard te persisteren bij het eerder ingenomen standpunt. De ontvankelijkheid van klaagster De beklagprocedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv) vereist onder meer dat het beklag is ingediend door ‘de rechtstreeks belanghebbende’ bij een strafbaar feit dat niet (verder) wordt vervolgd. Gegeven de doelstelling van klaagster - klaagster zet zich onder meer in voor het behoud van de das en zijn biotopen in Limburg – is het hof van oordeel dat klaagster aan te merken is als een rechtstreeks belanghebbende in de zin van artikel 12 WvSv. Mitsdien is klaagster ontvankelijk in het door haar ingediende beklag. De beoordeling. Klaagster stelt dat beklaagde op 21 en 22 juli 2007 het Nederlands Kampioenschap Mountainbike (NK) heeft georganiseerd, waarbij het wedstrijdparcours zo was aangelegd dat dit door de natuurlijke levensruimte van de dassen liep, zonder dat beklaagde beschikte over een ontheffing ingevolge artikel 76 van de Flora- en faunawet. Voorts stelt klaagster dat beklaagde, in strijd met gemaakte afspraken, het parcours tijdens de wedstrijd dwars over (de graft met) een bewoonde dassenburcht heen aan heeft gelegd en het betreffende gebied niet adequaat heeft afgezet c.q. afgesloten voor publiek c.q. wielrenners, terwijl beklaagde zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het dichtmaken van dasseningangen in een graft. Het woon- en leefgebied van de dassen is hierdoor in ernstige mate verstoord. [vertegenwoordiger van klaagster] heeft naar eigen zeggen op 14 april 2007 en op 23 juli 2007 (het hof: de dag na de wedstrijd) foto’s gemaakt van de onderhavige dassenburcht en de directe omgeving daarvan. Op de hiervoor genoemde (kleuren)foto’s gemaakt op 23 juli 2007 is onder meer een bruin, zanderig fietsspoor zichtbaar. Klaagster stelt dat [verbalisant], hoofdagent van politie, gedetacheerd bij de Groene Brigade, een jaar later in 2008, van dezelfde locaties foto’s heeft gemaakt. Beklaagde, in de persoon van [vertegenwoordiger I van beklaagde], is door de politie gehoord. In raadkamer van het hof zijn als vertegenwoordigers van beklaagde [vertegenwoordiger I van beklaagde] en [vertegenwoordiger II van beklaagde] gehoord. Beklaagde heeft ontkend zich schuldig te hebben gemaakt aan verontrusting c.q. verstoring van het woon- en leefgebied van de dassen. Beklaagde stelt omtrent de aanleg van het parcours adviezen van externe deskundigen, waaronder Arcadis, te hebben ingewonnen en op basis van die adviezen en overeenkomstig de (schriftelijke) afspraken die met klaagster en Vereniging Natuurmonumenten waren gemaakt, het parcours te hebben uitgezet. Beklaagde ontkent ingangen bovenop de graft te hebben dichtgemaakt. Beklaagde heeft toegegeven ten tijde van het wielerevenement niet over een ontheffing ex artikel 76 van de Flora- en faunawet te hebben beschikt. Daartoe stelt beklaagde dat zulks volgens de geraadpleegde externe deskundigen niet noodzakelijk was. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Het hof acht, gelet op de ernst en omvang van de beweerdelijk gepleegde strafbare feiten en de zich in het dossier bevindende aanwijzingen – met name de verklaringen afgelegd door [vertegenwoordiger van klaagster] alsmede de (kleuren)foto’s die door zowel [vertegenwoordiger van klaagster] als [verbalisant] ter plaatse zijn gemaakt - termen aanwezig om het beklag gegrond te verklaren en de vervolging van beklaagde te bevelen ter zake van: het opzettelijk verontrusten van dassen (artikel 10 van de Flora- en Faunawet) c.q. het verstoren van een dassenburcht (artikel 11 van de Flora- en faunawet) en het houden van een wielerwedstrijd zonder ontheffing (artikel 76 van de Flora- en faunawet). Gelet op het vorenstaande zal het hof het beklag gegrond verklaren en de vervolging van beklaagde bevelen ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft. De beslissing. Het hof verklaart het beklag gegrond en beveelt de vervolging van beklaagde ter zake van de feiten waarop het beklag betrekking heeft. mr. A.R.O. Mooy, als voorzitter, mr. A. de Lange en mr. S.B.M. Voorhoeve, als raadsheer, mr. L.A.H. Tappenbeck, als griffier, op 23 juni 2009. mr. S.B.M. Voorhoeve is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.