Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0653

Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/2550 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Geen recht (meer) op ziekengeld. Het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts naar de medische beperkingen van appellant is voldoende zorgvuldig verricht. Uit de onderzoeken is gebleken dat de door appellant ondervonden klachten niet medisch objectiveerbaar zijn.


Uitspraak

08/2550 ZW Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 12 maart 2008, 07/3946 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv). Datum uitspraak: 24 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.T.F. van Berkel, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Namens appellant is mr. Van Berkel verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door V.A.R. Kali. II. OVERWEGINGEN 1.1. Appellant heeft zich op 15 mei 2006 bij zijn werkgever ziek gemeld voor zijn werkzaamheden als natuursteenhouwer wegens klachten aan de nek, schouders en rug. Op die datum was hem reeds ontslag aangezegd. Op verzoek van appellant heeft het Uwv een deskundigenoordeel gegeven en beslist dat appellant tussen 15 mei 2006 en 9 juni 2006 geschikt was voor zijn eigen werk. Op 9 juni 2006 is appellant door zijn werkgever ziek gemeld wegens psychische klachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Het dienstverband tussen appellant en zijn werkgever is per 24 juni 2006 beëindigd. 1.2. Na een onderzoek op 31 juli 2007 door de verzekeringsarts S. Farid, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 31 juli 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 1 augustus 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 17 oktober 2007 (het bestreden besluit ) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts R.J. Vervloet van 16 oktober 2007, ongegrond verklaard. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek van de (bezwaar)verzekeringsarts naar de medische beperkingen van appellant voldoende zorgvuldig is verricht en dat uit de onderzoeken is gebleken dat de door appellant ondervonden klachten niet medisch objectiveerbaar zijn. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat uit de rapportages van zowel de verzekeringsarts als de bezwaarverzekeringsarts blijkt dat in hun beoordeling de fysiek zware arbeid van appellant is meegewogen. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten appellant met ingang van 1 augustus 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW. 3. In hoger beroep is namens appellant herhaald dat het Uwv ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij geschikt was voor zijn arbeid en dat ten onrechte niet is meegenomen dat er sprake was van zeer zware werkzaamheden. Bovendien blijft appellant van mening dat zijn klachten wel medisch objectiveerbaar zijn. 4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende. 4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van de gronden die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Vervloet, waarin is aangegeven dat er bij geen enkel onderzoek (neuroloog, huisarts, deskundigenoordeel, onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts) medisch objectiveerbare beperkingen zijn vastgesteld op basis waarvan arbeidsongeschiktheid voor de laatst verrichte functie zou moeten worden aangenomen. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt, ondanks een aankondiging dat hij zou trachten dit met medische informatie te ondersteunen, niet nader onderbouwd. Mitsdien ziet de Raad geen aanleiding tot een andersluidend oordeel te komen. 4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.L. de Gier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009. (get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk. (get.) A.L. de Gier. KR