
Jurisprudentie
BJ0651
Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1977 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1977 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Voldoende zorgvuldig medische onderzoek. Aan de omstandigheid dat de brief van longarts Hage van 22 maart 2007 pas na het uitreiken van de beslissing op bezwaar ter kennis is gekomen van de bezwaarverzekeringsarts kan verder geen gevolg verbonden worden, nu de bezwaarverzekeringsarts deze informatie nadien heeft beoordeeld en in zijn rapport voldoende heeft toegelicht waarom in die informatie geen aanleiding is gezien het ingenomen standpunt te herzien. Bij brief van 24 maart 2009 heeft de Raad het Uwv gevraagd om toe te lichten of bij de intrekking van de ZW-uitkering rekening is gehouden met het feitelijk verrichte werk van tandartsassistente. Op 6 april 2009 heeft het Uwv een nadere toelichting van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden. De Raad heeft onvoldoende redenen om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen.
Uitspraak
08/1977 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 15 februari 2008, 07/710
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Cornelisse, voornoemd. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving per 5 februari 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Sedert 23 februari 2005 was zij voor 15 uur per week als tandartsassistente werkzaam. Per 23 mei 2005 is de WAO-uitkering vanwege geschiktheid voor passend werk ingetrokken. Naast haar werkzaamheden ontving appellante een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Vanuit deze situatie heeft appellante zich per 4 oktober 2006 ziekgemeld in verband met een toename van reeds bestaande longklachten en klachten van vermoeidheid. Appellante bleef ongewijzigd werkzaam als tandartsassistente. Na onderzoek door de verzekeringsarts A. Boontra is appellante bij besluit van 5 januari 2007 met ingang van 8 januari 2007 hersteld verklaard in het kader van de Ziektewet (ZW) en is de uitkering van ziekengeld beëindigd.
1.2. Na onderzoek is bezwaarverzekeringsarts J.M. Fokke tot de conclusie gekomen dat er onvoldoende aanleiding is om appellante niet in staat te achten de destijds in het kader van de WAO-beoordeling geselecteerde functies gedurende een volledige werkweek te verrichten. Daarbij is onder meer de brief van longarts R. Hage van 29 november 2006 meegewogen. Het bezwaar is bij besluit van 23 maart 2007 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. In een brief van 28 maart 2007 is door gemachtigde van appellante met verbazing op de ontvangst van het bestreden besluit gereageerd, omdat een appellante gegeven termijn om nadere informatie van de behandelende sector in geding te brengen nog niet was verstreken. Een brief van longarts Hage van 22 maart 2007 is meegestuurd. Bezwaarverzekeringsarts Fokke heeft in de nagezonden informatie geen aanleiding gezien het ingenomen standpunt te herzien. Het bestreden besluit wordt onverkort gehandhaafd.
2. Appellante acht voornoemde gang van zaken onzorgvuldig en ziet voor haar standpunt dat zij niet in staat is meer dan 16 uur per week te werken steun in de brief van de longarts Hage van 22 maart 2007, in het bijzonder waar is aangegeven dat de in de medische literatuur uitvoerig beschreven klachten van soms ernstig invaliderende vermoeidheid passen bij de aandoening van appellante.
3. De rechtbank is van oordeel, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en dat niet kan worden gesteld dat de beperkingen zijn onderschat. De omstandigheid dat bezwaarverzekeringsarts Fokke de brief van de longarts van 22 maart 2007 waarschijnlijk door een misverstand pas na het uitreiken van het bestreden besluit heeft gezien, maakt dit niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts kennis heeft genomen van de brief en daar inhoudelijk op heeft gereageerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep worden de medische grieven herhaald en wordt verzocht om inschakeling van een deskundige.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
5.3. Naar de Raad bij herhaling heeft overwogen dient onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt volgens vaste jurisprudentie echter in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk maar geschikt is bevonden voor gangbare arbeid, zoals geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de WAO, als maatstaf voor ‘zijn arbeid’ elk van deze functies afzonderlijk heeft te gelden.
5.4. Tevens dient naar het oordeel van de Raad in de lijn van zijn uitspraak van 7 januari 2003, LJN AF3870 in een geval als het onderhavige, waarbij sprake is van een ziekmelding vanuit een WW-situatie met daarnaast het blijven verrichten van werkzaamheden, beoordeeld te worden, of het verrichten van ten minste één van de eerder voorgehouden functies in het kader van de WAO in combinatie met de feitelijk verrichte arbeid mogelijk is.
5.5. Dit betekent dat aan de Raad ter beoordeling voorligt of appellante per 8 januari 2007 in staat kan worden geacht ten minste één van de functies, genoemd in het rapport van de arbeidskundige J.G. Huisman van 22 maart 2005, te verrichten en tevens of dit in combinatie met het werk van tandartsassistente gedurende 15 uur per week voor appellante mogelijk moet worden geacht.
5.6. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, dat het medisch onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest. Zowel verzekeringsarts Boonstra als bezwaarverzekeringsarts Fokke hebben informatie van de longarts bij hun onderzoek betrokken. Aan de omstandigheid dat de brief van longarts Hage van 22 maart 2007 pas na het uitreiken van de beslissing op bezwaar ter kennis is gekomen van de bezwaarverzekeringsarts kan verder geen gevolg verbonden worden, nu de bezwaarverzekeringsarts deze informatie nadien heeft beoordeeld en in zijn rapport voldoende heeft toegelicht waarom in die informatie geen aanleiding is gezien het ingenomen standpunt te herzien.
5.7. Bij brief van 24 maart 2009 heeft de Raad het Uwv gevraagd om toe te lichten of bij de intrekking van de ZW-uitkering rekening is gehouden met het feitelijk verrichte werk van tandartsassistente. Op 6 april 2009 heeft het Uwv een nadere toelichting van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden. De Raad heeft onvoldoende redenen om aan de juistheid van die toelichting te twijfelen.
5.8. In dit oordeel ligt besloten dat de Raad geen aanleiding ziet om een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Nu de Raad ook overigens geen aanwijzingen heeft de hersteldverklaring per 8 januari 2007 voor onjuist te houden, leidt het bovenstaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
KR