Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0647

Datum uitspraak2009-06-09
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/5922 WWB + 07/5923 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Onvoldoende inlichtingen. Inkomen en vermogen. Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.


Uitspraak

07/5922 WWB 07/5923 WWB Centrale Raad van Beroep Meervoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellanten] (hierna: appellanten), tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 13 september 2007, 06/4927 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellanten en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond (hierna: College) Datum uitspraak: 9 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellanten heeft mr. P.J.A. van de Laar, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2009. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van de Laar. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D.L. Slegers, werkzaam bij de gemeente Helmond. II. OVERWEGINGEN 1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende. 1.1. Appellanten ontvingen bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). 1.2. Naar aanleiding van een melding dat appellanten werkzaamheden zouden verrichten en een camper zouden bezitten heeft de sociale recherche van de regio Helmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 21 juni 2005. De onderzoeksresultaten zijn voor het College aanleiding geweest om bij besluit van 27 mei 2005 de bijstand over de periode van 13 juni 2002 tot en met 30 april 2005 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand, na aftrek van verrekende vakantietoeslag, tot een bedrag van € 44.153,96 van appellanten terug te vorderen, alsmede om bij besluit van 15 juli 2005 de bijstand met ingang van 1 mei 2005 te beëindigen (lees: in te trekken). 1.3. Bij besluit van 22 februari 2006 heeft het College - voor zover hier van belang - het bezwaar tegen het besluit van 27 mei 2005 gegrond verklaard en dat besluit onder aanpassing van de motivering gehandhaafd. Voorts heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 15 juli 2005 ongegrond verklaard. De besluitvorming berust op de overweging dat appellanten onvoldoende inlichtingen over hun inkomsten en vermogen hebben verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 februari 2006 ongegrond verklaard. 3. Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. De Raad overweegt dat de rechtbank appellanten terecht in hun beroep heeft ontvangen. De Raad kan zich verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak hierover heeft overwogen en verwijst daarnaar. 4.2. De rechtbank heeft vervolgens in de aangevallen uitspraak gemotiveerd uiteengezet op grond waarvan naar haar oordeel de beide besluiten tot intrekking van de bijstand van appellanten en het besluit tot terugvordering van de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand van appellanten in rechte stand kunnen houden. De rechtbank is daarbij ingegaan op de door appellanten naar voren gebrachte stellingen. De Raad onderschrijft in hoofdlijnen het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. In hetgeen in hoger beroep - bij wijze van herhaling van het gestelde in eerste aanleg - is aangevoerd, heeft de Raad geen aanknopingspunten gevonden om in andere zin dan de rechtbank te oordelen. 4.3. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter R. Kooper en H.G. Lubberdink als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J. Waasdorp als griffier, uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2009. (get.) N.J. van Vulpen-Grootjans. (get.) J. Waasdorp. NW