Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0646

Datum uitspraak2009-06-15
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedBijstandszaken
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/3800 WWB
Statusgepubliceerd


Indicatie

Aanvraag bijstand buiten behandeling gesteld. Niet overleggen van gevraagde gegevens. Verzuim niet hersteld.


Uitspraak

07/3800 WWB Centrale Raad van Beroep Enkelvoudige kamer U I T S P R A A K op het hoger beroep van: [appellant] (hierna: appellant), tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond van 21 juni 2007, 07/608 en 07/796 (hierna: aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo (hierna: College) Datum uitspraak: 15 juni 2009 I. PROCESVERLOOP Namens appellant heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat te Venlo, hoger beroep ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 mei 2009. Voor appellant is mr. Verstraten verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door C.W.M.G. Volleberg, werkzaam bij de gemeente Venlo. II. OVERWEGINGEN 1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.1. Appellant heeft zich op 28 september 2006 bij het CWI gemeld en op 23 februari 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. 1.2. Bij besluit van 29 maart 2007 heeft het College de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. 1.3. Bij besluit van 29 mei 2007 heeft het College het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant zijn bankafschriften over de maand september 2006 niet heeft ingeleverd, dat aan het eerst in bezwaar overgelegde dagafschrift nr. 131 van 28 september 2006 geen betekenis meer toekomt en dat bovendien de gegevens over de laatste dagen van september 2006 nog altijd ontbreken. 2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank - voor zover hier van belang - met toepassing van artikel 8:86 van de Awb het beroep van appellant ongegrond verklaard. 3. In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak gekeerd. 4. De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.1. In artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. 4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is voor een goede beoordeling van het recht op bijstand ook inzicht vereist in de financiële situatie van de betrokkene gedurende de aan de bijstandsaanvraag voorafgegane periode. Niet ten onrechte heeft het College appellant verzocht om overlegging van - voor zover thans nog van belang - alle bankafschriften vanaf 1 september 2006. Vast staat dat appellant niet aan dit verzoek heeft voldaan. Hij heeft slechts enkele half gekopieerde en daardoor onleesbare transactie-overzichten met betrekking tot zijn bankrekening overgelegd. 4.3. Bij brief van 7 maart 2007 heeft het College appellant verzocht om uiterlijk 25 maart 2007 alsnog de bankafschriften vanaf 1 september 2006 in te leveren. Daarbij is aangegeven dat het te laat of niet volledig overleggen van de gegevens zal leiden tot het niet verder behandelen van de aanvraag. Aan dit verzoek heeft appellant niet binnen de gestelde termijn gevolg gegeven. Dat hij nieuwe fotokopieën van de transactie-overzichten heeft ingeleverd, maakt dit niet anders. Het College heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze overzichten niet volledig zijn en dat daaruit, ook in combinatie met de wèl beschikbare dagafschriften, het verloop van de rekening vanaf 1 september 2006 niet met voldoende zekerheid kan worden gereconstrueerd. Met de pas in de bezwaarfase overgelegde bankgegevens - nog daargelaten de onvolledigheid daarvan - behoefde het College binnen het hier van belang zijnde wettelijke kader geen rekening meer te houden. 4.4. De stelling van appellant dat hij redelijkerwijs niet in staat was om de bankafschriften binnen de hersteltermijn over te leggen, omdat hij deze eerst bij de bank moest opvragen, treft geen doel. Wat er overigens van die stelling zij, niet aannemelijk is geworden dat appellant het College tijdig - vóór afloop van de hersteltermijn - om uitstel voor de indiening heeft verzocht. 4.5. Het College was dan ook bevoegd om de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het College bij afweging van de rechtstreeks betrokken belangen niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. 4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak, voor zover in hoger beroep aangevochten, dient te worden bevestigd. 5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep; Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. Deze uitspraak is gedaan door R. Kooper. De beslissing is, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2009. (get.) R. Kooper. (get.) B.E. Giesen. NK