
Jurisprudentie
BJ0645
Datum uitspraak2009-06-24
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1210 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/1210 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Geen recht (meer) op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW). Het Uwv heeft appellant terecht op en na de datum in geding 5 februari 2007 geschikt geacht voor één van de in 2003 geselecteerde functies. Voldoende medische grondslag. Geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige.
Uitspraak
08/1210 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 januari 2008, 07/1182
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 24 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld door mr. T.A. Vetter, advocaat te Amsterdam.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 8 mei 2009 heeft mr. Vetter medegedeeld zich als gemachtigde te onttrekken aan de zaak.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 mei 2009. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als algemeen medewerker bij [naam werkgever]. en werd als zodanig door het bedrijf uitgezonden als magazijnmedewerker, verhuizer, keukenmedewerker en schoonmaker/plafondmonteur bij diverse werkgevers. Hij heeft zich op 13 februari 2002 ziek gemeld voor deze werkzaamheden in verband met rugklachten, rechterschouderklachten, hoofdpijnklachten en slapeloosheid. Met ingang van 13 februari 2003 is aan appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) geweigerd. Appellant werd destijds ongeschikt geacht voor de maatmanfunctie maar nog wel in staat geacht om met inachtneming van zijn beperkingen de functies van machinaal metaalbewerker, productiemedewerker en lederbewerker te vervullen waardoor hij niet arbeidsongeschikt geacht werd in de zin van de WAO. Hij ontving aansluitend een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).
1.2. Per 24 juli 2006 heeft appellant zich ziek gemeld in verband met toegenomen rug-, schouder-, knieklachten, hoofdpijn en slaapproblemen.
2. Bij besluit van 29 januari 2007 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat hij met ingang van 5 februari 2007 geen recht (meer) heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) omdat hij toen niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt tot het verrichten van zijn arbeid werd geacht. Bij besluit van 13 april 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 januari 2007 ongegrond verklaard.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de medische beoordeling van de verzekeringsartsen die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, onzorgvuldig of onjuist te achten en is van oordeel dat appellant terecht geschikt is bevonden voor één van de in het kader van de WAO geselecteerde functies.
4. Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en is van mening dat de rechtbank in haar uitspraak onvoldoende rekening heeft gehouden met de bij hem aanwezige beperkingen tengevolge van zijn medische klachten. De psychische problematiek is nimmer uitgebreid onderzocht ondanks het feit dat hij al sinds april 2005 met antidepressiva wordt behandeld. Er is ook nooit informatie opgevraagd bij de huisarts. Verder vormt volgens appellant de door de psychiater dr. A. Dols vastgestelde GAF-score van 45 een sterke indicatie dat onvoldoende rekening is gehouden met het ziektebeeld van appellant. Het ligt in de rede om aan te nemen dat de belastbaarheid van appellant een wijziging heeft ondergaan ten opzichte van 12 februari 2003. Dit klemt volgens appellant te meer nu hij per 12 februari 2003 slechts beperkt werd geacht op een viertal aspecten in de rubrieken I en II van de FML. Er was volgens appellant dan ook reden geweest om een deskundige in te schakelen.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO. Daarbij is het voldoende indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies. Onder zijn arbeid moet in deze zaak worden verstaan ten minste één van de in 2003 geselecteerde functies die destijds medisch en arbeidskundig als passend zijn aangemerkt.
5.3. In de onderhavige ZW-beoordeling is in geding of het Uwv appellant terecht op en na de datum in geding 5 februari 2007 geschikt geacht heeft bevonden voor één van de in 2003 geselecteerde functies.
5.4. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen reden het oordeel van de rechtbank niet te volgen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Evenals de rechtbank ziet de Raad geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige. De bezwaarverzekeringsarts heeft informatie van de huisarts opgevraagd en verkregen en blijkens haar rapportage van 11 april 2007 ook meegewogen in haar oordeel. De bezwaarverzekeringsarts beschikte, via de huisarts, ook over inlichtingen van de behandelend reumatoloog. De Raad onderschrijft het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat de informatie van psychiater Dols van 3 mei 2007 een bevestiging vormt van de door de bezwaarverzekeringsarts gestelde diagnose en dat deze informatie geen grond geeft voor de veronderstelling van appellant dat zijn medische toestand is verslechterd ten opzichte van die ten tijde van de WAO-beoordeling. Ook appellant zelf heeft tegenover de bezwaarverzekeringsarts verklaard dat zijn klachten al jarenlang bestaan. De bezwaarverzekeringsarts is naar het oordeel van de Raad voldoende ingegaan op de lichamelijke en psychische klachten van appellant. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor de stelling van appellant dat met zijn ziektebeeld onvoldoende rekening is gehouden.
5.5. Uit hetgeen is overwogen onder 5.4 volgt dat de Raad evenals de rechtbank van oordeel is dat het Uwv appellant op 5 februari 2007 terecht geschikt geacht heeft voor één van de geduide functies. De Raad zal de aangevallen uitspraak dan ook bevestigen.
6. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
GdJ