
Jurisprudentie
BJ0639
Datum uitspraak2009-06-26
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1907 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers07/1907 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering. De Raad heeft aanleiding gevonden om appellant te doen onderzoeken door de orthopedisch chirurg Braakman. De deskundige is van mening dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML niet volledig reëel voor appellant moet worden beschouwd. Vervolgens is door hem aangegeven welke items een nadere beperking behoeft. Tenslotte heeft Braakman aangegeven dat appellant met de door hem vastgestelde beperkingen wel in staat moet zijn geweest de aan de herziening te grondslag liggende functies te verrichten. De Raad volgt dit oordeel. De Raad van oordeel dat de herziening van appellants WAO-uitkering per 1 november 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% op goede gronden berust.
Uitspraak
07/1907 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 7 maart 2007, 06/1228 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.I. Olivier, werkzaam bij Stichting Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2008, waar appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.G.M. Huijs.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.
Desgevraagd heeft M. Braakman, orthopedisch chirurg te Weert, als deskundige van verslag en advies gediend. Op zijn rapport van 28 januari 2009 is door beide partijen gereageerd.
Het geding is opnieuw ter zitting behandeld op 15 mei 2009. Appellant is, zoals te voren is aangekondigd, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.J. Ambrosius.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 18 juni 1997 als gevolg van rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als monteur. Met ingang van 17 juni 1998 is hem een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. In het kader van een herbeoordeling heeft er medisch en arbeidskundig onderzoek plaats gehad. Op basis van de bevindingen en conclusies uit deze onderzoeken heeft het Uwv bij besluit van 31 augustus 2005 de aan appellant toegekende WAO-uitkering met ingang van 1 november 2005 beëindigd, op de grond dat de mate van arbeids-ongeschiktheid van appellant per die datum minder dan 15% bedroeg.
1.3. Naar aanleiding van het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft er een bezwaarverzekeringsgeneeskundig alsmede een bezwaararbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Gelet op de uitkomst van deze onderzoeken is bij besluit van 29 mei 2006 het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 augustus 2005 ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft in beroep de medische grondslag bestreden onder overlegging van een orthopedische expertise. In reactie op deze expertise heeft de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen in haar rapport van 30 november 2006 aangegeven dat de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) geen bijstelling behoeft. Bezwaararbeidsdeskundige P.H.M. Leentjes heeft in zijn rapport van 8 januari 2007 één functie laten vervallen en heeft geconcludeerd dat het verlies aan verdienvermogen op de datum in geding van appellant op grond van vier resterende functies, 20,4% bedroeg. Vervolgens heeft het Uwv bij gewijzigd besluit op bezwaar van 10 januari 2007 bepaald dat het bezwaar tegen het besluit van 31 augustus 2005 alsnog gegrond verklaard wordt en dat de WAO-uitkering van appellant per 1 november 2005 gebaseerd wordt op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 29 mei 2006 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft voorts overwogen dat zij geen reden heeft om zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het besluit van 10 januari 2007 voor onjuist te houden, waarna het beroep hiertegen ongegrond is verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald dat sprake is van meer beperkingen dan de bezwaarverzekeringsarts heeft aangenomen. Appellant is vanwege zijn rugklachten nagenoeg in al zijn handelen beperkt. Namens appellant is aangegeven op welke punten van de FML appellant meer beperkt is dan is aangenomen. Voorts is namens appellant aangegeven waarom de functies voor hem niet geschikt zijn.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. De Raad heeft, naar blijkt uit rubriek I, aanleiding gevonden om appellant te doen onderzoeken door de orthopedisch chirurg Braakman.
4.3. De deskundige Braakman komt in zijn rapport van 22 februari 2009 tot de conclusie dat bij appellant sprake is van een tussenwervelveroudering (discopathie) onder in de lendenwervelkolom. De deskundige is van mening dat de door de (bezwaar)verzekeringsarts opgestelde FML niet volledig reëel voor appellant moet worden beschouwd. Vervolgens is door hem aangegeven welke items een nadere beperking behoeft. Tenslotte heeft Braakman aangegeven dat appellant met de door hem vastgestelde beperkingen wel in staat moet zijn geweest de aan de herziening te grondslag liggende functies te verrichten.
4.4. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter benoemde deskundige in beginsel wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is geïndiceerd. In dit geval ziet de Raad geen aanleiding om van deze hoofdregel af te wijken. Hoewel de deskundige Braakman bij zijn onderzoek tot meer beperkingen is gekomen, heeft hij desondanks, daarbij uitgaande van zijn vastgestelde beperkingen, de aan de herziening van de WAO-uitkering ten grondslag liggende functies voor appellant geschikt bevonden. Gelet op deze geschiktheid van de functies is de Raad van oordeel dat de herziening van appellants WAO-uitkering per 1 november 2005 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% op goede gronden berust.
4.5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.M. Tason Avila.
JL