Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0617

Datum uitspraak2009-06-23
Datum gepubliceerd2009-06-30
RechtsgebiedVreemdelingen
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
ZittingsplaatsUtrecht
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
ZaaknummersAWB 09/21396 VRONTN
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vreemdelingenbewaring / eerste beroep / voorlopige voorziening getroffen

Bij uitspraak van 8 mei 2009 heeft de rechtbank de voorlopige voorziening getroffen dat eiser niet uitgezet mag worden tot vier weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaar van eiser heeft beslist. Verweerder heeft eiser op 12 juni 2009 in bewaring gesteld. Omdat een dergelijke voorziening is getroffen is de rechtbank van oordeel dat verweerder in beginsel af had moeten zien van toepassing van de bewaringsmaatregel, nu dit tot gevolg heeft dat eiser van zijn vrijheid wordt beroofd in een situatie waarin hij juist uitdrukkelijk in de gelegenheid wordt gesteld hier te lande de behandeling van zijn bezwaar af te wachten. De rechtbank is niet gebleken, en door verweerder is ook niet gesteld, dat er sprake was van zodanig bijzondere omstandigheden dat in dit geval anders dient te worden geoordeeld.



Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG Zittinghoudende te Utrecht Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 09/21396 VRONTN uitspraak op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) van de enkelvoudige kamer d.d. 23 juni 2009 inzake [eiser], geboren op [1977], van gestelde Iraanse nationaliteit, eiser, verblijvende op het Detentieplatform te Zaandam, gemachtigde: mr. H.S.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht, tegen een besluit van de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: mr. A.H. Straatman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag. Inleiding 1.1 Verweerder heeft op 12 juni 2009 aan eiser met het oog op de uitzetting de maatregel van bewaring ex artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw opgelegd. 1.2 Eiser heeft hiertegen op 12 juni 2009 beroep ingesteld bij deze rechtbank. Ingevolge artikel 94, eerste lid, Vw strekt dit beroep tevens tot toekenning van schadevergoeding. 1.3 Het geding is behandeld ter zitting van 22 juni 2009. Eiser is verschenen en werd bijgestaan door mr. R. Veerkamp, kantoorgenoot en waarnemer van zijn gemachtigde. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Overwegingen 2.1 Ingevolge artikel 94, vierde lid, Vw verklaart de rechtbank het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. 2.2 Eiser heeft de rechtbank verzocht de opheffing van de maatregel van bewaring te bevelen en schadevergoeding toe te kennen. Eiser heeft daartoe het volgende aangevoerd. Deze rechtbank heeft bij uitspraak 8 mei 2009 (AWB 08/31993 en AWB 08/31995) het beroep van eiser tegen de weigering van verweerder om eisers ongewenstverklaring op te heffen gegrond verklaard; tevens heeft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening getroffen dat eiser niet uitgezet mag worden tot vier weken nadat verweerder opnieuw een beschikking op het bezwaar van eiser heeft genomen. Verweerder had eiser gelet op deze uitspraak niet in bewaring mogen stellen. Voorts heeft eiser de gronden ‘heeft geen vaste woon- en verblijfplaats’ en ‘is ongewenst verklaard’ betwist. 2.3 Verweerder heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en tot afwijzing van het verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft daarbij aangevoerd dat eiser ongewenst verklaard is en er sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank overweegt als volgt. 2.4 Niet gesteld is dat de procedure leidend tot de inbewaringstelling en de wijze van tenuitvoerlegging van de bewaring niet in overeenstemming zijn met de wettelijke vereisten. 2.5 Over de gronden van bewaring overweegt de rechtbank als volgt. Bij voornoemde uitspraak van 8 mei 2009 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats het beroep van eiser gegrond verklaard en heeft zij het besluit op bezwaar in zake de weigering eisers ongewenstverklaring op te heffen vernietigd. De rechtbank stelt vast dat eisers ongewenstverklaring dus nog onverkort van kracht is. Verweerder heeft deze omstandigheid dan ook aan de inbewaringstelling ten grondslag kunnen leggen. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser weliswaar heeft betwist dat hij niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats, maar dat hij de gronden dat hij niet beschikt over een geldig identiteitspapier, veroordeeld is ter zake van een misdrijf, eerder niet rechtmatig in Nederland heeft verbleven, onvoldoende middelen van bestaan heeft, zich niet aangemeld heeft bij de korpschef en zich niet gehouden heeft aan zijn vertrektermijn, niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. 2.6 Tussen partijen is in geschil of verweerder bij afweging van alle daarbij betrokken belangen - in het bijzonder gelet op de hiervoor genoemde uitspraak van deze rechtbank en voorzieningenrechter van 8 mei 2009 - in redelijkheid had moeten afzien van de inbewaringstelling van eiser. De rechtbank stelt vast dat de voorzieningenrechter heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet tot vier weken nadat verweerder opnieuw op eisers bezwaar zal hebben beslist. In het geval dat een dergelijke voorziening is getroffen dient verweerder naar het oordeel van de rechtbank in beginsel af te zien van toepassing van de bewaringsmaatregel, nu deze tot gevolg heeft dat eiser van zijn vrijheid wordt beroofd in een situatie waarin hij juist uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld hier te lande de behandeling van zijn bezwaar af te wachten. De rechtbank is niet gebleken, en door verweerder is ook niet gesteld, dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat in dit geval anders dient te worden geoordeeld. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat verweerder hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 8 mei 2009 en onduidelijk is op welke termijn op dit beroep uitspraak zal worden gedaan. Voor zover verweerder van mening is, zoals hij ter zitting heeft gesteld, dat de voorzieningenrechter een (op onderdelen) onjuiste voorlopige voorziening heeft getroffen, ligt het op zijn weg om desgewenst de voorzieningenrechter te verzoeken deze onder toepassing van artikel 8:87, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op te heffen of te wijzigen. 2.7 De rechtbank concludeert dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid eiser in bewaring te stellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de bewaring van meet af onrechtmatig is. 2.8 Het beroep is gegrond. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 23 juni 2009. 2.9 Ingevolge artikel 106 Vw kan de rechtbank, indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt, dan wel de bewaring reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 2.10 De rechtbank acht voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor elf dagen onrechtmatige bewaring ten bedrage van 3 x € 105,- (verblijf politiecel) + 8 x € 80,- (verblijf in een huis van bewaring), in totaal € 955,-. 2.11 De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,- en wegingsfactor 1). 2.12 Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb te geschieden aan de griffier. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang 23 juni 2009; wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiser een schadevergoeding toe ten bedrage van € 955,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht; veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten dient te vergoeden aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht. Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2009. De griffier: mr. D.E.S. Tomeij De rechter: mr. K.J. Veenstra Voornoemd lid beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 955,- (zegge: negenhonderdvijfenvijftig euro). Aldus vastgesteld op 23 juni 2009 door mr. K.J. Veenstra. De rechter: mr. K.J. Veenstra afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Ingevolge artikel 95 van de Vw staat tegen deze uitspraak binnen een week na de dag van bekendmaking hiervan voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen deze uitspraak te bevatten. De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.