Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0393

Datum uitspraak2009-06-25
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Haarlem
Zaaknummers158235/HA RK 09-99
Statusgepubliceerd


Indicatie

Wrakingsverzoek. Een negatieve procesbeslissing is voor de daarbij in het ongelijk gestelde partij op zichzelf onvoldoende grond voor wraking. De raadsman heeft gesteld dat de rechter-commissaris een citaat uit het verhoor van verdachte, tegen de afspraken in, aan de deskundige heeft verstrekt en daarmee de objectieve vrees voor partijdigheid heeft gewekt. De wrakingskamer deelt die mening niet. De raadsman heeft verder betoogd dat de rechter-commissaris ten onrechte de conclusie van het rapport van Van Koppen en Wagenaar en het rapport van het NIBRA en de technische recherche niet aan de deskundige heeft verstrekt. De rechter-commissaris heeft het eerste verzoek van de raadsman opgevat (en naar het oordeel van de rechtbank ook zo kunnen opvatten) als het vertalen van niet alleen de conclusie, maar het volledige rapport van Van Koppen en Wagenaar en geoordeeld dat dit niet nodig was. Ook ten aanzien van het verstrekken van het rapport van het NIBRA en de technische recherche van 2002 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat het verstrekken van het rapport aan de deskundige niet nodig is, omdat dit niet past binnen het noodzakelijkheidscriterium. Niet is gebleken dat de rechter-commissaris zich in beide gevallen niet aan het toepasselijke criterium heeft gehouden.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Wrakingskamer zaaknummer: 158235/HA RK 09-99 datum beslissing: 25 juni 2009 Op verzoek van: [Verzoeker], verzoeker, raadsman mr. E.J.H. Damman, advocaat te Utrecht. 1. Procesverloop 1.1 Bij schriftelijk verzoek van 4 juni 2009 heeft de raadsman namens verzoeker de wraking verzocht van [rechter], hierna te noemen: de rechter-commissaris, in de bij deze rechtbank, sector strafrecht, aanhangige zaak met parketnummer 15/634170-05, hierna te noemen: de hoofdzaak. 1.2 De rechter-commissaris heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd. 1.3 De advocaat-generaal heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd en te kennen gegeven niet ter zitting te zullen verschijnen om zijn reactie nader toe te lichten. 1.4 Verzoeker en de rechter-commissaris zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 17 juni 2009. Verzoeker en zijn raadsman hebben medegedeeld geen gebruik te maken van het recht het verzoek ter zitting toe te lichten. De rechter-commissaris is verschenen. 2. Het standpunt van verzoeker. 2.1 De raadsman van verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. De rechter-commissaris heeft in strijd met de gemaakte afspraken betwiste en belastende informatie, te weten een citaat uit de verklaring van verdachte, verstrekt aan de deskundige. Daarnaast heeft de rechter-commissaris bewust ontlastende informatie onthouden door de conclusie van het onderzoek van Van Koppen en Wagenaar en het rapport van het NIBRA en de technische recherche uit 2002 niet aan de deskundige te doen toekomen. Hiermee heeft de rechter-commissaris bevooroordeeld en partijdig gehandeld dan wel de schijn van partijdigheid op zich geladen. 2.2 De rechter-commissaris heeft aangevoerd dat de door haar genomen beslissingen begrijpelijk zijn gemotiveerd en binnen haar taak als rechter-commissaris liggen. Daarin kan naar haar mening geen aanleiding voor wraking liggen. Ten aanzien van het verstrekken van het citaat voert zij aan dat zij aan de deskundige, zonder daarover zelf een standpunt in te nemen, de uit het dossier beschikbare informatie heeft verstrekt. Daarnaast was de deskundige er van op de hoogte dat de verklaring van verdachte op betrouwbaarheid zou worden getoetst. Ten aanzien van het ter beschikking stellen van het rapport van Van Koppen en Wagenaar heeft zij het niet nodig gevonden dat de deskundige kennis neemt van het gehele rapport. Ten aanzien van het aan de deskundige niet verstrekken van het NIBRA rapport en het rapport van de technische recherche van een brand die in 2002 heeft plaatsgevonden acht zij toewijzing van dit verzoek niet nodig, omdat dit niet past binnen het noodzakelijkheidscriterium. 3. Beoordeling 3.1 De wrakingskamer acht het verzoek ontvankelijk en overweegt daartoe het volgende. Voor wat betreft de tijdigheid vereist artikel 512 Sv dat een wrakingsverzoek dient te worden ingediend zodra aan verzoeker gebleken is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden Op 27 april 2009 heeft de rechter-commissaris het proces-verbaal van haar verrichtingen en bevindingen gesloten en op 12 mei 2009 heeft zij enkele aanvullende verzoeken van de raadsman afgewezen. De raadsman heeft op 26 mei 2009 tijdens de regiezitting bij het gerechtshof Amsterdam de wraking van de rechter-commissaris verzocht. De raadsman heeft kennelijk het gerechtshof als het juiste forum voor een dergelijk verzoek geoordeeld. Het gerechtshof heeft zich onbevoegd verklaard en de raadsman naar de rechtbank Haarlem verwezen. Op 4 juni 2009 heeft de raadsman schriftelijk zijn verzoek bij de rechtbank Haarlem ingediend. Gezien voormelde omstandigheden moet het verzoek geacht worden tijdig te zijn ingediend. 3.2 Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn. Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend. 3.3 Gesteld noch gebleken is dat de rechter-commissaris jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert. Wat de objectieve toets betreft, overweegt de wrakingskamer als volgt. 3.4 De wrakingskamer stelt voorop dat het verstrekken van het citaat en het weigeren (vertalingen van) stukken aan de deskundige te verstrekken procesbeslissingen betreffen. Een negatieve procesbeslissing is voor de daarbij in het ongelijk gestelde partij op zichzelf onvoldoende grond voor wraking. Een rechter moet een tussentijds aan hem gevraagde procesbeslissing kunnen nemen en motiveren opdat het proces voortgang kan vinden. Met het nemen van een dergelijke beslissing blijkt onvermijdelijk van een standpunt van de rechter ten aanzien van de gevraagde beslissing, maar dat impliceert niet zonder meer dat de rechter vooringenomenheid koestert, noch dat een vrees voor partijdigheid voor andere door de rechter te nemen beslissingen objectief gerechtvaardigd is. 3.5 De raadsman heeft gesteld dat de rechter-commissaris een citaat uit het verhoor van verdachte, tegen de afspraken in, aan de deskundige heeft verstrekt en daarmee de objectieve vrees voor partijdigheid heeft gewekt. De wrakingskamer deelt die mening niet. Uit de beschikbare stukken en het verhandelde ter zitting van de wrakingskamer leidt de wrakingskamer af dat inderdaad in juni 2008 was afgesproken dat een van de vragen (6) aan de deskundige nog niet zou worden beantwoord omdat nog onderzoek werd gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de verdachte. De verklaringen zijn op dat moment dan ook niet aan de deskundige verstrekt. Dat op een later moment (19 december 2008) vervolgens op verzoek van de deskundige ten behoeve van de beantwoording van andere vragen alsnog een citaat van verdachte is verstrekt is dan ook strikt genomen niet in strijd met die oorspronkelijke afspraken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is voorts niet duidelijk waarom het citaat een voor verdachte belastende informatie zou opleveren. Bij de beslissing van de rechter-commissaris om het citaat aan de deskundige te zenden, speelt tevens mee dat het aan alle betrokkenen en dus ook aan de deskundige bekend was dat de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte ter discussie stond. Onder die omstandigheden is de bij de verdediging levende vrees voor partijdigheid van de rechter-commissaris niet objectief gerechtvaardigd. 3.6 De raadsman heeft verder betoogd dat de rechter-commissaris ten onrechte de conclusie van het rapport van Van Koppen en Wagenaar en het rapport van het NIBRA en de technische recherche niet aan de deskundige heeft verstrekt. De rechter-commissaris heeft het eerste verzoek van de raadsman opgevat (en naar het oordeel van de rechtbank ook zo kunnen opvatten, gelet op de formulering van de vraag onder punt 18 van de brief van de raadsman van 1 mei 2009) als het vertalen van niet alleen de conclusie, maar het volledige rapport van Van Koppen en Wagenaar en geoordeeld dat dit niet nodig was. Ook ten aanzien van het verstrekken van het rapport van het NIBRA en de technische recherche van 2002 heeft de rechter-commissaris geoordeeld dat het verstrekken van het rapport aan de deskundige niet nodig is, omdat dit niet past binnen het noodzakelijkheidscriterium. Niet is gebleken dat de rechter-commissaris zich in beide gevallen niet aan het toepasselijke criterium heeft gehouden. 3.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de feiten en omstandigheden die de raadsman namens verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht. geen grond opleveren voor het oordeel dat het fungeren van de rechter-commissaris in de hoofdzaak tot schade aan de rechterlijke onpartijdigheid zou kunnen leiden. 3.8 De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen grond voor wraking. 3.9 De rechtbank zal het verzoek afwijzen. 4. Beslissing De rechtbank: 4.1 wijst het verzoek tot wraking af; 4.2 beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter-commissaris en de advocaat-generaal een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden; 4.3 beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek. Deze beslissing is gegeven door mr. E.A. Coyajee-Kappers, voorzitter, en mrs. C.J. Baas en M.J. Smit, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2009 in tegenwoordigheid van mr. D.M.A. Richelle als griffier. Rechtsmiddel Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.