Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0391

Datum uitspraak2009-06-11
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Haarlem
ZaaknummersAWB 09_2223
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Het gaat om een indicatiestelling in het kader van de AWBZ. Volgens verweerder is het zijn taak om op een juiste wijze de zorgbehoefte van een belanghebbende vast te stellen. Volgens verweerder zelf heeft hij dit zowel in bezwaar als in het primaire besluit niet op een juiste wijze gedaan. Om die reden bepaalt de voorzieningenrechter dat de eerdere indicatie van oktober 2007 nog van kracht dient te blijven hangende de behandeling van het beroep.


Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM Sector bestuursrecht zaaknummer: AWB 09 - 2223 AWBZ Uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 juni 2009 in de zaak van: [naam verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, gemachtigde: mr. M.F. Vermaat, advocaat te Amsterdam, tegen de raad van bestuur van het Centrum indicatiestelling zorg, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 29 augustus 2008, verzonden op 2 september 2008 (verder: indicatie 2008), heeft verweerder in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) ten behoeve van de zoon van verzoekster, [naam zoon] (hierna: [naam zoon]), geboren op [geboortedatum], een indicatie gesteld voor de volgende zorg: - ondersteunende begeleiding algemeen, van 3 september 2008 tot 31 oktober 2008, klasse 5, 10 tot 12,9 uur per week; - ondersteunende begeleiding algemeen, van 1 november 2008 tot 1 november 2010, klasse 2, 2 tot 3,9 uur per week; - ondersteunende begeleiding dagprogramma, van 8 juli 2008 tot 1 november 2010, klasse 2, 2 dagdelen per week; - persoonlijke verzorging, van 1 november 2008 tot 1 november 2010, klasse 3, 4 tot 6,9 uur per week. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 12 oktober 2008 bezwaar gemaakt. Zij heeft de gronden van haar bezwaar aangevuld bij brief van 14 oktober 2008. Bij besluit van 30 maart 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 4 mei 2009 beroep ingesteld. Daarbij heeft zij de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 28 mei 2009, waar verzoekster en haar echtgenoot in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. M.F. Vermaat, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. N. Benedictus, werkzaam bij de raad van bestuur van het Centrum indicatiestelling zorg. Tevens was aan de kant van verweerder aanwezig D. Ruiter. Voorts was ter zitting aanwezig C. Moor-Ferwerda, werkzaam bij Heliomare te Wijk aan Zee. 2. Overwegingen 2.1 Verzoekster is de wettelijk vertegenwoordiger (moeder) van [naam zoon]. [naam zoon] heeft lichamelijke handicaps en een lichte verstandelijke achterstand. [naam zoon] verblijft buiten de schoolvakanties vijf dagen per week in het revalidatiecentrum Heliomare te Wijk aan Zee. 2.2 Bij besluit van 23 oktober 2007 (verder: indicatie 2007) heeft verweerder ten behoeve van [naam zoon] een indicatie gesteld voor de volgende zorg: - ondersteunende begeleiding algemeen, van 23 oktober 2007 tot 23 oktober 2010, klasse 5, 10 tot 12,9 uur per week; - ondersteunende begeleiding dagprogramma, van 23 oktober 2007 tot 23 oktober 2010, klasse 1, een dagdeel per week. 2.3 Op 8 juli 2008 heeft verzoekster bij verweerder een aanvraag ingediend. Deze aanvraag was gericht op het verkrijgen van extra vakantiedagopvang gedurende vijf weken per jaar en op uitbreiding van de ondersteunende begeleiding. Op deze aanvraag heeft verweerder vervolgens op 29 augustus 2008 een indicatiebesluit genomen. In het kader van de bezwaarprocedure heeft verweerder het conceptbesluit op bezwaar, inclusief aanvullende medische gegevens, ter advisering voorgelegd aan het College voor zorgverzekeringen. Dit College heeft op 27 maart 2009 aan verweerder zijn advies uitgebracht. Verweerder heeft vervolgens op 30 maart 2009 het bestreden besluit genomen. In het bestreden besluit heeft verweerder aangegeven van mening te zijn dat een indicatie dient te worden gesteld voor: - persoonlijke verzorging, klasse 4; - activerende begeleiding klasse 1 voor 3 maanden. Omdat deze indicatie ertoe zou leiden dat [naam zoon] na het instellen van bezwaar minder zorg geïndiceerd zou krijgen, heeft verweerder de indicatie 2008 gehandhaafd. 2.4 Verzoekster kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij stelt zich op het standpunt dat de indicatie 2008 lager is dan de indicatie 2007 die nog doorliep tot 23 oktober 2010. Verzoekster heeft op 8 juli 2008 gevraagd om een hogere indicatie, maar deze aanvraag heeft geresulteerd in een lagere indicatie. Lager in die zin dat de indicatie 2007 leidt tot een lager persoonsgebonden budget (PGB) dan de indicatie 2008. Ter zitting heeft verzoekster erop gewezen dat de indicatie 2008 leidt tot een PGB dat € 4869,-- lager ligt dan de indicatie 2007. Verzoekster is dan ook ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld haar aanvraag in te trekken. Voorts gaat verweerder er ten onrechte van uit dat [naam zoon] gebruik kan maken van buitenschoolse opvang. Scholen voor speciaal onderwijs kennen deze vorm van opvang echter niet. Dit geldt dus ook voor Heliomare. Verweerder heeft zich er ten onrechte niet van vergewist of er een algemeen gebruikelijke voorziening voorhanden is. Verzoekster heeft een spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening, omdat bij haar sprake is van overbelasting die wordt veroorzaakt door de auto-immuunziekte waaraan zij lijdt. 2.5 Verweerder heeft ter zitting erkend dat het primaire besluit en de bestreden beslissing op bezwaar op onderdelen onvoldoende gemotiveerd en ook onjuist zijn. Verweerder heeft aangegeven dat hij nader onderzoek wil doen en dat hij binnen enkele weken met een nieuwe beslissing op bezwaar zal komen. Volgens verweerder is ten onrechte ondersteunende begeleiding algemeen geïndiceerd. De indicatie voor persoonlijke verzorging klasse 4 is wel juist. Ook heeft verweerder aangegeven dat de functie ondersteunende begeleiding dagprogramma, gesteld in het kader van de zogeheten respijtzorg, zoals bedoeld in de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ onder 2.3, bijlage 3, ten onrechte is geïndiceerd. Verder is volgens verweerder onvoldoende onderzocht of in het geval van [naam zoon] buitenschoolse opvang beschikbaar is en of in het geval van het ontbreken van buitenschoolse opvang ondersteunende begeleiding als respijtzorg dient te worden geïndiceerd. 2.6 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling. 2.7 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard. 2.8 Zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, is het zijn taak om op een juiste wijze de zorgbehoefte van een belanghebbende vast te stellen. Verweerder is zelf van mening dat dit zowel in het primaire besluit als in de beslissing op bezwaar niet op een juiste wijze is gebeurd. Om die reden heeft verweerder aangegeven dat hij hangende de beroepsprocedure een nieuwe beslissing op bezwaar wil nemen. De situatie is derhalve aldus, dat verweerder op de aanvraag van verzoekster tot dusver geen besluit heeft kunnen nemen dat ook in de ogen van verweerder zelf de toets der kritiek kan doorstaan. Dit terwijl er voor [naam zoon] nog een indicatie lag die tot 23 oktober 2010 geldend was. Onder deze omstandigheden dient aan de indicatie die bij besluit van 23 oktober 2007 is gesteld (indicatie 2007) en die nog geldend was tot 23 oktober 2010, niet de werking te worden ontnomen door besluiten die volgens verweerder zelf onvoldoende zijn voorbereid en gemotiveerd. Met andere woorden: verweerder dient eerst een indicatie te stellen waar verweerder ook zelf achter kan staan, voordat een nog geldende indicatie buiten werking wordt gesteld. Reeds om deze reden komt het verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening voor toewijzing in aanmerking. Hangende het beroep met reg. nr. 09-2224 AWBZ zal het bestreden besluit worden geschorst. Bepaald zal worden dat verzoekster en [naam zoon] gedurende de behandeling van het beroep dienen te worden behandeld alsof de indicatie gesteld bij besluit van 23 oktober 2007 nog van kracht is. 2.9 Met het oog op een nieuw te nemen beslissing op bezwaar door verweerder wordt voorts nog het volgende opgemerkt. 2.10 Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat [naam zoon] om de volgende redenen niet in aanmerking komt voor ondersteunende begeleiding: - De communicatieve vaardigheden van [naam zoon] overschrijden het normale ontwikkelingsprofiel van kinderen zonder grondslag niet of nauwelijks. - Er is geen sprake van ernstige gedragsproblemen. - De aanwezige problemen met het gedrag van [naam zoon] thuis kunnen verminderd worden in de opvoedkundige sfeer. 2.11 Het bestreden besluit heeft verweerder op deze punten onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Verweerders standpunt dat de problemen met het gedrag van [naam zoon] thuis in de opvoedkundige sfeer kunnen worden verminderd, berust op onvoldoende onderzoek. De medisch adviseur heeft immers geen eigen onderzoek gedaan naar de problemen met het gedrag van [naam zoon]. Verder komt uit het door verzoekster overgelegde psychologisch onderzoek van 16 december 2008 naar voren, dat de gedragsproblemen van [naam zoon] een directe relatie hebben met zijn beperkingen en handicaps. Hiernaar zal verweerder een nader onderzoek moeten instellen. 2.12 Uit het bestreden besluit blijkt voorts dat [naam zoon] volgens verweerder om de volgende redenen niet in aanmerking komt voor de zogeheten respijtzorg: - Verzoekster kan in de zorg voor [naam zoon] en in de aanwezige schoolgang voldoende ontlast worden, mede door haar echtgenoot. - Verzoeksters gevoel van overbelasting kan verminderd worden met hulp bij het leren omgaan met de situatie van [naam zoon]. - In vakanties bestaat de mogelijkheid van buitenschoolse opvang. 2.13 Ook op dit punt is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Het standpunt van de medisch adviseur met betrekking tot de mogelijkheden voor de moeder van [naam zoon] om ontlast te worden bij de verzorging, in het bijzonder tijdens de vakantieperiodes, berust niet op eigen onderzoek. Verweerder heeft aangegeven dat er in het kader van ontlasting van de ouders de mogelijkheid bestaat gebruik te maken van buitenschoolse opvang. Uit de brieven die verzoekster heeft overgelegd, te weten een brief van het Kindercentrum Ducky Duck en van de Stichting Pluspunt Zandvoort, komt naar voren, dat voor een kind met de beperkingen als [naam zoon] geen buitenschoolse opvang worden aangeboden. 2.14 Verweerder dient te worden veroordeeld in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt een punt toegekend voor het verzoekschrift en een punt voor het verschijnen ter zitting. De zwaarte van de zaak is gemiddeld. De door verzoekster opgevoerde verletkosten komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat deze kosten niet zijn onderbouwd. 3. Beslissing De voorzieningenrechter: 3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; 3.2 schorst het bestreden besluit tot na de verzending van de uitspraak op het beroep met reg. nr. 09-2224 AWBZ; 3.3 draagt verweerder op verzoekster en [naam zoon] gedurende de behandeling van het beroep te behandelen als ware de indicatie zoals gesteld bij besluit van 23 oktober 2007 nog van kracht; 3.4 veroordeelt de raad van bestuur van het Centrum indicatiestelling zorg in de door verzoekster gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,--, welk bedrag de Stichting Centrum indicatiestelling zorg aan haar dient te betalen; 3.5 gelast dat de Stichting Centrum indicatiestelling zorg het door verzoekster betaalde griffierecht van € 41,-- aan haar vergoedt. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, voorzieningenrechter, en op 11 juni 2009 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier. afschrift verzonden op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.