
Jurisprudentie
BJ0359
Datum uitspraak2008-12-31
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers314366 / FA RK 08-5085
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers314366 / FA RK 08-5085
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gezamenlijk gezag bij erkenning kind gedurende het huwelijk.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer : FA RK 08-5085
Zaaknummer : 314366
Datum beschikking : 31 december 2008
Gezag
Beschikking op het op 27 juni 2008 ingekomen verzoek van:
[de man],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [plaats A],
advocaat: mr. A. Klomp-Kraal, advocaat te 's-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vrouw],
hierna te noemen: de moeder,
wonende te [plaats B]
advocaat: mr. I. van Santbrink, advocaat te 's-Gravenhage.
Als informant worden aangemerkt:
de stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,
gevestigd te [plaats B],
hierna te noemen: BJZ,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
locatie 's-Gravenhage,
hierna te noemen: de raad,
en
mevrouw [A],
hierna te noemen: de pleegmoeder,
verblijvende op een geheim adres.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de fax d.d. 14 juli 2008 van de zijde van BJZ, waarin staat vermeld dat de betrokken ambulante hulpverlener niet ter terechtzitting zal verschijnen en dat zij geen mening of advies heeft in onderhavige zaak.
Op 12 november 2008 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen partijen en hun advocaten, de pleegmoeder alsmede mevrouw [B] namens de raad.
Feiten
Blijkens authentiek bewijsstuk zijn partijen op 19 juli 2002 in de gemeente [plaats B] met elkander gehuwd, welk huwelijk op 28 december 2004 is ontbonden. Zij hebben één minderjarig kind, te weten: [de minderjarige], geboren op [datum] 2001 te [plaats B].
De minderjarige is op 5 augustus 2002 door de vader erkend.
De minderjarige verblijft sinds begin juni 2007 op vrijwillige basis in een pleeggezin.
Op 12 maart 2008 heeft Bureau Jeugdzorg een verzoek gedaan aan de raad teneinde te onderzoeken of hulpverlening in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel noodzakelijk is.
Blijkens overgelegd bewijsstuk van de gemeente [plaats B] heeft de moeder de Nederlandse nationaliteit en is zij Burger van Rusland en blijkens overgelegd bewijsstuk van de gemeente [plaats A] heeft de vader de Nederlandse nationaliteit.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 5 november 2004 is - voor zover hier aan de orde - de gewone verblijfplaats van de minderjarige bepaald bij de moeder, alsmede een omgangsregeling vastgesteld waarbij de minderjarige ieder weekend van vrijdag 12:00 uur tot de daaropvolgende zondag 18:00 uur bij de vader zal verblijven.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van de gewone verblijfplaats van de minderjarige, in die zin dat de vader de rechtbank thans verzoekt om omtrent de gewone verblijfplaats van de minderjarige een vergelijk te beproeven tussen partijen, dan wel zonodig zelfstandig, in het belang van de minderjarige te beslissen dat de gewone verblijfplaats bij de vader dient te zijn.
De moeder heeft verweer gevoerd en verzoekt de vader niet ontvankelijk te verklaren althans het verzochte in het belang van de minderjarige af te wijzen.
Beoordeling
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verblijfplaats van de minderjarige.
Gezag
Ingevolge artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Deze beproeft, alvorens te beslissen, een vergelijk tussen de ouders. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
In onderhavig geschil rijst allereerst de vraag of partijen gezamenlijk met het gezag zijn belast over de minderjarige, nu de vader de minderjarige tijdens het huwelijk heeft erkend en er in de echtscheidingsbeschikking niet op het gezag is beslist.
De vader heeft gesteld dat sprake is van gezamenlijk gezag en voert hiertoe aan dat hij door de erkenning van de minderjarige van rechtswege met het gezag over de minderjarige is belast.
De moeder heeft gesteld dat zij betwijfelt of partijen krachtens hun huwelijk het gezamenlijke gezag uitoefenen over de minderjarige, nu de vader de minderjarige eerst tijdens het huwelijk heeft erkend. Ter terechtzitting heeft zij aangegeven dat zij het wenselijk acht dat hieromtrent een beslissing van de rechtbank wordt gegeven.
De rechtbank overweegt allereerst dat een man die vóór het huwelijk met de moeder een kind heeft erkend, bij huwelijk met de moeder van rechtswege het gezamenlijk gezag over dat kind heeft, ondanks het feit dat het kind niet tijdens het huwelijk is geboren. Een en ander vloeit voort uit artikel 1:251 lid 1 van het BW waarin is bepaald dat de ouders gedurende hun huwelijk het gezag gezamenlijk uitoefenen.
Naar het oordeel van de rechtbank vloeit uit de wet tevens voort dat ook sprake is van gezamenlijk gezag in het geval dat de man het kind gedurende het huwelijk heeft erkend. Immers, artikel 1:251 lid 1 BW bepaalt dat de ouders gedurende hun huwelijk het gezag gezamenlijk uitoefenen. Ingevolge artikel 1:198 BW is de moeder van een kind de vrouw uit wie het kind geboren is of die het kind heeft geadopteerd. Ingevolge artikel 1:199 aanhef en onder c BW is onder meer de vader van een kind de man die het kind heeft erkend. Uit het vorenstaande volgt dat partijen het gezamenlijk gezag uitoefenden gedurende hun huwelijk en wel vanaf het moment van de erkenning.
Artikel 1:251 lid 2 BW bepaalt vervolgens dat de ouders na echtscheiding het gezamenlijk gezag behouden, tenzij de rechter op verzoek van de ouders of een van hen in het belang van het kind bepaalt dat het gezag over een kind of de kinderen aan één van hen alleen toekomt. Nu er in de echtscheidingsbeschikking een gezagsbeslissing ontbreekt hebben partijen het gezamenlijk gezag na de echtscheiding behouden. Uit het vorenstaande volgt dat de vader ontvankelijk is in zijn verzoek.
De verblijfplaats
Ter terechtzitting zijn partijen alsmede de raad overeengekomen dat de raad het lopende kinderbeschermingsonderzoek zal uitbreiden met een onderzoek omtrent de verblijfplaats van de minderjarige.
De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen en de raad verzoeken het onderzoek uit te breiden met de vraag of een wijziging van de verblijfplaats in het belang van de minderjarige is, en zo ja waar de verblijfplaats van de minderjarige bepaald moet worden en daarover te rapporteren en te adviseren.
Nu de raad ter terechtzitting heeft aangevoerd dat zij verwachten hiervoor vier maanden nodig te hebben, zal de rechtbank de beslissing vier maanden pro forma aanhouden.
Beslissing
De rechtbank:
verzoekt de raad voor de kinderbescherming een onderzoek te verrichten ter fine als hierboven overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren;
houdt de behandeling aan tot 1 mei 2009 pro forma; uiterlijk twee weken vóór die datum dient de raad voor de kinderbescherming zich uit te laten omtrent de voortgang van de procedure;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de raad voor de kinderbescherming;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.F. Mewe, tevens kinderrechter, bijgestaan door
mr. J.H. van Berkel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 december 2008.