
Jurisprudentie
BJ0162
Datum uitspraak2009-06-10
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3622 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers08/3622 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Afwijzing verzoek om een toeslag op grond van artikel 19 van de Wet. Appellant krijgt geen periodieke uitkering en geen voorzieningen toegekend op de grond dat geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juni 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard. Met ingang van 1 november 2005 zijn aan appellant toegekend de toeslag op grond van artikel 19 van de Wet en diverse voorzieningen, waaronder vergoeding van extra huishoudelijke hulp voor maximaal 4 uur per week. De Raad overweegt dat hij verweerster kan volgen in het stellen van eisen aan het bewijs dat feitelijk kosten zijn gemaakt bij het declareren van kosten voor huishoudelijk hulp met terugwerkende kracht. De Raad is van oordeel dat verweerster in het onder-havige geval gerede twijfel kon hebben of feitelijk betaling van deze kosten over de periode vóór oktober 2007 heeft plaatsgevonden.
Uitspraak
08/3622 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 10 juni 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 8 mei 2008, kenmerk BZ 8224, JZ/U/80/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet), verder: het bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2009. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 14 juli 2006 heeft verweerster erkend dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet, maar zijn hem geen toeslag op grond van artikel 19 van de Wet, geen periodieke uitkering en geen voorzieningen toegekend op de grond dat geen sprake is van blijvende invaliditeit als gevolg van het oorlogsgeweld. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 8 juni 2007 gedeeltelijk gegrond verklaard. Met ingang van 1 november 2005 zijn aan appellant toegekend de toeslag op grond van artikel 19 van de Wet en diverse voorzieningen, waaronder vergoeding van extra huishoudelijke hulp voor maximaal 4 uur per week.
1.2. Op 4 november 2007 heeft appellant declaraties ingediend voor vergoeding van huishoudelijke hulp over de periode van 1 november 2005 tot 31 oktober 2007. Bij besluit van 3 december 2007 heeft verweerster aan appellant meegedeeld dat er geen vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp met terugwerkende kracht zal plaats-vinden, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het in dit geding bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. In geschil is de vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp over de periode 1 november 2005 tot 1 oktober 2007. Verweerster heeft die vergoeding geweigerd op de grond dat niet aannemelijk wordt geacht dat appellant die kosten eerder dan in oktober 2007 daadwerkelijk heeft gemaakt, gelet op de beschikbare gegevens en de tegenstrijdigheden daarin.
2.2. De Raad overweegt dat hij verweerster kan volgen in het stellen van eisen aan het bewijs dat feitelijk kosten zijn gemaakt bij het declareren van kosten voor huishoudelijk hulp met terugwerkende kracht. De Raad is van oordeel dat verweerster in het onder-havige geval gerede twijfel kon hebben of feitelijk betaling van deze kosten over de periode vóór oktober 2007 heeft plaatsgevonden. In het gesprek met een rapporteur van de Stichting Pelita in januari 2006 heeft appellant aangegeven dat de huishouding alleen op hem neerkomt en dat hij daarom graag 4 uur per week huishoudelijke hulp zou willen hebben. Hij heeft hierbij niet gezegd dat hij al iemand in dienst had genomen om dat huishoudelijk werk te doen. Overigens acht de Raad het niet aannemelijk dat de echtgenote van appellant, met wie hij in de gehele onderhavige periode gehuwd was, niet in de gelegenheid zou zijn geweest een bijdrage van enkele uren per week in de huis-houding te leveren, terwijl appellant geld zou hebben moeten lenen om een huis-houdelijke hulp te betalen. De door appellant ingediende verklaring van iemand, met wie appellant een nauwe persoonlijke relatie onderhoudt en met wie hij ook een gezamenlijke bankrekening heeft, dat zij reeds enkele jaren tegen betaling op zaterdag huishoudelijk werk zou hebben verricht, acht de Raad, in de gegeven situatie, nu deze verder niet wordt ondersteund met enig feitelijk gegeven, onvoldoende overtuigend, zodat de weigering om de huishoudelijke hulp over de in geding zijnde periode te vergoeden in rechte stand houdt.
3. Gezien het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier, uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD