Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BJ0051

Datum uitspraak2008-10-28
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedFaillissement
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
ZaaknummersR 06/164
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beschikking MK. Hoger beroep ex art 315 Fw tegen beschikking RC afgewezen. Bekrachting beslissing RC.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT Sector civiel recht Insolventienummer: R 06/164 Datum uitspraak: 28 oktober 2008 Beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken in de schuldsaneringsregeling van: [verzoekster], wonende te [adres], verzoekster. Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld als bedoeld in artikel 315 Faillissementswet. Advocaat: de heer mr. J.J.A. Bosch Procureur: de heer mr. M.L. Veldhuijzen Bewindvoerder: de heer C.J. van der Linden 1. Het procesverloop 1.1 Op 18 maart 2008 heeft er in de schuldsaneringsregeling van verzoekster een verificatievergadering plaatsgevonden. Hierbij heeft de rechter-commissaris medegedeeld dat de kosten welke de aanschaf en het bezit van een auto met zich meebrengen - zijnde onder anderen de aankoopkosten en de reparatiekosten - uit het vrij te laten bedrag (hierna: vtlb) dienen te worden voldaan. Eveneens dienen verhuis- en inrichtingskosten uit het vtlb te worden voldaan. De rechter-commissaris heeft bovenstaande beslissing in het proces-verbaal van de verificatievergadering van 18 maart 2008 opgenomen. 1.2 Verzoekster heeft bij faxbericht van 25 maart 2008 hoger beroep ingesteld ex artikel 315 Faillissementswet tegen de bij het proces-verbaal van de verificatievergadering gegeven beslissing van de rechter-commissaris. 1.3 Verzoekster heeft in het verzoekschrift de rechtbank verzocht om de beslissing van de rechter-commissaris te vernietigen. 1.4 Op 27 mei 2008 en 30 september 2008 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden waarbij verzoekster, haar advocaat mr. Bosch en (op 27 mei 2008) de bewindvoerder, de heer C.J. van der Linden en (op 30 september 2008) de waarnemend bewindvoerder mevrouw B. van der Linden-van Huessen zijn gehoord. De rechtbank heeft na de behandeling de uitspraak bepaald op heden. 2. De ontvankelijkheid Ingevolge artikel 315 Faillissementswet geldt er een beroepstermijn van vijf dagen. De beslissing van de rechter-commissaris is gegeven op 18 maart 2008, waardoor de beroepstermijn zou eindigen op 23 maart 2008. Nu 23 maart 2008 een algemeen erkende feestdag is (zijnde eerste paasdag), wordt de beroepstermijn ingevolge artikel 1, lid 1 van de Algemene termijnenwet verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een algemeen erkende feestdag is, aldus tot 25 maart 2008. Nu het faxbericht waarbij hoger beroep wordt ingesteld op 25 maart 2008 ter griffie van de rechtbank is ontvangen, kan worden vastgesteld dat het hoger beroep tijdig is ingesteld. 3. Vaststaande feiten 3.1 Bij faxbericht van 3 november 2006 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris verzocht toestemming te verlenen om de auto van verzoekster te verkopen. Dit op grond van de mededeling van verzoekster dat zij de kosten welke de auto met zich meebrengen niet uit het vtlb kan voldoen. 3.2 De rechter-commissaris heeft op 6 december 2006 en op 4 januari 2007 op bovenstaande grond het verzoek van de bewindvoerder gehonoreerd. De auto is vervolgens verkocht. 3.3 Op 23 mei 2007 heeft verzoekster – zonder voorafgaande toestemming van de bewindvoerder – een auto aangeschaft tegen een aankoopprijs van € 1.250,00. Nadat verzoekster met deze auto een ongeluk heeft veroorzaakt, heeft zij vervolgens op 23 juli 2007 wederom een auto aangeschaft, dit maal voor € 1.615,00. 3.4 In het derde verslag van 6 februari 2008 heeft de bewindvoerder aangegeven dat er een achterstand in de boedelbijdragen is ontstaan van € 4.353,13. Verzoekster heeft in haar schrijven van 10 maart 2008 de hoogte van de achterstand betwist. Zij meent dat de achterstand lager is, om reden dat zij tweemaal een auto heeft aangeschaft, hiervoor reparatiekosten heeft moeten maken en daarnaast verhuis- en inrichtingskosten heeft gemaakt. 3.5 Tijdens de verificatievergadering van 18 maart 2008 heeft de rechter-commissaris medegedeeld dat de autokosten, zijnde de aankoopkosten en de reparatiekosten, en de verhuis- en inrichtingskosten uit het vrij te laten bedrag dienen te worden voldaan. 4. Het verzoek 4.1 Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om de beslissing van de rechter-commissaris van 18 maart 2008 te vernietigen. Zij heeft hiertoe met betrekking tot de autokosten het volgende aangevoerd. 4.2 De aankoopkosten en de reparatiekosten zijn mede gemaakt ten behoeve van de boedel, omdat het vervullen van twee banen slechts mogelijk is bij beschikking over een auto. Deze kosten waren dan ook noodzakelijk voor het verwerven van inkomsten. 4.3 Voor zover het hoger beroep betreft de verhuis- en inrichtingskosten, is dit gedeelte ter zitting van 30 september 2008 door verzoekster ingetrokken. Behandeling hiervan is dan ook achterwege gebleven. 5. De beoordeling 5.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld. 5.2 Ter zitting van 30 september 2008 heeft verzoekster niet betwist dat de beslissing van de rechter-commissaris van 18 maart 2008 voortbouwt op de beslissing zoals verwoord in de faxberichten van 6 december 2006 en 4 januari 2007. Laatstgenoemde beslissing behelst dat het verzoekster niet is toegestaan om een auto te behouden, nu zij heeft aangegeven dat zij de hiermee gepaard gaande kosten niet uit het vtlb kan voldoen, terwijl zij deze kosten in geval van behoud van de auto juist wél uit het vtlb dient te voldoen. Tegen deze beslissing heeft verzoekster destijds geen hoger beroep aangetekend. Nu vaststaat dat de beslissing van de rechter-commissaris van 18 maart 2008 voortbouwt op de eerdere beslissing, volgt daaruit dat er ook geen sprake was van toestemming door de rechter-commissaris voor aankoop van een andere auto, op dezelfde grond dat verzoekster de kosten uit het vtlb dient te voldoen, terwijl zij heeft aangegeven dat zij deze kosten niet zelf kan dragen. Verzoekster heeft toch weer een auto aangeschaft, dit tegen de beslissing van de rechter-commissaris in. De risico’s en daarmee de kosten voor aankoop en reparaties van de auto, dan wel de auto’s, komen hierdoor volledig voor haar eigen rekening. 5.3 Voorts wordt nog opgemerkt dat ter zitting nog kort is gesproken over de al dan niet bestaande noodzaak van het bezit van een auto voor verzoekster. Zij heeft daarover verklaard dat het ook mogelijk is om met het openbaar vervoer op haar werk te komen, maar dat haar werkgever liever niet ziet dat zij afhankelijk is van het openbaar vervoer, nu dat meer tijd kost dan reizen met de auto. Uit het voorgaande blijkt dat er redelijke alternatieven zijn voor het bezit van een auto, namelijk gebruik maken van het openbaar vervoer. Hierdoor geldt in beginsel dat schuldenares geen auto mag kopen dan wel behouden tijdens de schuldsaneringsregeling en is geen sprake van een uitzonderlijke situatie. Indien verzoekster desondanks toch besluit een auto te kopen dan wel te behouden, dan komen de risico’s en daarmee de kosten voor de aankoop en het gebruik van de auto, volledig voor haar eigen rekening. 5.4 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen faalt het beroep. Beslissing De rechtbank: - bekrachtigt de beslissing van de rechter-commissaris van 18 maart 2008; - wijst het in hoger beroep verzochte af. Deze beschikking is gegeven door mrs. B.C. Vink, P.M. Arnoldus-Smit en A.J. Japenga en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.