
Jurisprudentie
BJ0050
Datum uitspraak2009-02-26
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers316501/ FA RK 08-6010
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2009-06-26
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers316501/ FA RK 08-6010
Statusgepubliceerd
Indicatie
Verlenging partneralimentatieverplichting na limiteringstermijn.
Uitspraak
RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
Sector familie- en jeugdrecht
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: 08-6010
Zaaknummer: 316501
Datum beschikking: 26 februari 2009
Alimentatie
Beschikking op het op 29 juli 2008 ingekomen verzoek van:
[de vrouw]
wonende te [plaats A],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. E.J.W. Schuijlenburg te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man],
wonende te [plaats A],
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. P.C. Burger te Leiden.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de brief met bijlagen d.d. 27 november 2008 van de zijde van de vrouw;
- de brief met bijlagen d.d. 13 januari 2009 van de zijde van de vrouw.
Op 29 januari 2009 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vrouw met haar advocaat alsmede de man met zijn advocaat.
Feiten
Partijen zijn gehuwd geweest van 21 september 1988 tot 2 september 1996.
Uit het huwelijk is op [geboortedatum] 1990 te [plaats B] een thans meerderjarig kind geboren:
- [de jong meerderjarige].
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 26 juni 1996 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en - voor zover hier van belang - bepaald dat de man aan de vrouw met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partneralimentatie van ƒ 1.530,-- per maand dient te voldoen.
Bij beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 24 januari 1997 is - voor zover hier van belang - de beschikking van de rechtbank vernietigd en de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepaald op een bedrag van
ƒ 700,-- per maand.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 7 september 1999 is de beschikking van het gerechtshof gewijzigd en de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie met ingang van 1 december 1998 bepaald op een bedrag van ƒ 625,-- per maand.
Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 7 december 2004 is het verzoek van de man tot wijziging van de door hem aan de vrouw te betalen partneralimentatie afgewezen.
Als gevolg van de wijziging van rechtswege ingevolge artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen partneralimentatie thans € 368,87 per maand.
Verzoek, grondslag en verweer
De vrouw heeft verzocht - uitvoerbaar bij voorraad - de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van 2 september 2008 met drie jaar te verlengen, in dier voege dat de man met ingang van 2 september 2008 maandelijks bij vooruitbetaling de bij beschikking van de rechtbank bepaalde alimentatie aan de vrouw dient te blijven voldoen.
De vrouw heeft haar verzoek gegrond op de stelling dat de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend voor haar is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.
De man heeft verweer gevoerd en verzocht het verzoek af te wijzen, kosten rechtens.
Beoordeling
De limitering
Ontvankelijkheid
Ingevolge artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud - wanneer de rechter geen termijn heeft vastgesteld - van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ingevolge artikel 1:157 lid 5 BW kan de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn stellen indien de beëindiging na twaalf jaar zo ingrijpend van aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van de alimentatiegerechtigde niet kan worden gevergd, mits dat verzoek is ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.
In het onderhavige geval staat vast dat aan de alimentatieplicht van de man door de rechter geen termijn is verbonden, alsmede dat de alimentatieplicht, die op 2 september 1996 is aangevangen, op 2 september 2008 twaalf jaar heeft geduurd.
Het verzoek van de vrouw is bij de rechtbank ingekomen op 29 juli 2008 en daarmee binnen de termijn als bedoeld in artikel 1:157 lid 5 BW, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.
Inhoudelijke overwegingen
Allereerst dient te worden beoordeeld of beëindiging van de alimentatie ingrijpend is. Voor de beantwoording van deze vraag vergelijkt de rechtbank de situatie van de vrouw vóór de datum van de beëindiging met die waarin de vrouw als gevolg van de beëindiging zal komen te verkeren.
De vrouw heeft ter terechtzitting gesteld dat zij haar dienstverband bij [thuiszorgorganisatie] heeft beëindigd vanwege het gedaalde salaris en het feit dat er geen uitbreiding van haar werkuren mogelijk was. Sinds medio december 2008 werkt de vrouw gedurende 25 uur per week voor een salaris van € 850,-- netto per maand als magazijnmedewerkster bij [bedrijf]. Mede gezien de zware fysieke belasting van dit werk voor de vrouw, is thans onzeker of het dienstverband na afloop van de proeftijd op 22 februari 2009 zal worden verlengd. De onderneming van de vrouw is vanwege diverse noodzakelijke investeringen thans nog verliesgevend.
De vrouw heeft ter terechtzitting onweersproken gesteld dat - hoewel zij nog geen salarisspecificatie heeft ontvangen - haar huidige salaris naar schatting ongeveer € 850,-- netto per maand bedraagt. Gelet op dit salaris en de alimentatie van
€ 368,87 bruto per maand, die de vrouw thans ontvangt, stelt de rechtbank vast dat de inkomensterugval van de vrouw ongeveer 30% bedraagt. De rechtbank acht een dergelijke inkomensterugval ingrijpend.
Nu vaststaat dat de beëindiging van de alimentatieplicht ingrijpend is, dient de rechtbank te beoordelen of deze beëindiging zo ingrijpend is, dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Hierbij dienen alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen en in onderlinge samenhang te worden gewogen. Deze afweging geschiedt tegen de achtergrond van de limiteringsgedachte, die uitdrukkelijk in de wet is neergelegd en die zware eisen stelt voor het aannemen van bijzondere omstandigheden die ertoe leiden dat de alimentatieplicht wordt verlengd.
De vrouw heeft gesteld dat zij vanwege de intensieve zorg voor de zoon van partijen, [de jong meerderjarige], die kamp(te) met gedrags- en leerproblemen, na de echtscheiding geen fulltime dienstverband buitenshuis kon aangaan. Zij is eind 2006 - naast haar parttime dienstverband bij [thuiszorgorganisatie]- een eigen onderneming opgestart, waarbij zij vanuit huis kon werken en beschikbaar was om [de jong meerderjarige] na schooltijd op te vangen. De vrouw ziet gezien de investeringen van de afgelopen jaren, mogelijkheden om haar thans nog verliesgevende onderneming, de komende jaren winstgevend te maken. Voorts woont [de jong meerderjarige] sinds 14 oktober 2008 bij [instelling] te Leiden. De vrouw is gelet op voormelde omstandigheden van mening dat het nu beëindigen van de alimentatie te vroeg komt en zij heeft verzocht de alimentatieverplichting van de man met drie jaar te verlengen. De vrouw zal deze periode aanwenden om volledig in haar eigen levensonderhoud te gaan voorzien.
De man heeft gesteld dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden geen verlenging kunnen rechtvaardigen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de - door de man betwiste - leer- en gedragsproblemen van [de jong meerderjarige] de vrouw nooit hebben belemmerd in het aangaan van een fulltime dienstverband buitenshuis. De man is voorts van mening dat het feit dat de vrouw nauwelijks inkomen genereert uit haar onderneming, niet voor zijn rekening en risico dient te komen. Het had op de weg van de vrouw gelegen om de afgelopen jaren deugdelijke pogingen te verrichten om in eigen levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld door het volgen van een opleiding of het vinden van een andere baan.
De vrouw wist van de eindigheid van de alimentatie en de man heeft erop vertrouwd dat zijn verplichting op 2 september 2008 zou eindigen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Vaststaat dat er gedurende het achtjarige huwelijk van partijen een traditionele rolverdeling gold. Na de echtscheiding heeft de vrouw de zorg voor het destijds vijfjarige kind van partijen, [de jong meerderjarige], op zich genomen. Voorts is de vrouw sinds 27 januari 1997 parttime in loondienst getreden als Thuishulp A bij Thuiszorgorganisatie [thuiszorgorganisatie].
De rechtbank stelt voorop dat, mede gelet op de door de vrouw overgelegde stukken, vaststaat dat er bij [de jong meerderjarige] sprake is (geweest) van ernstige psychische- en gedragsproblematiek. De vrouw heeft naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheid voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de afgelopen jaren deugdelijke pogingen heeft ondernomen ter uitbreiding van haar verdiencapaciteit. De rechtbank begrijpt de keuze van de vrouw om in verband met de intensieve zorg voor [de jong meerderjarige] slechts onder zijn schooluren buitenshuis te werken en daarnaast vanuit huis werkzaamheden ten behoeve van haar onderneming te verrichten. Nadat [de jong meerderjarige] recent begeleid is gaan wonen, heeft de vrouw haar werkuren buitenshuis en daarmee haar verdiencapaciteit zoveel mogelijk uitgebreid door een andere baan aan te nemen. Zij heeft ter terechtzitting uiteengezet hoe zij haar overige (vrije) tijd besteedt aan werkzaamheden ten behoeve van haar onderneming. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank de stelling van de man dat de vrouw de afgelopen jaren onvoldoende deugdelijke pogingen heeft ondernomen om haar verdiencapaciteit uit te breiden.
De rechtbank is van oordeel dat beëindiging van de alimentatieverplichting van de man op dit moment als té ingrijpend voor de vrouw is aan te merken. Zij acht het redelijk om de vrouw meer tijd te geven om haar werkzaamheden zodanig uit te breiden dat zij volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking de stelling van de vrouw dat de gedane investeringen in haar onderneming zich in de toekomst moeten uitbetalen. Voorts brengt de omstandigheid dat [de jong meerderjarige] niet langer thuis woont, voor de vrouw met zich dat zij niet langer aan huis is gebonden en een fulltime dienstverband buitenhuis kan aangaan.
De rechtbank ziet, nu voorts als onweersproken vaststaat dat de man over voldoende draagkracht beschikt, aanleiding om zijn alimentatieplicht met ingang van 2 september 2008 voor de duur van twee jaar te verlengen. De rechtbank zal hierbij de wettelijke indexering uitsluiten en bepalen dat na afloop van de termijn op 2 september 2010 verlenging niet mogelijk is.
De proceskosten
Gelet op het feit dat partijen ex-echtgenoten zijn en het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten te compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
bepaalt de door de man met ingang van 2 september 2008 te betalen uitkering tot levensonderhoud van de vrouw op
€ 368,87 per maand, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
sluit op het hiervoor vastgestelde bedrag de jaarlijkse wettelijke indexering uit;
bepaalt dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw eindigt met ingang van 2 september 2010;
bepaalt dat verlenging van de vastgestelde termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. van Steen in tegenwoordigheid van mr. E. Noorlander als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 februari 2009.