Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI2434

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-04-28
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersHD 103.004.546
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schade door inbreuk op eigendomsrecht vanwege verbouwing (met vergunning).


Uitspraak

typ. KM zaaknr. HD 103.004.546 ARREST VAN HET GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH, sector civiel recht, tweede kamer, van 13 januari 2009, gewezen in de zaak van: 1. [X.], 2. [Y.], beiden wonende te [woonplaats], appellanten in principaal appel bij exploot van dagvaarding van 19 december 2006, geïntimeerden in incidenteel appel, advocaat: mr. Ph.C.M. van der Ven, tegen: [Z.], wonende te [woonplaats], geïntimeerde in principaal appel bij gemeld exploot, appellant in incidenteel appel, advocaat: mr. H.J.A.B. Bellemakers, op het hoger beroep van de door de rechtbank Breda gewezen vonnissen van 28 januari 2004, 27 april 2005, 29 juni 2005 en 20 september 2006 tussen principaal appellanten – [X.] c.s. - als eisers en principaal geïntimeerde – [Z.] - als gedaagde. 1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 125818/HA ZA 03-1810) Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen. 2. Het geding in hoger beroep 2.1.1. Bij memorie van grieven hebben [X.] c.s. onder overlegging van producties acht grieven aangevoerd, hun eis vermeerderd c.q. gewijzigd en geconcludeerd tot (naar het hof begrijpt: gedeeltelijke) vernietiging van de vonnissen van 27 april 2005, 29 juni 2005 en 20 september 2006 en tot, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: - primair: machtiging om voor rekening van [Z.] aan een derde opdracht te geven tot het uitvoeren van de werkzaamheden als omschreven onder A van het rapport van ZNEB van 1 april 2003; - subsidiair: machtiging om voor rekening van [Z.] aan een derde opdracht te geven tot het uitvoeren van de werkzaamheden als omschreven onder B van het rapport van ZNEB van 1 april 2003; - meer subsidiair: machtiging om voor rekening van [Z.] aan een derde opdracht te geven tot het uitvoeren van die werkzaamheden welke het hof noodzakelijk en redelijk acht, en tot herstel van de gebreken die het hof redelijk acht; - en voorts tot veroordeling van [Z.] tot betaling aan [X.] c.s. van het bedrag van € 4.658,58, subsidiair € 2.609,43, meer subsidiair € 520,74 met rente, - met bekrachtiging van de vonnissen voor zover [Z.] daarin is veroordeeld tot verwijdering en verwijderd houden van zaken, als omschreven in het petitum onder 5, op straffe van een dwangsom; - met veroordeling van [Z.] in de kosten van de procedure. 2.1.2. Vervolgens hebben [X.] c.s. 31 foto’s, behorende bij de memorie van grieven ter griffie gedeponeerd, van welk depot door de griffier akte is opgemaakt. 2.2. Bij memorie van antwoord heeft [Z.] de grieven bestreden. Voorts heeft hij onder overlegging van een productie incidenteel appel ingesteld, daarin een grief aangevoerd en geconcludeerd kort gezegd, tot vernietiging van de vonnissen van 27 april 2005 en 20 september 2006 voor zover het betreft de beslissing tot verwijdering van de leidingen, en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de leidingen niet behoeven te worden verwijderd, met bekrachtiging van de beroepen vonnissen voor het overige, en met veroordeling van [X.] c.s. in de kosten van het hoger beroep. 2.3. [X.] c.s. hebben in incidenteel appel geantwoord. 2.4. Partijen hebben vervolgens onder overlegging van pleitnota’s hun stellingen bepleit. 2.5. Daarna hebben zij de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd. In het dossier van [X.] c.s. ontbreken de beide pleitnota’s. 3. De gronden van het hoger beroep Voor de grieven verwijst het hof naar de memories van grieven in principaal en incidenteel appel. 4. De beoordeling in principaal en incidenteel appel 4.1. In overweging 3.2. (a t/m j) van het tussenvonnis van 27 april 2005 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, welke niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof neemt de aldaar gebruikte aanduidingen over. 4.2. Het gaat in dit hoger beroep, kort samengevat, om het volgende. 4.2.1. [X.] c.s. en [Z.] zijn buren. [X.] c.s bewonen het pand aan de [straatnaam en huisnummer] te [woonplaats], [Z.] woont op nr. [huis-nummer]. Tussen beide panden loopt een (overbouwde) doorgang. [Z.] heeft tussen oktober 2001 en januari 2002 bouwwerkzaamheden laten verrichten aan zijn pand, dat hij heeft laten verhogen. Daartoe is een deel van een muur tussen beide buurpanden verwijderd, is een stuk op die muur gemetseld en zijn in die muur stalen balken aangebracht. Een deel van het dak en het dakbeschot van [X.] c.s. is verwijderd en het pand van [Z.] is van een nieuw dak voorzien dat is aangesloten op het dak van [X.] c.s. 4.2.2. [Z.] heeft in juni 2000 ten behoeve van de onderhavige bouwwerkzaamheden een constructieberekening laten opstellen (prod. 1 inl. dagv.). Op 5 september 2000 hebben B&W van de gemeente [plaats gemeente] aan [Z.] vrijstelling verleend van de verplichting een onderzoeksrapport naar de gesteldheid van de bodem op te stellen. Op 30 oktober 2000 is aan [Z.] een bouwvergunning verleend. Genoemde constructieberekeningen maakten hiervan deel uit. [X.] heeft geen bezwaar aangetekend tegen het verlenen van de bouwvergunning aan [Z.]. 4.2.3. [X.] c.s. hebben [Z.] op 10 januari 2002 schriftelijk aansprakelijk gesteld voor alle tegenwoordige en toekomstige schade aan hun woning, ontstaan door de bouwwerkzaamheden van [Z.]. In deze brief refereert [X.] (principaal appellant sub 1) aan veelvuldig aan [Z.] gedane mondelinge verzoeken om de in de brief genoemde problemen op te lossen (te weten: zonder toestemming metselen op binnenmuur waardoor extra gewicht de fundering belast; zonder toestemming inbalken met stalen binten in de binnenmuur; zonder toestemming inkorten dakbeschot waardoor draagconstructie dakbeschot is verzwakt; wateroverlast aan de kopse kant van de dakgoot aan de zuidzijde en via het dakbeschot aan de noordzijde). 4.2.4. Namens [Z.] heeft [K.] Timmerbedrijf met een brief gedateerd 18 januari 2002 geantwoord, en ontkend dat er (nog) problemen waren. Verstijlen refereerde daarbij aan een gesprek met [X.] op 10 januari 2002, waarin een en ander zou zijn uitgesproken. Ook [Z.] reageerde afwijzend per brief op 18 januari 2002. 4.2.4 Op 18 januari 2002 heeft [X.] de volgende verklaring ondertekend: “Hierbij verklaar ik, [X.], woonachtig in de [straatnaam en nummer] te [woonplaats], dat na de verbouwing van het pand van [Z.], de afwerking van mijn dak/pand tot alle tevredenheid is geschied. Inclusief het waterdicht maken tegen het desbetreffende aangrenzende pand vanwaar de verbouwing zich heeft plaatsgevonden.” 4.2.5. Op 6 maart 2002 hebben [X.] c.s. [Z.] aansprakelijk gesteld voor alle te maken en gemaakte kosten en (onder meer) geëist dat [Z.] een funderingsonderzoek zou doen. 4.2.6. Op 6 mei 2002 heeft de raadsman van [X.] c.s. [Z.] aansprakelijk gesteld voor geleden en nog te lijden schade, de reeds gemaakte kosten van herstel ad € 555,75 geclaimd en [Z.] gesommeerd mee te werken aan een deskundigenonderzoek. Voorts is [Z.] gesommeerd aan hem toebehorende zaken te verwijderen uit de doorgang en een regenpijp aan te sluiten op het riool. 4.2.7. Op 1 april 2003 heeft het Zuid-Nederlands Expertisebureau B.V. (ZNEB) een bouwkundig expertiserapport opgesteld, in opdracht van [X.] c.s. [Z.] is bij (de opstelling van) dit rapport niet betrokken geweest. 4.2.8. [Z.] heeft aan de aan hem gerichte sommaties geen gehoor gegeven, waarop [X.] c.s. [Z.] op 17 oktober 2003 in rechte hebben betrokken. In het tussenvonnis van 27 april 2005 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek gelast. Bij vonnis van 29 juni 2005 heeft de rechtbank de deskundige benoemd en de aan deze te stellen vragen geformuleerd. De deskundige heeft op 25 januari 2006 gerapporteerd. Bij vonnis van 20 september 2006 heeft de rechtbank [Z.] veroordeeld tot betaling van € 476,-- + € 904,--, tot verwijdering van niet aan [X.] toebehorende zaken in de doorgang op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag met een maximum van € 1.000,--, tot aansluiting van de regenpijp op straffe van een eenmalige dwangsom van € 2.500,--, tot verwijdering van leidingen uit de doorgang eveneens op straffe van een eenmalige dwangsom van € 2.500,-- en tot afwijzing van de overige vor-deringen van [X.] c.s., met compensatie van de proceskosten met dien verstande dat [X.] c.s. de kosten van de deskundige dienen te dragen. 4.3. [X.] c.s. zijn niet ontvankelijk in hun appel tegen de tussenvonnissen van 28 januari 2004 en 29 juni 2005 nu zij tegen deze vonnissen geen grieven hebben aangevoerd. 4.4.1. De meest verstrekkende kwestie, waar het hof allereerst over zal oordelen, betreft de verklaring van 18 januari 2002. In haar von-nis van 27 april 2005 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze verklaring, mede gelet op de brief van [X.] c.s. van 10 januari 2002, dient te worden opgevat als een algemene tevredenheidsbetuiging ter zake de algehele afwerking van het dak/pand, en is de verklaring niet gericht op het afstand doen van rechten op schadevergoeding. 4.4.2. Partijen hebben tegen het oordeel van de rechtbank over de verklaring van 18 januari 2002 niet expliciet gegriefd. Uit de toelich-ting op de eerste grief in principaal appel leidt het hof af dat deze verklaring wel aan zijn oordeel is voorgelegd. Bij pleidooi heeft [Z.], bij de bespreking van de eerste grief in principaal appel van [X.] c.s., ook expliciet een beroep op deze verklaring gedaan, waarop door [X.] c.s. weer is gereageerd. 4.4.3. Het hof is van oordeel dat aan deze verklaring niet de ruime strekking kan worden toegekend die [Z.] heeft bepleit. Van belang voor de uitleg van de verklaring is welke zin partijen in de gegeven om-standigheden over en weer redelijkerwijs aan de verklaring mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn van beslissende betekenis alle concrete omstandigheden van het geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijk en billijkheid meebrengen. 4.4.4. De verklaring lijkt niet door [X.] c.s. zelf te zijn opgesteld. Dit valt af te leiden uit het feit dat de naam van [X.] c.s. verkeerd gespeld is, hetgeen zijzelf blijkens de door hen overgelegde correspondentie niet doen. Tijdens pleidooi is desgevraagd verklaard door [X.], dat hij deze verklaring tijdens een inspectie van de bouwwerkzaamheden ter ondertekening kreeg voorgelegd. Dat [X.] c.s. aan deze verklaring niet de betekenis hebben toegedacht, welke [Z.] daar thans aan hecht, blijkt naar het oordeel van het hof uit hun brief van 6 maart 2002, waarin zij niet gerefereerd hebben aan de verklaring, in tegendeel, zij hebben hun eerder geuite klachten herhaald. De brief van [Z.] van 18 januari 2002, waarin deze – gesteund door de brief van [K.] van 18 januari 2002 – de klachten weerspreekt, kan gezien de datering ook eerst na de onderteke-ning van de verklaring door [X.] c.s. zijn ontvangen. Ook in deze brief wordt niet aan de verklaring – van diezelfde dag – gerefereerd. 4.4.5. Uit dit alles leidt het hof af dat de verklaring als een losstaande kwestie moet worden beschouwd en dat deze niet meer, maar ook niet minder, behelst dan wat er letterlijk staat: [X.] is tevreden met de manier van uitvoeren van de (herstel)werkzaamheden ten aanzien van de afwerking van zijn dak/pand en het waterdicht maken. Het is geen algemene tevredenheidsbetuiging, zoals de rechtbank terecht heeft gesteld. De verklaring is ook niet op te vatten als het doen van afstand van eventuele rechten op schadevergoeding door [X.] c.s. Anderzijds is het hof het met [Z.] wel eens, dat de verklaring niet geheel terzijde gelegd kan worden in het licht van de in dit geding te beantwoorden vraag of [Z.] op onrechtmatige wijze schade heeft toegebracht aan het pand van [X.] c.s. Het hof zal er derhalve – beschouwd in bovenstaand licht - rekening mee houden bij de bespreking van de eerste grief. 4.5.1. Het hof zal thans de grieven I tot en met V beoordelen. De eerste grief is gericht tegen r.o. 3.3. van het vonnis van 27 april 2005. [X.] c.s. klagen erover dat de rechtbank ten onrechte in het midden heeft gelaten of de muur eigendom van [X.] c.s. is, of gemeenschappelijk. Voorts heeft de rechtbank volgens hen ten onrechte overwogen dat een vordering tot algehele afbraak na de beëindiging van de bouwwerk-zaamheden in strijd met de redelijkheid en billijkheid is, omdat [X.] c.s. geen bezwaar hebben gemaakt tegen de bouwvergunning en gedurende de bouw evenmin actie hebben ondernomen. 4.5.2. Ook het hof zal de beoordeling of de muur volledig eigendom van [X.] c.s. is, in het midden laten. Het hof deelt het oordeel van de rechtbank dat de eigendomskwestie voor de beoordeling van de (op onrechtmatige inbreuk op eigendomsrechten gebaseerde) vorderingen van [X.] c.s. niet van belang is. Immers, vast staat dat de muur in ieder geval mandelig is, nu deze muur (deels) de scheidsmuur tussen de beide huizen is, en het (oude) dak van [Z.] op deze muur rustte. [Z.] zal zich derhalve altijd (zowel in het geval van volledige als van mede-eigendom van [X.] c.s.) de eigenaarsbelangen van [X.] c.s. moeten aantrekken. Ter zake mandeligheid bepaalt de wet bijvoorbeeld met zoveel woorden dat tegen en in een mandelige muur mag worden gebouwd, maar slechts tot op de helft der dikte, en zonder toebrengen van schade. Voorts kan een mede-eigenaar vorderen dat deskundigen hun oordeel over de geplande bouwwerkzaamheden kunnen geven (art. 5:67 leden 1 en 2 BW). 4.5.3. Vast staat dat [Z.] in ieder geval met de ijzeren balk, die aan de andere kant van de muur in de zolder van [X.] c.s. uitkwam, schade heeft toegebracht aan het (mede-)eigendomsrecht van [X.] c.s. Vast staat dat [Z.] tevoren – noch desgevraagd tijdens de werkzaamheden - geen deskundigenoordeel over de funderingen heeft gevraagd, maar alleen een constructietekening bij de vergunningsaanvraag heeft overgelegd. Voorts staat met de brief van 10 januari 2002, waarvan de inhoud niet gemotiveerd door [Z.] is betwist, vast dat [X.] c.s. tijdens de bouwwerkzaamheden meermalen mondeling en schriftelijk bij [Z.] hebben geklaagd over het verloop van de werkzaamheden. Tenslotte is het feit dat [Z.] een vergunning heeft verkregen voor de door hem uitgevoerde werkzaamheden in die zin van minder belang, dat voor de vraag of [Z.] aan [X.] c.s. onrechtmatige hinder heeft toegebracht het handelen in overeenstemming met een publiekrechtelijke vergunning niet steeds vrijwaart tegen aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad (vgl. HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418). 4.5.4. De primaire vordering van [X.] c.s., strekkende tot afbraak van het gebouwde, dient in het licht van het bovenstaande te worden beoor-deeld. Daaruit blijkt, minst genomen, dat [Z.] zich de belangen van zijn buurman en (in ieder geval) mede-eigenaar van de gemeenschappelijke scheidsmuur, niet goed heeft aangetrokken. Voor de toewijzing van het primair en subsidiair gevorderde is deze constatering echter niet voldoende. Vast moet ook komen te staan wat precies de aard en de omvang van de hinder is en of [Z.] door zijn handelwijze aan [X.] c.s. schade heeft toegebracht. Ook is van belang hoe [Z.] is omgegaan met de tussentijds geuite klachten van [X.] c.s. 4.5.5. Ten aanzien van het laatste punt staat als onbetwist vast dat op 10 januari 2002 een gesprek tussen partijen heeft plaatsgevonden, doch dat [X.] c.s. dit gesprek en de daarin afgesproken maatregelen (getuige hun brief van dezelfde datum) kennelijk onvoldoende vonden. Op 18 januari 2002 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden, waarna [X.] de bewuste verklaring heeft ondertekend, waaruit minst genomen een gedeeltelijke tevredenheid van [X.] c.s. met het herstel naar aanleiding van zijn klachten kan worden afgeleid. 4.5.6. Over de door [X.] c.s. geuite klachten hebben zij aan ZNEB een onderzoeksopdracht verstrekt. Nu, zoals reeds geconstateerd, [Z.] op geen enkele wijze bij de totstandkoming van dat rapport is betrokken, zal het hof aan de door ZNEB getrokken conclusies minder gewicht hech-ten dan aan de conclusies van de in eerste aanleg door de rechtbank benoemde, onafhankelijke, deskundige. Het hof is van oordeel dat de door de rechtbank aan die deskundige voorgelegde vragen alle relevant zijn in de onderhavige procedure, waarin immers de kernvraag voorligt of [X.] c.s. als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden door [Z.] schade hebben geleden. Naar het oordeel van het hof worden deze vragen door de door de rechtbank benoemde deskundige op inzichtelijke en gemotiveerde manier beantwoord, waarbij de deskundige zich, zoals blijkt uit zijn rapportage, terdege rekenschap heeft gegeven van de ernstige zorgen die [X.] c.s. zich maakten. De door de rechtbank benoemde deskundige komt – samengevat- tot de conclusie dat de bestaande fundering in staat is de extra belasting te dragen en er geen reden is tot het uitvoeren van ingrijpende maatregelen. De constructie voldoet aan de geldende eisen. Ten aanzien van de scheurvorming merkt de deskundige nog op dat deze het gevolg is van enige zetting die kan optreden na het aanbrengen van de nieuwe opbouw. De scheurvorming is echter dermate beperkt dat geen sprake is van overbelasting van de grondslag. Er is geen twijfel over de constructieve veiligheid. De werkzaamheden zijn deugdelijk uitgevoerd. Herstel is zeer beperkt noodzakelijk. Het hof ziet geen aanleiding de in het deskundigenrapport getrokken conclusies in twijfel te trekken en maakt deze conclusies dan ook tot de zijne. 4.5.7. In dit verband merkt het hof nog op dat het hof eveneens het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het door [X.] c.s. inge-brachte rapport van ZNEB onvoldoende steun biedt voor het oordeel dat [X.] c.s. als gevolg van de verbouwingswerkzaamheden schade hebben geleden. In het rapport van ZNEB wordt weliswaar scheurvorming geconstateerd, maar in dit rapport wordt niet onderbouwd – zoals dat wel het geval is in het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige - wat de oorzaak is of kan zijn van deze scheurvorming. Slechts de noodzaak van nader onderzoek wordt in dit verband aangegeven. Ook voor wat betreft de dakopbouw geeft het rapport van ZNEB slechts aan dat herstelwerkzaamheden moeten worden verricht, maar niet waarom dat precies zou moeten gebeuren. 4.5.8. Zoals reeds opgemerkt hadden [X.] c.s. grote vrees voor een onveilige situatie, maar is deze vrees volgens de deskundige niet gefundeerd. Geen enkele reden is dan ook aan te geven om tot algehele afbraak van de bouw te moeten concluderen op gronden van onveiligheid. Uit het deskundigenrapport van de door de rechtbank benoemde deskundige blijkt naar het oordeel van het hof voorts dat de overlast die [Z.] aan [X.] c.s. heeft toegebracht zich voor het overgrote deel slechts tijdens de bouwperiode heeft voorgedaan. Weliswaar geeft de verkregen vergunning aan [Z.] zeker geen vrijbrief om aan zijn buurman onrechtmatige hinder toe te brengen, maar het is anderzijds wel het recht van een eigenaar om, als hij daarvoor de benodigde vergunningen verkregen heeft, werkzaamheden aan zijn pand te verrichten. Enige tijdelijke overlast zullen de buren – zeker in een stedelijke omgeving als de onderhavige - in zo’n geval moeten tolereren. Wanneer de reparaties, tot betaling waarvan de rechtbank [Z.] heeft veroordeeld, zullen zijn geschied, zal er naar het oordeel van het hof geen objectieve hinder meer kunnen zijn, veroorzaakt door de werkzaamheden bij [Z.]. 4.5.9. Nu het hof het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige zal volgen, falen derhalve de grieven II tot en met V. Voor toewijzing van meer of andere kosten of vergoeding van meer of andere werkzaamheden dan in het deskundigenrapport vermeld, hebben [X.] c.s. onvoldoende onderbouwde stellingen aangevoerd om afwijking van de conclusies van de deskundige te rechtvaardigen. 4.5.10. Uit de procedure (en hetgeen daaraan vooraf gegaan is) blijkt dat [Z.], in het licht van de bestaande en hem bekende vrees van [X.] c.s. voor de veiligheid van hun woning, een weinig tactvolle of zorgzame houding heeft aangenomen. Dit is echter op zichzelf geen reden voor afbraak van het gebouwde, en evenmin voor de vergoeding van schade, nu ergernis op zichzelf beschouwd niet gekwalificeerd kan worden als vermogensschade. Evenmin kan de vrees voor mogelijke toekomstige schade (als genoemd in de toelichting bij grief V), nu reeds resulteren in een schadevergoeding. 4.5.11. Wel is komen vast te staan dat [Z.] zich jegens [X.] c.s. onzorgvuldig hebben gedragen door zonder hun toestemming in en op een (minst genomen) mandelige muur te bouwen. Uit het deskundigenrapport valt echter niet af te leiden dat [X.] c.s., met uitzondering van die kwesties waarvoor de rechtbank reeds een veroordeling van [Z.] heeft uitgesproken, door de handelwijze van [Z.] schade hebben geleden. Grief I faalt derhalve eveneens. 4.6.1. Het hof zal grief VI in principaal appel en de grief in inci-denteel appel gezamenlijk behandelen, nu zij beide zien op de kwestie van de leidingen onder de doorgang. 4.6.2. Als onbetwist staat vast dat het vloeroppervlak van de doorgang eigendom is van [X.] c.s. In deze doorgang hangt een regenpijp, waarlangs het hemelwater, dat van het dak van [Z.] komt, afwatert. Voorts waren tegen het plafond van de doorgang leidingen aanwezig, welke wit zijn geschilderd. Ten behoeve van zijn pand heeft [Z.] gedurende de verbouwing daarnaast nieuwe leidingen in de doorgang – onderaan het plafond – aangebracht. In eerste aanleg hebben [X.] c.s. verwijdering gevorderd van de nieuw geplaatste leidingen, omdat zij daardoor hinder ondervinden, en [Z.] daarmee een inbreuk maakt op hun eigendomsrecht. De regenpijp is in appel geen onderwerp van geschil meer. De rechtbank heeft geoordeeld dat [Z.] met de door hem aangebrachte leidingen in-breuk maakt op het eigendomsrecht van [X.] c.s. De rechtbank heeft [Z.] veroordeeld tot het verwijderen van de nieuwe leidingen op straffe van een eenmalige dwangsom van € 2.500,--. [X.] c.s. vorderen in principaal appel dat [Z.] zal worden veroordeeld tot een hogere dwangsom, nu de eerder opgelegde dwangsom voor hem kennelijk onvoldoende aansporing is om de leidingen te verwijderen. [Z.] vordert zijnerzijds dat het oordeel dat de leidingen moeten worden weggehaald, zal worden vernietigd. 4.6.3. [Z.] heeft een oude afvoerleiding vervangen, welke volgens hem niet meer voldeed. Uit de mva in incidenteel appel nr. 4, blijkt dat [X.] c.s. hun eerdere betwisting van het feit dat een oude leiding is vervangen, hebben laten varen. Daarnaast staat als onbetwist thans vast dat [Z.] twee nieuwe leidingen heeft aangebracht, een omhuld door een koof en een niet omhuld. [Z.] stelt dat hij hiermee geen inbreuk maakt op het eigendomsrecht van [X.] c.s. en dat de leidingen geen hinder veroorzaken. 4.6.4. De verdiepingsvloer boven de doorgang behoort volgens de stellingen van [Z.], welke door [X.] niet (gemotiveerd) zijn betwist, tot zijn eigendom. Boven deze vloer heeft [Z.] een deel van zijn woning. De leidingen zijn daar onbetwist tegen aangebracht ten behoeve van het pand van [Z.]: het zijn afvoerleidingen voor toilet en douche, waterleidingen en elektriciteitsleidingen. Dit brengt naar het oordeel van het hof met zich dat de leidingen naar verkeersopvattingen een wezenlijk onderdeel uitmaken van het pand waartegen zij zijn aangebracht. Immers, leidingen als de onderhavige kunnen worden beschouwd als voorzieningen die naar verkeersopvattingen nodig zijn ter completering van het gebouw voor zijn functie als woonhuis. Het enkele feit dat wellicht met deels smallere leidingen had kunnen worden volstaan, brengt naar het oordeel van het hof niet mee dat de leidingen zoals deze zijn gemonteerd niet in hun geheel als bestanddeel van het gebouw zou moeten worden beschouwd. Evenmin doet aan het bestanddeel zijn van de leidingen af, dat deze zijn aangebracht boven de aan [X.] c.s. toebehorende grond. 4.6.5. [X.] c.s. hebben gesteld dat zij door de aangebrachte leidingen minder goed gebruik kunnen maken van de aan hen toebehorende doorgang, en dat [Z.] hen derhalve onrechtmatig hindert in het gebruik van hun eigendom. Het hof deelt dit standpunt niet. Het enkele feit dat de leidingen [X.] c.s. visueel hinderen, brengt nog geen hinder met zich. Het zou [Z.] overigens wel sieren als hij de aangebrachte leidingen, conform zijn aanbod, wit zou schilderen. [X.] c.s. hebben voorts gesteld dat de doorgang door de leidingen wordt belemmerd. Tegenover de betwisting van [Z.] hebben zij deze stelling echter niet nader met feiten geconcretiseerd, zodat het hof hieraan voorbij zal gaan. 4.6.6. De conclusie is dat de leidingen niet behoeven te worden verwijderd en dus grief VI in principaal appel faalt en de grief in incidenteel appel slaagt. 4.7. Hiermee valt eveneens het doek voor de grieven VII en VIII. Het hof zal de beroepen vonnissen bekrachtigen, met uitzondering van de veroordeling tot verwijdering van de leidingen en de compensatie van de proceskosten. [X.] c.s. zullen, als (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep (in principaal en incidenteel appel). 5. De uitspraak Het hof: op het principaal en incidenteel appel verklaart [X.] c.s. niet ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de tussen hen en [Z.] gewezen vonnissen van de rechtbank Breda van 28 januari 2004 en 29 juni 2005; bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Breda van 27 april 2005 en 20 september 2006 gewezen tussen [X.] c.s. en [Z.], met uitzondering van de daarin opgenomen veroordeling van [Z.] tot verwijdering van de leidingen en de compensatie van de proceskosten; en in zoverre opnieuw rechtdoende: wijst af de vorderingen van [X.] c.s. tot verwijdering van de leidin-gen in de doorgang; veroordeelt [X.] c.s. in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [Z.] in eerste aanleg begroot op € 205,-- aan verschotten en € 1.582,-- aan salaris advocaat en in hoger beroep tot op heden begroot op € 396,-- aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat; wijst af het meer of anders gevorderde. Dit arrest is gewezen door mrs. Venhuizen, Fikkers en Van Laarhoven en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 januari 2009.