Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BI2093

Datum uitspraak2009-01-13
Datum gepubliceerd2009-04-24
RechtsgebiedCiviel overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers106.007.164/01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Uitleg vut-reglement. Autokostenregeling levert een financieel voordeel op dat afhankelijk is van diverse factoren die niet behoren tot domein van werkgever-werknemerrelatie. Geen vast loonbestanddeel dat kan worden meegenomen in uitkeringsgrondslag. Echter individueel overeengekomen.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM DERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER ARREST in de zaak van: de rechtspersonen naar publiek recht UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN, gevestigd te Amsterdam, APPELLANT, advocaat: mr. J. Krijgsman, gevestigd te Den Haag, t e g e n [X], wonende te [woonplaats], GEÏNTIMEERDE, advocaat: mr. E.J.M. van Diepen-Salet, gevestigd te Amsterdam. 1. Het geding in hoger beroep De partijen worden hierna UWV en [X] genoemd. Bij dagvaarding van 24 april 2007 is UWV in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank te Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam, verder te noemen de kantonrechter, van 30 januari 2007, onder kenmerk 03-25893 gewezen tussen [X] als eiser en UWV als gedaagde. UWV heeft twee grieven voorgesteld, twee producties in het geding gebracht, bewijs aangeboden en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen, en opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [X] alsnog zal afwijzen met veroordeling van [X], uitvoer bij voorraad, in de kosten van de procedure in beide instanties. Daarop heeft [X] geantwoord, vijf producties in het geding gebracht, zijn eis vermeerderd en geconcludeerd dat het hof het in deze procedure eerder gewezen tussenvonnis van de kantonrechter van 30 maart 2005 zal bekrachtigen. UWV heeft zich bij antwoordakte verzet tegen de vermeerdering van eis. Ter zitting van het hof van 14 oktober 2008 hebben partijen hun zaak doen bepleiten door hun advocaten aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd op de stukken van beide instanties. 2. Feiten 2.1 De kantonrechter heeft in het in deze procedure eerder gewezen tussenvonnis van 2 november 2004 onder het kopje “Feiten” een aantal gegevens als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Deze vaststelling is niet in geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Mede gelet op hetgeen voor het overige tussen partijen vaststaat op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds niet of onvoldoende is betwist en hetgeen blijkt uit de in zoverre niet bestreden inhoud van de overgelegde producties, kan hoger beroep worden uitgegaan van de volgende feiten. 2.2.1 [X] is op 1 mei 1975 in dienst getreden van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) in de functie van arbeidsdeskundige. De GMD is per 1 juli 1992 gefuseerd met het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor (GAK). Met ingang van 1 januari 1995 is [X] na een wijziging van de Organisatiewet Sociale Verzekeringen in dienst getreden bij de Stichting Sociaal Fonds Bouwnijverheid. Per 1 januari 1996 is de Stichting omgezet in SFB UOSV N.V. Deze Stichting en deze naamloze vennootschap worden hierna aangeduid als SFB. Per 1 januari 2002 is SFB opgegaan in UWV. 2.2.2 Vanaf zijn indiensttreding op 1 mei 1975 kon [X] aanspraak maken op een autokostenregeling, bestaande uit een vergoeding voor de vaste lasten per jaar, gerelateerd aan de cataloguswaarde van de auto en een vergoeding van de variabele kosten gerelateerd aan het aantal gereden kilometers. De autokostenregeling was fiscaal belast. 2.2.3 Met ingang van 1 januari 1979 is bij GMD een andere autokostenregeling gaan gelden. Daarbij is bepaald dat deze regeling niet van toepassing zou zijn op degenen die, zoals [X], vóór 1 januari 1978 als arbeidsdeskundige in dienst zijn getreden; voor hen bleef de oorspronkelijke regeling gelden. Op vordering van een aantal eisers waaronder [X] heeft de kantonrechter te Amsterdam bij vonnis van 24 mei 1996 GMD gelast de oorspronkelijke autokostenregeling op eisers van toepassing te laten zijn, totdat uit enig toekomstig rechtsfeit voortvloeit dat die regeling buiten toepassing is gesteld. Het vonnis van 24 mei 1996 is in hoger beroep bekrachtigd bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 9 juli 1997. 2.2.4 Met ingang van 1 januari 1995 heeft SFB de oorspronkelijke autokostenregeling eenzijdig beëindigd. In plaats daarvan is aan [X] een lease-auto ter beschikking gesteld, waarvoor [X] een maandelijkse bijdrage aan SFB verschuldigd was en waarover een fiscale bijtelling plaatsvond. In een procedure tussen [X] en een andere werknemer in een vergelijkbare situatie, [Y], enerzijds en SFB anderzijds heeft de kantonrechter te Amsterdam bij tussenvonnis van 18 augustus 1998 beslist dat SFB op grond van de wettelijke regeling inzake overgang van onderneming jegens [X] gebonden is aan de oorspronkelijke autoregeling. In het in die procedure gewezen eindvonnis van 11 juli 2000 heeft de kantonrechter (a) voor recht verklaard dat SFB vanaf 1 januari 1995 verplicht was om jegens [X] de oorspronkelijke autokostenregeling toe te passen en (b) SFB veroordeeld tot betaling aan [X] van bedrag van in hoofdsom fl. 43.584,00 netto, zijnde de door [X] geleden schade in de periode vanaf 1 januari 1995 tot 1 juli 1998. 2.2.5 [X] heeft vanaf 1 juli 1998 gebruik gemaakt van de zogenaamde non-activiteitsregeling van SFB (de NAR). De NAR houdt kort gezegd in dat gedurende de periode van de non-activiteit het dienstverband wordt gehandhaafd onder opschorting van de daaruit voortvloeiende wederzijdse rechten en verplichtingen en dat de werknemer een uitkering ontvangt conform de regeling vrijwillig vervroegd uittreden als bedoeld in de cao. Artikel 6 lid 1 onder a van het VUT-reglement luidde: “Als grondslag voor de uitkering geldt het laatst geldende vaste brutoloon behorend bij de gebruikelijke arbeidsduur op jaarbasis, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, plus die andere onderdelen van het inkomen die (op grond van het werkrooster) als een vast loonbestanddeel moeten worden beschouwd”. Op enig moment is het VUT-reglement gewijzigd aldus dat artikel 6 lid 1 sub a is komen te luiden: “Als grondslag voor de uitkering geldt het laatst geldende vaste brutoloon behorend bij de gebruikelijke arbeidsduur op jaarbasis, inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering, alsmede de onderdelen van het inkomen de door het bestuur op een daartoe bestemde lijst zijn geplaatst. (Bijlage 1)” De bedoelde bijlage houdt ondermeer in: “Oud recht toeslagen Dit zijn vaste toeslagen die gelden voor medewerkers afkomstig uit de oude organisaties. Dit is oud recht. Dat betekent dat deze toeslagen niet meer toegekend kunnen worden aan nieuwe medewerkers. Op termijn zullen deze toeslagen dus verdwijnen. Tussen haakjes staat aantal medewerkers die daar nog recht op hebben. (…) • persoonlijke toeslag (161) Dit is een verzameling vaste toeslagen die ooit om bijzondere redenen aan individuele medewerkers zijn toegekend bij een van de oude organisaties” De NAR-uitkering bedraagt 70% van de in artikel 6 van de VUT-reglement bedoelde grondslag. Per 1 januari 2001 is de toen geldende VUT-regeling vervangen door een prepensioenregeling. 2.2.6 Tussen SFB en [X] is een non-activiteits-overeenkomst gesloten op 11 maart 1998. Voorafgaand aan de totstandkoming daarvan heeft SFB, bij interne brief van 4 december 1997 verzonden door [Z], manager regionale uitvoering, aan [X] het volgende geschreven: “Wij hebben je in dit gesprek [gedoeld wordt op een gesprek van 1 december 1997, hof] de NAR mogelijkheid aangeboden, per 1 juli 1998. Van jouw kant is aangegeven dat je hiermee akkoord kunt gaan onder de conditie dat wij de volgende voorwaarde zullen opnemen; Indien jij het proces, inzake de autokosten vergoeding –ex GAK/GMD - ook bij het SFB-UOSV wint, is er ook bij onze organisatie sprake van een extra inkomen. Zoals gebruikelijk wordt inkomen meegenomen in een NAR uitkering. Wij zullen hierin de uitspraak van de rechter, al of niet na hoger beroep, moeten respecteren.” 2.2.7 Bij brief van 11 maart 1998 heeft SFB aan [X] bevestigd dat hij met ingang van 1 juli 1998 gaat deelnemen aan de NAR. Deze brief en de daarbij ter ondertekening gevoegde non-activiteitsovereenkomst bevatten geen verwijzing naar de hierboven bedoelde voorwaarde. [X] heeft zonder nadrukkelijk voorbehoud op dit punt de overeenkomst ondertekend en retour gezonden. 2.2.8 Bij brief van 31 maart 1998 heeft [X] voor zover van belang aan SFB geschreven: “Met de heer [Z] is schriftelijk overeengekomen dat de uitspraken van de rechter inzake de autokostenregeling worden geaccepteerd en meegenomen zullen worden in de hoogte van de NAR/VUT-regeling.” 2.2.9 Bij brief van 3 april 1998 heeft SFB geantwoord, voor zover van belang: “Uw brief d.d. 31 maart 1998 heeft ons bevreemd. Wij zijn in een gerechtelijke procedure verwikkeld terzake van de autokostenregeling en het zal u duidelijk zijn dat wij ten aanzien van deze kwestie geen enkele aanspraak uwerzijds erkennen.” 2.2.10 [X] is met ingang van 1 februari 2002 met prepensioen gegaan en met ingang van 1 februari 2006 met pensioen. 3. De vorderingen en het procesverloop 3.1 Bij inleidende dagvaarding heeft [X] kort gezegd gevorderd: a. betaling van een bedrag van in hoofdsom € 49.840,00 bruto als vergoeding van de door hem geleden schade als gevolg van het niet toepassen van de oorspronkelijke autokostenregeling over de periode van 1 juli 1998 tot en met 31 oktober 2003, te vermeerderen met de wettelijke rente; b. betaling van bedrag van € 778,75 bruto per maand vanaf 1 november 2003 tot op het moment dat UWV de grondslag van de VUT-uitkering heeft aangepast met inachtneming van oorspronkelijke autokostenregeling; c. betaling van bedrag van € 4.549,25 netto terzake van jubileumgratificatie, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en wettelijke rente. 3.2 Bij tussenvonnis van 2 november 2004 heeft de kantonrechter geoordeeld dat, mede gelet op de hierboven onder 2.2.3 en 2.2.4 genoemde vonnissen, het nettoresultaat van de oorspronkelijke autokostenregeling moet worden aangemerkt als een vast loonbestanddeel in de zin van artikel 6 van de VUT-reglement en daarom moet worden meegenomen in de grondslag van de NAR-uitkering en VUT-uitkering. Bij tussenvonnis van 15 maart 2005 heeft de kantonrechter partijen voor zover nodig verlof verleend tot het instellen van hoger beroep tegen dat vonnis en het tussenvonnis van 2 november 2004. Op het door UWV ingestelde hoger beroep tegen deze vonnissen heeft het hof bij arrest van 20 april 2006 deze vonnissen vernietigd en de zaak naar de kantonrechter terugverwezen, zonder dat het hof een oordeel heeft gegeven over de vraag of het netto resultaat van de autokostenregeling een vast loonbestanddeel vormt. In het bestreden vonnis van 30 januari 2007 heeft de kantonrechter zijn vonnissen van 2 november 2004 en 15 maart 2005 ‘bevestigd’ en partijen verlof verleend tot het instellen van hoger beroep tegen dit vonnis en de eerdere vonnissen. 3.3 Partijen hebben hun debat beperkt tot hun materiële geschil en zijn niet getreden in de processuele vragen die het hierboven geschetste procesverloop oproept. Ook het hof zal die vragen laten rusten omdat ter zitting van 14 oktober 2008 met partijen is afgesproken dat het de zaak ten gronde zal beoordelen en zelf zal afdoen. 4. De vermeerdering van eis in hoger beroep 4.1 De oorspronkelijke vordering van [X] ten aanzien van de autokostenregeling had mede betrekking op de periode na 1 februari 2002, zijnde de ingangsdatum van het prepensioen. Naar aanleiding van het voorlopige oordeel van de kantonrechter in het tussenvonnis van 2 november 2004 dat [X] geen vordering terzake van het prepensioen kan instellen tegen SFB omdat SFB daarbij geen partij is, heeft [X] bij akte van 7 december 2004 zijn vordering beperkt tot 1 februari 2002. 4.2 Bij memorie van antwoord in dit hoger beroep heeft [X] gesteld dat weliswaar de Stichting Prepensioenfonds UWV de (pre-) pensioenregeling uitvoert maar dat UWV als werkgever gehouden is om de juiste pensioengrondslag door te geven aan de Stichting. Dit betekent, aldus [X], dat hij in eerste aanleg zijn vordering ten onrechte heeft beperkt tot 1 februari 2002. Hij wenst die vermindering van eis ongedaan te maken door zijn vordering thans te vermeerderen aldus dat de hierboven onder 3.1 sub b genoemde vordering mede betrekking heeft op de periode vanaf 1 februari 2002. 4.3 UWV heeft zich tegen de vermeerdering van eis verzet. Het hof kan UWV niet volgen in haar stelling dat de vermeerdering van eis heeft te gelden als een reconventionele vordering. De vermeerdering heeft betrekking op de vordering in conventie. Er is geen reconventionele vordering ingesteld in deze procedure. Ook onjuist is de bij pleidooi door UWV betrokken stelling dat de beoogde eiswijziging slechts mogelijk is indien [X] incidenteel appel zou hebben ingesteld; de wijziging van eis keert zich niet tegen enig deel van het in eerste aanleg uitgesproken dictum. 4.4 Het UWV werpt voorts op dat de eisvermeerdering in strijd is met de goede procesorde omdat het debat in eerste aanleg geen betrekking had op dit deel van de vordering en dat UWV als gevolg van de eiswijziging een instantie zou verliezen. Het hof verwerpt dit bezwaar voorzover het betrekking heeft op de vordering over de periode van het prepensioen (van 1 februari 2002 tot 1 februari 2006). Op grond van de NAR-regeling is de grondslag van die uitkering dezelfde als de grondslag van de VUT-uitkering. Het debat tussen partijen over de vraag of het nettoresultaat van de autokostenregeling is aan te merken als een vast loonbestanddeel in de zin van artikel 6 van het VUT-reglement is dus zowel voor de hoogte van de NAR-uitkering als voor de hoogte van de VUT-uitkering van dezelfde betekenis. 4.5 Het hof acht de vermeerdering van eis wel ontoelaatbaar voorzover het betreft de periode vanaf de ingangsdatum van het pensioen (1 februari 2006). UWV heeft er terecht op gewezen dat de vraag wat tot de pensioengrondslag behoort, niet wordt bepaald door het VUT-reglement. Daar komt bij dat [X] niet eerder dan bij pleidooi enige onderbouwing heeft gesteld voor zijn aanspraak met betrekking tot de periode na de ingangsdatum van het pensioen. In zoverre is de eisvermeerdering in strijd met goede procesorde omdat de aan de oorspronkelijke eiser toekomende bevoegdheid tot verandering of vermeerdering van zijn eis is in hoger beroep is beperkt in die zin dat hij in beginsel zijn eis slechts kan veranderen of vermeerderen niet later dan in zijn memorie van grieven of van antwoord. Dit geldt ook als de vermeerdering van eis slechts betrekking heeft op de grondslag van hetgeen ter toelichting van de vordering door de oorspronkelijk eiser is gesteld (zie HR 20 juni 2008, LJN BC4959). 4.6 Het verweer van UWV dat [X] zijn vordering voor wat betreft de periode vanaf 1 februari 2002 heeft verwerkt door de vermindering van eis bij akte van 7 december 2004, heeft betrekking op de vraag of dat deel van de vordering toewijsbaar is (en zal bij de beoordeling van dit deel van de vordering zonodig aan de orde komen), maar is geen argument tegen de door [X] beoogde vermeerdering van eis. 4.7 De slotsom is dat de vermeerdering van eis toelaatbaar is, doch slechts voor wat betreft de gestelde aanspraak ten aanzien van het prepensioen (de periode vanaf 1 februari 2002 tot 1 februari 2006). 5. De verdere beoordeling De autokostenregeling 5.1 De eerste grief van UWV is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het netto resultaat van de autokostenregeling (dus na zuivering daaruit van de werkelijke autokosten) een vast loonbestanddeel vormt dat ook in de (NAR-)grondslag moet worden meegenomen. 5.2 Het hof stelt voorop dat het bij de beoordeling van de grief aankomt op de uitleg van artikel 6 lid 1 onder a van de VUT-reglement (zie hierboven onder 2.2.5). De uitleg dient te geschieden aan de hand van de bewoordingen van de bepaling, gelezen in het licht van de gehele regeling, waarbij betekenis kan worden gehecht aan de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe verschillende, op zich zelf mogelijke tekstinterpretaties leiden. 5.3 Het hof oordeelt dat het netto resultaat van de autokostenregeling niet kan worden aangemerkt als behorend tot de uitkeringsgrondslag als gedefinieerd in artikel 6 lid 1 onder a van het VUT-reglement. De autokostenvergoeding waarop [X] tijdens zijn actieve loopbaan aanspraak kon maken kan weliswaar worden aangemerkt als een (secundaire) arbeidsvoorwaarde waaraan een geldswaarde kan worden toegekend, maar is daarmee nog geen vast loonbestanddeel. Met name is van belang dat de omvang van het door een individuele werknemer te behalen financiële voordeel als gevolg van de autokostenregeling, afhankelijk is van omstandigheden die berusten op persoonlijke keuzes van de desbetreffende werknemer ten aanzien van het merk en type auto, soort brandstof, bouwjaar en kilometrage. Illustratief daarvoor is dat in het hierboven onder 2.2.4 genoemde vonnis van 11 juli 2000 het financiële voordeel bij toepassing van de oorspronkelijke autokostenregeling in het geval van [X] is geschat op fl. 20.000,00 netto over de periode vanaf 1 januari 1995 tot 1 juli 1998 en in het geval van zijn collega [Y] op fl. 5.000,00 netto over de periode vanaf 1 januari 1995 tot 1 september 1998. De omstandigheid dat de hoogte van het netto resultaat aldus afhankelijk is van diverse factoren die geen betrekking hebben op de inhoud of wijze van uitvoering van de werkzaamheden en evenmin anderszins behoren tot het domein van de contractuele relatie tussen SFB (of UWV) als werkgever en [X] als werknemer, staat in de weg aan de kwalificatie van de netto opbrengst van de autoregeling als vast loonbestanddeel. Dat geldt niet alleen bij een tekstuele interpretatie, maar ook indien acht wordt geslagen op de onaannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de tegenovergestelde opvatting leidt, te weten dat een werknemer als [X] het binnen zekere grenzen in eigen hand heeft om de hoogte van zijn NAR- en VUT- uitkering te beïnvloeden. Aan het bovenstaande doet niet af de stelling van [X] dat alle arbeidskundigen die aanspraak konden maken op de oorspronkelijke autokostenregeling dezelfde vergoeding ontvingen, ongeacht de categorie auto waarvan zij gebruik maakten en ongeacht het daadwerkelijk aantal gereden kilometers. Het komt immers niet aan op de hoogte van de uitbetaalde vergoeding maar op het netto voordeel dat de vergoeding na aftrek van de daadwerkelijke kosten (die juist wel afhankelijk zijn van de genoemde factoren) in een individueel geval oplevert. 5.4 UWV heeft er voorts terecht op gewezen dat de hierboven onder 2.2.3 en 2.2.4 genoemde vonnissen geen steun bieden aan het andersluidende standpunt van [X]. Hetgeen in die vonnissen is overwogen komt er kort gezegd op neer dat de oorspronkelijke autokostenregeling een arbeidsvoorwaarde is waaraan GMD en haar rechtsopvolgers jegens [X] gebonden zijn. De vonnissen houden niet in dat sprake is van een vast loonbestanddeel in de hierboven bedoelde zin. Het argument van [X] dat het hierboven onder 2.2.3 genoemde vonnis van 24 mei 1996 aanleiding is geweest voor het opnemen in de cao van een bepaling (B:14) die kort gezegd inhoudt dat, anders dan de cao-partijen aanvankelijk voor ogen stond, de oorspronkelijke autokostenregeling van toepassing bleef op degenen ten aanzien van wie de rechter in laatste instantie dat voor 1 januari 1998 heeft bepaald, heeft daarnaast geen zelfstandige betekenis en leidt dus niet tot een ander oordeel. 5.5 [X] heeft bij pleidooi nog aangevoerd dat de autokostenvergoeding moet worden aangemerkt als een ‘persoonlijke toeslag’ als bedoeld in de hierboven onder 2.2.5 geciteerde Bijlage. Het hof verwerpt dit standpunt, reeds omdat de autokostenvergoeding werd toegekend aan alle arbeidsdeskundigen die meer dan 30.000 km per jaar reden, zoals [X] bij pleidooi desgevraagd verklaarde. Reeds daarom behoort de oorspronkelijke autokostenregeling niet tot de “verzameling vaste toeslagen die ooit om bijzondere redenen aan individuele medewerkers zijn toegekend”. 5.6 De conclusie uit het voorafgaande is dat de eerste grief slaagt. Dat brengt mee dat alsnog beoordeeld moet worden of de hierboven onder 3.1 sub a en b genoemde vorderingen toewijsbaar zijn op de door [X] gestelde primaire grondslag, te weten de door [X] gestelde afspraak tussen partijen, die is belichaamd in de hierboven onder 2.2.6 geciteerde brief van 4 december 1997. 5.7 Het hof oordeelt dat de brief van 4 december 1997, gelezen tegen de achtergrond van de strekking en uitkomst van de in de brief bedoelde procedures (zie ook hierboven sub 2.2.3 en 2.2.4), onmiskenbaar inhoudt dat het nettoresultaat van de autokostenregeling betrokken dient te worden bij de vaststelling van de NAR-uitkering. Uit de hierboven onder 2.2.3 en 2.2.4 genoemde procedures blijkt dat [X] sterk hechtte aan het financiële voordeel dat voortvloeide uit de autokostenregeling, zodat het voor de hand lag dat hij, zoals hij bij gelegenheid van pleidooi op vragen van het hof heeft toegelicht, slechts aan de NAR-regeling wilde deelnemen indien dit voordeel in de hoogte van de NAR-uitkering betrokken zou worden. [X] heeft bovendien concreet gesteld dat hij zijn bedoeling in het desbetreffende gesprek aan [Z] en de ook aanwezige heer [P] van personeelszaken kenbaar heeft gemaakt. Daarbij komt dat [X] onweersproken heeft gesteld dat SFB graag wilde dat [X] gebruik zou maken van de NAR-regeling zodat [X] ook in de positie verkeerde om daaraan voorwaarden te verbinden. Daarbij komt dat UWV niet heeft gesteld, ook niet in reactie op een daarop gerichte vraag bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep, welke andere betekenis haar inziens aan de brief van 4 december 1997 moet worden toegekend. De stelling van UWV dat [Z] niet de bedoeling had om een toezegging te doen, kan UWV niet baten. Onder de hierboven geschetste omstandigheden mocht [X] aan de brief de betekenis toekennen dat SFB instemde met zijn voorwaarde dat het nettoresultaat van de autokostenregeling zou worden meegenomen bij de vaststelling van de NAR-uitkering. 5.8 Anders dan UWV nog heeft bepleit, brengt de enkele omstandigheid dat de schriftelijke NAR-overeenkomst van 11 maart 1998 en de begeleidende brief van diezelfde datum geen verwijzing naar de afspraak van 4 december 1997 inhouden, niet mee dat die afspraak daarmee vervallen is. Bovendien heeft [X] SFB reeds bij brief van 31 maart 1998 aan de afspraak herinnerd. 5.9 Gelet op de vaststelling van het hof dat het nettoresultaat van de autokostenregeling niet kan worden aangemerkt als een vast loonbestanddeel in de zin van artikel 6 van het VUT-reglement en dus niet op die grond behoort tot de grondslag van de NAR-uitkering, heeft [X] met de overeenkomst neergelegd in de brief van 4 december 1997 een aanvulling op de NAR-uitkering bedongen, waarop hij zonder die overeenkomst geen aanspraak zou kunnen maken. Er bestaat daarom geen aanleiding om aan die afspraak een ruimere uitleg te geven dan hetgeen SFB redelijkerwijs moest begrijpen. Tegen de achtergrond van de tekst van de brief van 4 december 1997 heeft [X] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat SFB moest begrijpen dat de bedoelde aanvulling niet slechts betrekking had op de hoogte van de NAR-uitkering, maar tevens op de hoogte van de daarop volgende VUT-uitkering/het prepensioen. De omstandigheid dat [X] achteraf, in de hierboven onder 2.2.8 geciteerde passage van zijn brief van 31 maart 1998, spreekt over “de hoogte van de NAR/VUT-regeling” maakt dat niet anders. 5.10 Voor zover [X] nog heeft aangevoerd dat de redelijkheid en billijkheid meebrengen dat zijn VUT-uitkering moet worden vastgesteld met inachtneming van het nettoresultaat van de autokostenregeling, verwerpt het hof dat betoog omdat daarvoor geen toereikende feiten zijn gesteld. 5.11 De conclusie uit het voorafgaande is dat UWV jegens [X] gehouden was om het nettoresultaat van de autokostenregeling te betrekken bij de vaststelling van de hoogte van de NAR-uitkering die [X] in de periode vanaf 1 juli 1998 tot 1 februari 2002 ontving. Over de periode nadien, waarin [X] tot 1 juli 2006 prepensioen ontving, is de vordering niet toewijsbaar. Het hierboven reeds genoemde verweer van UWV dat [X] zijn rechten heeft verwerkt met betrekking tot een periode vanaf 1 februari 2002, kan dus onbesproken blijven. 5.12 Zoals besproken bij gelegenheid van pleidooi zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld om zich nader uit te laten over de omvang van het alsnog aan [X] toekomende bedrag. Het komt het hof voor dat daarbij de navolgende uitgangspunten gelden. - De omstandigheid dat de NAR-uitkering 70% procent bedraagt van het laatstelijk voordien genoten bruto salaris brengt mee dat [X] aanspraak kan maken op 70% van de netto opbrengst van de oorspronkelijke autokostenregeling indien deze tot 1 juli 1998 zou zijn toegepast. - Gedurende de periode dat [X] de NAR-uitkering ontving beschikte hij, anders dan in de periode voordien, niet over een lease-auto. In zoverre wijkt het thans te berekenen bedrag af van de schadevergoeding over de periode vanaf 1 januari 1995 tot 1 juli 1998 die is vastgesteld in het hierboven onder 2.2.4 genoemde vonnis van 11 juni 2000, omdat bij de schade vaststelling in dat vonnis rekening is gehouden met de aan de lease-auto verbonden maandelijkse bijdrage en de fiscale bijtelling. [X] miskent dat in zijn berekening als weergegeven in de inleidende dagvaarding sub 11 en 12 en zijn akte van 7 december 2004 sub 2 en 3. - In het vonnis van 11 juli 2000 is overwogen dat (naast de maandelijkse bijdrage en de fiscale bijtelling) de ‘gederfde winst’ van [X] bij toepassing van de oorspronkelijke autokostenregeling ‘ex aequo et bono’ wordt geschat op fl. 20.000,00 netto over periode vanaf 1 januari 1998 tot 1 juli 2000. Omdat partijen zich kennelijk bij dat oordeel hebben neergelegd, ligt het voor de hand dit tot uitgangspunt te nemen bij de berekening van met betrekking tot de periode vanaf 1 juli 1998 tot 1 februari 2002. 5.13 Indien partijen er niet in slagen om alsnog tot overeenstemming te komen over de omvang van het aan [X] toekomende bedrag over de periode van 1 juli 1998 tot 1 februari 2002, dienen partijen, eerst [X] dan UWV, zich daarover bij akte uit te laten, aan de hand van inzichtelijke berekeningen, zo mogelijk onderbouwd met stukken. De jubileumgratificatie 5.14 De tweede grief van UWV is gericht tegen de veroordeling tot betaling door UWV van een bedrag van € 2.732,77 netto, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 mei 2000, terzake van het onbetaald gebleven gedeelte van de jubileumgratificatie. UWV stelt het verschuldigde bedrag van € 7.047,00 (het hof leest fl. 7.047,00) reeds betaald te hebben. 5.15 In de hierboven onder 2.2.7 genoemde brief van 11 maart 1998 heeft SFB aan [X] te kennen gegeven dat aan hem met het salaris over de maand juni 1998 een afscheidsgratificatie zal worden uitgekeerd ter grootte van een bruto maandsalaris, onder toepassing van de wettelijke inhoudingen. Uit de door UWV als productie 3 bij conclusie van dupliek overgelegde salarisstrook blijkt dat aan [X] een ‘afscheidsgratificatie VUT’ is uitgekeerd ter grootte van een bruto maandsalaris van fl. 7.047,-- (guldens, geen euro’s), onder aftrek van de wettelijke inhoudingen. Een en ander lijkt op een misverstand te berusten. Enerzijds volgt uit artikel 4 van de NAR-overeenkomst dat indien een jubileum valt in de NAR-periode, de betrokkene aanspraak houdt op een jubileumgratificatie (hetgeen strookt met het uitgangspunt van de NAR-regeling dat het dienstverband wordt gehandhaafd), terwijl anderzijds uit de door UWV als productie 4 bij conclusie van dupliek overgelegde regeling volgt dat een afscheidsgratificatie wordt uitgekeerd indien als gevolg van VUT of pensionering een (volgend) jubileum niet wordt gehaald. Bij juiste toepassing van de geldende regels had aan [X] dus geen afscheidsgratificatie in juni 1998 moeten worden toegekend maar een jubileumgratificatie per 1 mei 2000, bij gelegenheid van zijn 25 jarig jubileum. Die jubileumgratificatie behoort dan gelijk te zijn aan een bruto maandsalaris, uit te keren zonder wettelijke inhoudingen. Het hof oordeelt dat niet aangenomen kan worden dat SFB met de hierboven bedoelde vermelding van de afscheidsgratificatie in de brief van 11 maart 1998 heeft bedoeld aan [X] meer toe te kennen dan volgt uit de bij SFB geldende regels. Evenmin is er grond om aan te nemen dat [X] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan hem zowel een afscheidsgratificatie als een jubileumgratificatie zou worden toegekend. 5.16 UWV heeft, naar zij heeft gesteld en [X] heeft erkend, in februari 2005 een bedrag van € 1.816,70 aan [X] betaald. 5.17 Het hof verzoekt partijen, eerst [X] dan UWV, om bij akte nader gemotiveerd te stellen of, met inachtneming van het bovenstaande, UWV (inmiddels) voldaan heeft aan haar verplichting om per 1 mei 2000 aan [X] een jubileumgratificatie uit te keren ter grootte van een bruto maandsalaris, uit te betalen zonder toepassing van de gebruikelijke wettelijke inhoudingen. Voor de goede orde merkt het hof daarbij op dat het [X] niet volgt in zijn standpunt dat de netto opbrengst van de autokostenregeling behoort tot het bruto salaris dat in aanmerking moet worden genomen bij toekenning van jubileumgratificatie; [X] gaat dus ten onrechte uit van een bruto maandsalaris ter grootte van € 4.549,47. 5.18 Partijen hebben geen bewijs aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, kunnen leiden tot een ander oordeel dan hierboven weergegeven. Het hof zal partijen daarom geen nader bewijs opdragen. 5.19 De slotsom is dat de eerste grief van UWV slaagt, maar dat [X] niettemin aanspraak kan maken op een nader vast te stellen bedrag ter grootte van 70% van het nettoresultaat van de autokostenregeling (vast te stellen alsof die regeling tot 1 juli 1998 zou zijn toegepast) over de periode van 1 juli 1998 tot 1 februari 2002. De tweede grief slaagt in zoverre dat [X] (slechts) aanspraak had op een jubileumgratificatie ter grootte van een bruto maandsalaris uit te keren zonder wettelijke inhoudingen en niet tevens op een afscheidsgratificatie. In afwachting van de aktewisseling ten aanzien van beide onderwerpen houdt het hof iedere verdere beslissing aan. 3. Beslissing Het hof: verwijst de zaak naar de rolzitting van 24 februari 2009 voor het nemen van een akte aan de zijde van [X] met het onder 5.12 en 5.17 omschreven doel, waarna UWV bij antwoordakte mag reageren; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit arrest is gewezen door mrs. P.G. Wiewel, L.C. Heuveling van Beek en G.C. Makkink en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 13 januari 2009.